• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 74 pages
Summary

Samenvatting 'Sociale psychologie, deel 2'

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 74 pages

Dit is een volledige en uitgebreide samenvatting van het vak 'Sociale psychologie, deel 2', gedoceerd door Kaat Van Acker en Loes Meeussen in academiejaar . Deze samenvatting omvat de slides + mijn eigen notities.

Content preview

SOCIALE PSYCHOLOGIE, DEEL 2

LES 1 – INLEIDING
WAT IS SOCIALE PSYCHOLOGIE?
Sociale psychologie = wetenschappelijk onderzoek naar de manier waarop
gedachten, gevoelens, en gedragingen worden beïnvloed door anderen
 Invloed van anderen
o Die fysiek aanwezig zijn
o Die in gedachten aanwezig zijn (bv. net een conflict gehad met iemand)
o Die geïmpliceerd zijn: normen en waarden die bewust of onbewust ons gedrag,
gedachten en gevoelens beïnvloeden
 bv: niet stelen omdat er een regel is en deze geldt ook wanneer mensen niet
aanwezig zijn)

VERKLARINGSNIVEAUS IN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
Voorbeeld van casus: je hebt vacature voor leidinggevende – wie zou je aannemen?
 Foto van zakenman, foto van oudere mevrouw
 Keuze wordt beïnvloed door (reactie tegen) stereotypen over mannen/vrouwen, jong/oud,
… (zeker indien zoals in dit geval
geen andere beschikbare info dan enkel een foto)
 Dit fenomeen kan je verklaren op 4 niveaus (van laag naar hoog)

NIVEAU 1: INTRAPERSOONLIJK
Intrapersoonlijk niveau = persoon in context  verklaringen op individueel niveau
 Stereotypen sturen (binnen jezelf) oordeel over de ander  de mate waarin je bepaalde
stereotypen geïnternaliseerd hebt
 Individu beïnvloed door stereotypen en ideologie (die mogelijks dominant is binnen
cultuur, maar hier is geen nadruk op)
o Of kennis over die stereotypen en feministische idealen maakten dat je er tegenin ging

Voorbeeld van casus: stereotypen kleuren je oordeel over de persoon
 Onderzoek toont twee dimensies aan m.b.t. geslachtsstereotypes
o Competentie: sterk, dominant, agressief en competent – stereotype van man
 Voorspellender voor functie op de arbeidsmarkt
o Warmte: vriendelijk, zorgend, passief, zwak – stereotype van vrouw

NIVEAU 2: INTERPERSOONLIJK NIVEAU
Interpersoonlijk niveau = sociale relaties, interacties en situaties
 Gedrag onder invloed van sociale situaties, relaties en interacties
o Hoe anderen jouw voelen, denken en gedrag beïnvloeden
 Als omgeving stereotypes relevant maakt, zullen ze meer doorwegen in je oordeel
o Vb. de voorzitter van de sollicitatiecommissie heeft net een seksistische opmerking
gemaakt

Voorbeeld van casus: voorzitter van sollicitatiecommissie maakt seksistische opmerking
 Deelnemers lezen scenario selectieprocedure: ‘op sommige momenten moet je hier zware
1

, producten verplaatsen. Dat kan
een beetje gevaarlijk zijn – maar de jongens zullen een aardige
jongedame als jij vast wel helpen’
o Klinkt lief, maar is voorbeeld van welwillend seksisme (zoals we
later zullen zien)
 AV: beoordelen als al dan niet geschikt voor de job – afhankelijk
van beeld van interviewer
o Negatief beeld: competentie sollicitant hoger ingeschat – geschikt voor job
o Positief beeld: niet geschikt voor de job

NIVEAU 3: POSITIONEEL NIVEAU
Positioneel niveau = sociale groepen
 Status van persoon in een groep, groepslidmaatschap en groepsrelaties bepalen gedrag
o Kijken naar de samenstelling van groepen
o Compositie van groep kan je beslissing beïnvloeden
 Voorbeeld: in een volledig mannelijke omgeving zal stereotype van vrouw meer
doorwegen, start-up als jong bedrijf dat zich ook zo wil profileren zal minder snel
oudere mensen aannemen

NIVEAU 4: IDEOLOGISCH NIVEAU
Ideologisch niveau = cultureel
 Algemene opvattingen en ideeën, culturele betekenissen en praktijken bepalen gedrag
 Cultuur/ideologie activeert stereotypen e.a.

Voorbeeld casus: onderzoek naar mate waarin seksistische ideeën binnen/tussen landen
correleren met positie vrouwen
 2 maten voor positie van vrouwen
o Gender Empowerment: macht, deelname aan economie en politiek
o Gender Development: ontwikkeling, levensverwachting, scholing en levensstandaard
 Resultaat: in samenlevingen met seksistische ideeën hebben vrouwen ook minder vaak
een leidinggevende functie
o Positie van vrouwen beter in samenleving met minder seksistische ideologie
 Samenleving typeert mannen en vrouwen op die manier dat ze voor bepaalde rollen
(on)geschikt lijken

 Al deze niveaus van verklaring zijn waar en relevant
 Reductionisme= als je probeert het hele fenomeen terug te brengen tot één enkel niveau
van verklaring

METHODEN IN SOCIALE PSYCHOLOGIE
Wetenschappelijke methode = methode die wordt gebruikt om sociaal gedrag te
bestuderen
 Centraal = gebruik van hypothesen
o Voorspellingen gebaseerd op voorgaande kennis, speculaties en toevallige of
systematische observaties
o Belangrijk: empirische tests kunnen de hypothesen falsifiëren, maar niet
bewijzen (wel meer mogelijk tot waarheid maar nooit 100% zeker)
 Centraal = replicatie
o Beschermt tegen
 Mogelijkheid dat de bevinding samenhangt aan toevallige omstandigheden
 Fraude
2

, o Bij voorkeur: methodological pluralism = bevindingen aangetoond door
meerdere onderzoekers(teams) en a.d.h.v. verschillende methoden
 ≠ dogma’s of rationalisme: iets wordt als waar gezien omdat iemand gelooft dat
het waar is of een autoriteit beweert dat het waar is
 Twee soorten methoden
o Experimentele methoden
 (Sociale) psychologie gaat over sociale invloed op gevoelens, gedachten en
gedrag
 Er wordt uitgegaan van causaliteit en dit kan worden aangetoond a.d.h.v.
experimentele methoden
o Niet-experimentele methoden
 (Sociale) psychologie gaat over hoe gevoelens, gedachten en gedrag sociaal
gekleurd zijn
 Steeds meer aandacht voor andere (niet-experimentele) methoden

EXPERIMENTELE METHODEN
Enkele belangrijke kenmerken
 Afhankelijke variabele (AV) = uitkomstmaat
 Onafhankelijke variabele (OV) = condities, hetgeen gemanipuleerd wordt
 Toevallige toewijzing van proefpersonen aan condities
 Storende variabelen (variabele die mee varieert met de OV) zoveel mogelijk uitsluiten
door de rest constant te houden

Twee belangrijke vormen van validiteit
 Interne validiteit: kan je het resultaat dat je meet toeschrijven aan de OV?
o Ook wel experimental realisme (= de manipulaties hebben psychologische impact en
betekenis voor de participanten)
 Externe validiteit: mate waarin resultaten kunnen worden gegeneraliseerd en toegepast
in andere contexten
o Ook wel mundane realisme (= hoe gelijk de condities zijn t.o.v. deze die in de echte
wereld voorkomen)
 Experiment: worden mensen hulpvaardiger als ze zich goed
voelen?
o OV = compliment of kritiek geven
AV = hoeveel papieren rapen vrouwelijke
psychologiestudenten op als een medewerker een hele map
papieren laat vallen bij het langslopen?
o Resultaten: aantal papieren opgeraapt na compliment > aantal papieren opgeraapt na
kritiek

o Bedenkingen rond interne validiteit – waren ze hulpvaardiger omdat ze zich
goed voelen?
 Zorgt compliment voor goed voelen? Is er effectief een effect van het compliment of
de kritiek
- controleconditie –kritiek is niet perse afwezigheid van compliment)?
 Is papieren oprapen een goede meting van hulpvaardigheid?
o Aanpassingen van het experiment voor interne validiteit
 Experiment: invoeren van een controleconditie?
- Drie condities: compliment, kritiek, geen manipulatie
- Resultaten: kritiek < compliment en geen manipulatie
- Conclusie: je slecht voelen zorgt voor minder
rechtvaardigheid (↔ hulpvaardiger wanneer goed
3

, voelen)
 Experiment: mogelijke storende variabele (confound) = geslacht van medewerker
- 2x2 design: vrouwelijke medewerker vs mannelijke medewerker, kritiek vs
compliment
- Resultaten: interactie-effect waar we alleen significant effect zien van kritiek
wanneer de medewerker M is

o Bedenkingen rond externe validiteit
 Resultaten vrouwelijke psychologiestudenten te veralgemenen naar doelpopulatie?
 Zou hetzelfde gebeuren in een dagelijkse situatie? (bv: t.o.v. iemand die je kent?)
 Replicatie nodig!!

Twee soorten experimenten
 Laboratorium-experiment: meestal gebruikt, experiment in laboratorium
waarbij heel veel manipulatie en controle kan worden uitgevoerd
o Voordeel: hoge interne validiteit
o Nadelen
 Lage externe validiteit
 Gevaar voor reductionisme
 Gevaar op demand karakteristieken = omwille van omstandigheden (vb. hoe de
proefleider zich gedraagt) weet je wat de opzet van de studie is en ga je je hiernaar
gedragen
 Beperking van het spontaan gedrag doordat participanten weten dat ze meedoen
aan onderzoek (subject effects)
 Veld-experimenten: experiment buiten het laboratorium, in normale/natuurlijke
omstandigheden
o Voordelen
 Hoge externe validiteit
 Geen gevaar op demand karakteristieken of subject effects
o Nadeel: lage interne validiteit (weinig controle mogelijk), minder controle op storende
factoren, gevaar voor antwoordtendenzen

NIET-EXPERIMENTELE METHODEN
Niet-experimentele methoden: gebruikt wanneer een experiment niet mogelijk is
 Redenen waarom experiment niet mogelijk is
o Praktische problemen
o Ethische problemen
 Er kunnen geen causale uitspraken gebeuren – wel correlaties

Verschillende niet-experimentele methoden
 Survey onderzoek = data collectie a.d.h.v. een survey met
open of gesloten vragen (gestructureerd interview of vragenlijst)
o Studie: discriminatie ervaringen van moslims in een aantal
Europese steden en hoeverre dit o.b.v. hun religie is
 Ervaring, voorlopers en gevolgen van reële situaties onderzoeken
 Discriminatie, gender en religie zijn niet zomaar te manipuleren – correlaties!
 Archiefonderzoek = niet-experimentele methode waarbij data, of rapporten van
data, die door andere personen bekomen zijn verzameld worden
o Onderzoek naar culturele producten of naar maatschappelijke ontwikkelingen
o Vooral interessant wanneer men ideologisch of positioneel niveau mee wil nemen
o Voorbeeldstudies

4

Table of contents

  1. 01 Experimentele methoden 3
  2. 02 Niet-experimentele methoden 3
  3. 03 Enkele belangrijke kenmerken 3
  4. 04 Twee belangrijke vormen van validiteit 3
  5. 05 Twee soorten experimenten 4
  6. 06 Verschillende niet-experimentele methoden 4
  7. 07 Welke methode kiezen? 6
  8. 08 Waarom willen mensen bij groepen horen? 7
  9. 09 Hoe zorgen mensen dat ze bij een groep horen? 8
  10. 10 2. Inductief 9
  11. 11 1. Vaardigheden-benadering 13
  12. 12 2. Betrokkenheidsbenadering 13
  13. 13 Warmte 15
  14. 14 Schema’s en categorieën: invloeden 18
  15. 15 Bottum-up versus top-down 18
  16. 16 Stereotypes en gevoelens/gedrag 19
  17. 17 Veranderen van stereotypes gebeurd op drie manieren 20
  18. 18 Je oordeel over mensen wordt ook sterk bepaald door wat je opmerkt 20
  19. 19 Lager in de hiërarchie: schaamte/gene 26
  20. 20 Hoger in de hiërarchie: trots 27
  21. 21 Zelf-concept 29
  22. 22 Elementen die ervoor zorgen dat ons zelfbeeld sociaal is 30
  23. 23 Persoonlijke vs sociale identiteit 32
  24. 24 Startpunt: wat als sociale identiteit lage status heeft? 33
  25. 25 Strategieën om positiever zelfbeeld te krijgen 34
  26. 26 Er zijn 2 motivationele systemen 36
  27. 27 Mensen willen zich goed voelen over zichzelf, waarom? 37
  28. 28 Wat doen we om ons goed te voelen over onszelf? 37
  29. 29 Wat doen we als zelfwaarde op de proef wordt gesteld? 37
  30. 30 PRISONER’S DILEMMA 38
  31. 31 COMMONS DILEMMA 38
  32. 32 PUBLIC GOOD DILEMMA 39
  33. 33 Duidelijk onderscheid 39
  34. 34 Structurele oplossingen 39
  35. 35 Assumptie: mensen streven naar maximale winst (homo economicus) 39
  36. 36 Oplossing: beperk vrijheid, persoonlijk belang en groepsbelang op dezelfde lijn (beide maximale winst) 39
  37. 37 Psychologische oplossingen 40
  38. 38 Assumptie: mensen kunnen streven naar groepsbelang voorbij eigen voordeel 40
  39. 39 Oplossing: speel in op sociale identiteiten en geweten, verhoog vertrouwen, communicatie, inzicht en prosociale oriëntatie 40
  40. 40 Regels, controle en gevolgen: beperk vrijheid of zet persoonlijk belang en groepsbelang op dezelfde lijn 40
  41. 41 Pull-methoden= beleid dat gericht is op het faciliteren van coöperatief gedrag 40
  42. 42 Push-methoden= beleid dat gericht is op het verstoren van ongewenst gedrag 40
  43. 43 Commons dilemma 40
  44. 44 Structurele oplossingen: 40
  45. 45 Bij het gebruiken van een gemeenschappelijk goed is het voordeel van veelgebruik voor het individu en zijn de nadelen gedeeld door iedereen 40
  46. 46 Verdeel het common goed zodat het nadeel persoonlijk wordt 40
  47. 47 Neem mensen hun keuzevrijheid af: regels 40
  48. 48 Beloon het gewenste gedrag zodat dit een persoonlijk voordeel wordt 40
  49. 49 Bestraf het ongewenste gedrag (vb. in China 1-kindregel: meer dan 1 kind: hogere belasting) 40
  50. 50 Controle (soms wel controle duurder dan het probleem zelf 40
  51. 51 Psychologische oplossingen : 40
  52. 52 Kennis en inzicht 40
  53. 53 Inzicht in voordelen op korte termijn versus sociale gevolgen op lange termijn 40
  54. 54 Advies geven over hoe je coöperatief gedrag kunt vertonen 40
  55. 55 Wederzijds vertrouwen 40
  56. 56 Afhankelijkheid (voor wat hoort wat) 40
  57. 57 Vrienden samen laten spelen lijkt voor vertrouwen te zorgen 40
  58. 58 Communicatie: als mensen kunnen communiceren over wat ze gaan doen  zorgt voor vertrouwen tussen elkaar 40
  59. 59 Houding en waarden: 40
  60. 60 Coöperatieve mensen zijn coöperatiever in sociale dilemma’s dan individualtische (maximale voordeel voor zichzelf) en competitieve mensen 40
  61. 61 Mensen met universalistische & welwillende waarden (belangrijk dat mensen rondom jou het goed hebben) zijn coöperatiever in sociale dilemma’s dan mensen met waarden van macht, prestatie en plezier 40
  62. 62 Activeren van waarden: 40
  63. 63 Primen van coöperatie zorgt voor meer coöperatie, primen van competentie (foto’s bureau materiala) voor minder coöperatie 40
  64. 64 Sociaal dilemma spel voorstellen als ‘community spe’l zorgt voor meer coöperatie dan als ‘wall street beursspel’  meer individueel voordeel 40
  65. 65 Inspelen op geweten, morele verantwoordelijkheid (‘there is no planet B’) 40
  66. 66 Sociale identiteiten, wij-gevoel 40
  67. 67 Descriptieve norm: wat doen anderen? – conformity effect 40
  68. 68 Jakobbson et al. (2000): handdoeken op hotel 40
  69. 69 Vroeger gangbaar dat elke dag de handdoeken ververst worden 40
  70. 70 Nu opgeroepen om handdoek meerdere malen te gebruiken 40
  71. 71 Verschillende manieren: 40
  72. 72 Help het hotel geld besparen 40
  73. 73 Werk samen met ons aan een beter klimaat 41
  74. 74 Bijna 75% van de gasten hergebruikt de handdoeken 41
  75. 75 75% van de gasten die in deze kamer verbleven hergebruikten handdoeken 41
  76. 76 Soms kan intergroepssituatie net nadeling zijn 41
  77. 77 Wanneer een persoon als vertegenwoordiger van een groep moet komen (wij versus zij)  belangen van onze groep sterker vertegenwoordigen (minder coöperatief) 41
  78. 78 Public goods dilemma 41
  79. 79 Psychologische oplossingen: 41
  80. 80 Bij het opbouwen van een gemeenschappelijk doel is het moeilijke dat je eigen bijdrage niet zichtbaar is en dat je het gevoel hebt dat jouw bijdrage het verschil niet zal of kan maken. De beloning die je krijgt door een bijdrage is ook klein 41
  81. 81 Verklein de grootte van de groep (subgroepen) 41
  82. 82 Zichtbaarheid van gedrag verhoogt 41
  83. 83 Verhoogt sociale controle 41
  84. 84 ‘als ik het verwaarloos, zal de rest dat ook doen’ 41
  85. 85 Verdeel de taak in deeltaken 41
  86. 86 Gevoel van effectiviteit van eigen bijdrage verhoogt 41
  87. 87 Heel duidelijk wie wat gedaan of niet gedaan heeft 41
  88. 88 Werkt omdat er opeens sociale controle is 41
  89. 89 Strategieën om maatregelen te laten volgen 41
  90. 90 Sociale identiteitsstrategieën 41
  91. 91 Motieven/predictoren voor collectieve actie 43
  92. 92 Vroeger: verdeel-en-heers techniek 43
  93. 93 Contacten tussen groepen 43
  94. 94 Huidige situatie 44
  95. 95 Leiderschap is 45
  96. 96 Wat is een goede leider? Twee benaderingen 45
  97. 97 Types leiders 46
  98. 98 Types leiders in teamsport 46
  99. 99 Contingentietheorie (Fiedler) 47
  100. 100 Normatieve beslissingstheorie 47
  101. 101 Pad-doel theorie 47
  102. 102 3 componenten 48
  103. 103 Sociale identiteitstheorie 48
  104. 104 Dus gecombineerd met leiderschap 48
  105. 105 Waarom relevant voor leiderschap? 48
  106. 106 Kernelementen 48
  107. 107 Intragroepprocessen 50
  108. 108 Nog steeds dagelijks relevant verschil 52
  109. 109 Fysieke aantrekkelijkheid 53
  110. 110 Wat vinden we fysiek aantrekkelijk? 53
  111. 111 Wat maakt iemand sociaal aantrekkelijk? Predictoren? 53
  112. 112 Cultuurverschil 54
  113. 113 Reacties op sociale uitsluiting 54
  114. 114 Dus: gemengde reacties op sociale uitsluiting 55
  115. 115 Hoe universeel is sociale uitsluiting? 55
  116. 116 Deel 1: hoe pijnlijk is sociale uitsluiting? 55
  117. 117 Vosodek (2009): culturele verschillen hypothese 58
  118. 118 Recente study hypothèses Fiske 58
  119. 119 Sample : 106 onderzoeksgroepen van 24 universiteiten in de VS 58
  120. 120 Metingen: relationele modellen vragenlijst & individualisme en collectivisme vragenlijst 58
  121. 121 Verwachte resultaten: 58
  122. 122 Collectivistisch luik wordt helemaal bevestigt, individualistisch luik wordt maar voor ¼ bevestigt 58
    1. Wat is liefde? 58
    2. The triangle of love 59
    3. Taal kan op veel manieren gebruikt worden – verbale communicatie 60
    4. Linguistische relativiteitshypothese van Whorf 60
    5. Taal geeft informatie over de context 63
    6. Manieren van non-verbale communicatie 65
    7. Manieren van non-verbale communicatie van macht 66
    8. Voorbeelden van discriminatie 67
    9. Wat is discriminatie? 68
    10. Wat is vooroordeel? 68
    11. Nieuw racisme 72
    12. Stereotypebedreiging 72
    13. Allport’s klassieke Contacthypothese 73
    14. Andere vormen van intergroepscontact 73

Document information

Study
Uploaded on
February 23, 2026
Number of pages
74
Written in
2024/2025
Type
Summary
$10.58

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
1
Followers
0
Items
5
Last sold
5 months ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions