• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 126 pages
Case

2025Q4 Longitudinaal casus geslaagd met deze uitwerkingen

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 126 pages

Eindeloos werk aan deze opdracht! Bespaar tijd en gebruik deze formules, analyses, conceptuele modellen, hypotheses, data screening en uitwerkingen als leidraad: en je slaagt (net als ik). De eindopdracht bestaat uit een onderzoekscasus waarin je op basis van zelf-geformuleerde onderzoeksvragen longitudinale multilevelanalyses uitvoert en waarover je een samenvatting schrijft en een presentatie geeft. Het idee achter de eindopdracht is dat de situatie wordt nagebootst dat je als wetenschapper je onderzoek wilt presenteren op een wetenschappelijk congres.

Content preview

Eindopdracht Onderzoekspracticum longitudinaal onderzoek

Thema 6 - Eindopdracht
In deze eindopdracht breng je de opgedane kennis in de praktijk aan de hand van een
onderzoekscasus.
Na het afronden van de eindopdracht kun je
 samen met een medestudent meerdere complexe analyses uitvoeren op een
longitudinaal databestand
 je onderzoek bondig rapporteren in een samenvatting
 de door jullie gemaakte keuzes bij een analyse van het soort onderzoek zoals in
deze cursus wordt behandeld kort en bondig mondeling toelichten.

De eindopdracht bestaat uit een onderzoekscasus waarin je op basis van zelf-
geformuleerde onderzoeksvragen longitudinale multilevelanalyses uitvoert en waarover
je een samenvatting schrijft en een presentatie geeft. Het idee achter de eindopdracht is
dat de situatie wordt nagebootst dat je als wetenschapper je onderzoek wilt presenteren
op een wetenschappelijk congres.

Stappen om tot afronding van de eindopdracht te komen
1. Zoek een presentatiepartner, bijvoorbeeld via het Discussieforum.



2. Schrijf je indien nodig/mogelijk alvast in voor het tentamen door een geschikt
tijdslot voor jullie presentatie te reserveren, of doe dat nadat je de opdracht hebt
uitgewerkt. Zie verderop op deze pagina voor meer informatie over het reserveren
van een tijdslot.

Reserveringsdetails
Uw reservering is bevestigd.

Reserveringsdetails

Servicenaam

Presentatie_OLO_1

Wanneer

dinsdag 20 januari 2026

09:30 - 10:00

(UTC+01:00) Amsterdam, Berlin, Bern, Rome, Stockholm, Vienna


3. Bestudeer de casus en de aanwijzingen voor de eindopdracht in studietaak 6.2.

zie separaat bestand: Onderzoekscasus longitudinaal onderzoek.docx

4. Formuleer de volgende onderdelen aan de hand van de informatie over de casus:
a. Probleemstelling (aanleiding, relevantie, doel). Raadpleeg aanvullende
literatuur indien nodig.
b. Een of meerdere onderzoeksvragen die aansluit(en) bij het genoemde doel
in de casus en die je kunt beantwoorden met de beschikbare data.
c. Toetsbare hypotheses die aansluiten bij je onderzoeksvraag.
d. Conceptueel model dat aansluit bij de onderzoeksvraag en bij de
hypotheses.

De casus beschrijft een experimenteel longitudinaal onderzoek met drie condities
(positieve groepsvorming, anti-pestprogramma, controle), waarin leerlingen gedurende



1

,acht maanden zijn gevolgd om de ontwikkeling van verbondenheid met de klas te
meten, en waarin gepest worden (ja/nee) als moderator wordt beschouwd.

Probleemstelling
Aanleiding
Sociale verbondenheid met klasgenoten vormt een essentiële basis voor het welzijn, de
motivatie en het sociaal-emotioneel functioneren van leerlingen in het basisonderwijs.
Een lage ervaren verbondenheid hangt samen met een verhoogd risico op eenzaamheid,
internaliserende problematiek en blijvende moeilijkheden in sociale relaties op latere
leeftijd.
Pesten vormt een ernstige bedreiging voor deze verbondenheid. Leerlingen die
structureel worden gepest voelen zich vaker buitengesloten en kunnen terechtkomen in
een negatieve sociale ontwikkelingsspiraal. Om dit tegen te gaan worden op scholen
verschillende interventies ingezet, zoals programma’s gericht op positieve groepsvorming
en specifieke anti-pestprogramma’s. Hoewel deze interventies op grote schaal worden
toegepast, is hun effect op de longitudinale ontwikkeling van verbondenheid nog beperkt
empirisch onderbouwd, met name in vergelijking met een controleconditie zonder
interventie.
Relevantie
Inzicht in de effectiviteit van deze interventies is van groot belang voor scholen en
beleidsmakers, omdat nog onvoldoende bekend is:
 hoe verbondenheid zich gedurende een schooljaar ontwikkelt onder verschillende
interventiecondities;
 of gepeste leerlingen in gelijke mate profiteren van deze interventies;
 en in hoeverre interventies daadwerkelijk bijdragen aan het verbeteren van de
sociale positie van kwetsbare leerlingen.
Longitudinaal experimenteel onderzoek is noodzakelijk om deze
ontwikkelingsprocessen betrouwbaar in kaart te brengen en om scholen te
ondersteunen bij het maken van evidence-based keuzes.
Doelstelling
Het doel van dit onderzoek is om met behulp van longitudinale multilevelanalyses te
onderzoeken in hoeverre de ontwikkeling van verbondenheid met de klas over de tijd
verschilt tussen leerlingen in een positieve groepsvormingsinterventie, een anti-
pestinterventie en een controleconditie, en of deze effecten worden gemodereerd door
gepest worden aan het begin van het schooljaar.

Onderzoeksvragen – verbeterde en methodologisch strakke versie

Hypothesen

Nieuwe hypotheses:
 H1 — Hoofdeffect van Tijd
H1. Naarmate het schooljaar vordert (t₀–t₇), ervaren leerlingen gemiddeld een
toename in verbondenheid met hun klas, onafhankelijk van interventieconditie en
gepest-status.

 H2 — Interventie-effect: Tijd × Interventieconditie
H2. De ontwikkeling van verbondenheid over tijd verschilt tussen de
interventiecondities; leerlingen in de interventiecondities laten over het schooljaar
een sterkere toename in verbondenheid zien dan leerlingen in de controleconditie.
Deze algemene interactiehypothese (H2) wordt verder gespecificeerd in H2a en
H2b, die de richting van de verwachte verschillen tussen de condities aangeven
H2a. Leerlingen in de conditie positieve groepsvorming vertonen over tijd de
sterkste stijging in verbondenheid, vergeleken met zowel de anti-pestconditie als
de controleconditie zonder programma.
H2b. Leerlingen in de anti-pestconditie vertonen over tijd een grotere stijging in
verbondenheid dan leerlingen in de controleconditie zonder programma.

 H3 — Tijd × Gepest-status
H3. De stijging in verbondenheid met de klas over tijd is gemiddeld minder sterk
voor leerlingen die substantieel worden gepest dan voor leerlingen die niet of



2

, nauwelijks worden gepest, onafhankelijk van interventieconditie.

 H4 — Drieweginteractie Tijd × Interventie × Gepest-status
H4. Het effect van de interventiecondities op de ontwikkeling van verbondenheid
met de klas verschilt tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen (drieweginteractie
Tijd × Interventieconditie × Gepest-status). Deze algemene interactiehypothese
(H4) wordt verder gespecificeerd in H4a en H4b, die de verwachte richting van de
verschillen voor gepeste leerlingen verduidelijken.
H4a – Anti-pestprogramma werkt minder goed voor gepeste leerlingen
H4a. In de anti-pestconditie is de stijging in verbondenheid over tijd minder sterk
voor leerlingen die substantieel worden gepest dan voor leerlingen die niet of
nauwelijks worden gepest.
H4b – Positieve groepsvorming werkt beschermend
H4b. In de conditie positieve groepsvorming vertonen gepeste leerlingen over tijd
een grotere toename in verbondenheid dan gepeste leerlingen in zowel de anti-
pestconditie als de controleconditie.

 H5 — Controlevariabelen (leeftijd en geslacht)
H5. Leeftijd en geslacht van leerlingen hangen samen met het niveau en/of de
ontwikkeling van verbondenheid met de klas, maar de verwachte effecten van tijd,
interventieconditie en gepest-status op de ontwikkeling van verbondenheid blijven
bestaan na controle voor leeftijd en geslacht.

Conceptueel Model
Onderzoeksopzet en niveaus
Het onderzoek heeft een longitudinaal multileveldesign met herhaalde metingen
binnen leerlingen. De gegevens zijn hiërarchisch gestructureerd als volgt:
 Niveau 1 (within-leerling): herhaalde metingen van gevoelens van
verbondenheid met de klas over acht meetmomenten (t₀–t₇).
 Niveau 2 (between-leerling): stabiele leerlingkenmerken en de toegewezen
interventieconditie.
Dit model maakt het mogelijk om zowel veranderingen binnen leerlingen in de tijd
als verschillen tussen leerlingen te analyseren.

Variabelen in het model
Afhankelijke variabele (Y)
 Verbondenheid met de klas
Gemeten met de Comfort-schaal van de Classroom Peer Context Questionnaire
(schaalgemiddelde 1–10), op acht meetmomenten (t₀–t₇).

Onafhankelijke variabelen (X)
Tijd (within-leerling predictor)
 Meetmoment: t = 0–7
 Continue predictor
 Gecentreerd op t₀, zodat het intercept de beginsituatie vóór de interventies
weergeeft.
Interventieconditie (between-leerling predictor)
 1 = Positieve groepsvorming
 2 = Anti-pestprogramma
 3 = Controleconditie (zonder programma; referentiecategorie via dummycodering
of contrasten)
Gepest-status (between-leerling predictor)
 0 = Niet of nauwelijks gepest
 1 = Substantieel gepest (vastgesteld op t₀)
Controlevariabelen (covariaten, niveau 2)
 Leeftijd in maanden op t₀ (LT_maanden)
 Geslacht (0 = man, 1 = vrouw)

Moderatiestructuur
De moderator in het model is gepest-status.
Gepest-status modereert het effect van de interventiecondities op de ontwikkeling van



3

, verbondenheid over de tijd. Dit wordt statistisch gemodelleerd via de
drieweginteractie:
Tijd × Interventieconditie × Gepest-status
Daarnaast worden de onderliggende tweeweginteracties meegenomen:
 Tijd × Conditie
 Tijd × Gepest
Hiermee wordt getoetst of:
 interventies de groei in verbondenheid beïnvloeden,
 en of dit interventie-effect verschilt tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen.

Hoofdstructuur van het multilevelmodel
Random effects (toevallige effecten)
 Random intercept per leerling:
Leerlingen verschillen in hun beginscore op verbondenheid (t₀).
 Random slope voor Tijd:
Leerlingen verschillen in hun individuele groeitraject van verbondenheid over de
tijd.
Deze random effecten modelleren de individuele variatie in startniveau en
ontwikkeling.

Fixed effects (vaste effecten)
Het uiteindelijke model bevat ten minste de volgende vaste effecten:
 Hoofdeffect Tijd
 Hoofdeffect Interventieconditie
 Hoofdeffect Gepest-status
 Tweeweginteractie Tijd × Interventieconditie
 Tweeweginteractie Tijd × Gepest-status
 Drieweginteractie Tijd × Interventieconditie × Gepest-status
 Covariaten: Leeftijd en Geslacht
Deze fixed effects testen gezamenlijk alle geformuleerde hypothesen.

Conceptuele toetsing van de hypothesen binnen het model
Het conceptuele model toetst de hypothesen als volgt:
1. H1 – Hoofdeffect van Tijd
→ Is er een gemiddelde verandering in verbondenheid over de tijd?
2. H2 – Tijd × Interventieconditie
→ Verschillen de groeitrajecten in verbondenheid tussen:
o positieve groepsvorming,
o anti-pestprogramma,
o en controleconditie?
3. H3 – Tijd × Gepest-status
→ Ontwikkelen gepeste leerlingen zich anders in verbondenheid dan niet-gepeste
leerlingen?
4. H4 – Tijd × Interventie × Gepest (moderatie)
→ Verschilt het effect van de interventies op de groei in verbondenheid tussen
gepeste en niet-gepeste leerlingen?
5. H5 – Covariaten (leeftijd en geslacht)
→ Blijven de effecten van tijd, interventie en gepest-status bestaan na controle
voor leeftijd en geslacht?




4

Table of contents

  1. 01 Thema 6 - Eindopdracht 1
  2. 02 In deze eindopdracht breng je de opgedane kennis in de praktijk aan de hand van een onderzoekscasus. 1
  3. 03 Na het afronden van de eindopdracht kun je 1
  4. 04 samen met een medestudent meerdere complexe analyses uitvoeren op een longitudinaal databestand 1
  5. 05 je onderzoek bondig rapporteren in een samenvatting 1
  6. 06 de door jullie gemaakte keuzes bij een analyse van het soort onderzoek zoals in deze cursus wordt behandeld kort en bondig mondeling toelichten. 1
  7. 07 De eindopdracht bestaat uit een onderzoekscasus waarin je op basis van zelf-geformuleerde onderzoeksvragen longitudinale multilevelanalyses uitvoert en waarover je een samenvatting schrijft en een presentatie geeft. Het idee achter de eindopdracht is dat de situatie wordt nagebootst dat je als wetenschapper je onderzoek wilt presenteren op een wetenschappelijk congres. 1
  8. 08 Stappen om tot afronding van de eindopdracht te komen 1
  9. 09 1. Zoek een presentatiepartner, bijvoorbeeld via het Discussieforum. 1
  10. 10 2. Schrijf je indien nodig/mogelijk alvast in voor het tentamen door een geschikt tijdslot voor jullie presentatie te reserveren, of doe dat nadat je de opdracht hebt uitgewerkt. Zie verderop op deze pagina voor meer informatie over het reserveren van een tijdslot. 1
  11. 11 3. Bestudeer de casus en de aanwijzingen voor de eindopdracht in studietaak 6.2. 1
  12. 12 zie separaat bestand: Onderzoekscasus longitudinaal onderzoek.docx 1
  13. 13 4. Formuleer de volgende onderdelen aan de hand van de informatie over de casus: 1
  14. 14 a. Probleemstelling (aanleiding, relevantie, doel). Raadpleeg aanvullende literatuur indien nodig. 1
  15. 15 b. Een of meerdere onderzoeksvragen die aansluit(en) bij het genoemde doel in de casus en die je kunt beantwoorden met de beschikbare data. 1
  16. 16 c. Toetsbare hypotheses die aansluiten bij je onderzoeksvraag. 1
  17. 17 d. Conceptueel model dat aansluit bij de onderzoeksvraag en bij de hypotheses. 1
  18. 18 De casus beschrijft een experimenteel longitudinaal onderzoek met drie condities (positieve groepsvorming, anti-pestprogramma, controle), waarin leerlingen gedurende acht maanden zijn gevolgd om de ontwikkeling van verbondenheid met de klas te meten, en waarin gepest worden (ja/nee) als moderator wordt beschouwd. 1
  19. 19 Probleemstelling 2
  20. 20 Aanleiding 2
  21. 21 Sociale verbondenheid met klasgenoten vormt een essentiële basis voor het welzijn, de motivatie en het sociaal-emotioneel functioneren van leerlingen in het basisonderwijs. Een lage ervaren verbondenheid hangt samen met een verhoogd risico op eenzaamheid, internaliserende problematiek en blijvende moeilijkheden in sociale relaties op latere leeftijd. Pesten vormt een ernstige bedreiging voor deze verbondenheid. Leerlingen die structureel worden gepest voelen zich vaker buitengesloten en kunnen terechtkomen in een negatieve sociale ontwikkelingsspiraal. Om dit tegen te gaan worden op scholen verschillende interventies ingezet, zoals programma’s gericht op positieve groepsvorming en specifieke anti-pestprogramma’s. Hoewel deze interventies op grote schaal worden toegepast, is hun effect op de longitudinale ontwikkeling van verbondenheid nog beperkt empirisch onderbouwd, met name in vergelijking met een controleconditie zonder interventie. 2
  22. 22 Relevantie 2
  23. 23 Inzicht in de effectiviteit van deze interventies is van groot belang voor scholen en beleidsmakers, omdat nog onvoldoende bekend is: 2
  24. 24 hoe verbondenheid zich gedurende een schooljaar ontwikkelt onder verschillende interventiecondities; 2
  25. 25 of gepeste leerlingen in gelijke mate profiteren van deze interventies; 2
  26. 26 en in hoeverre interventies daadwerkelijk bijdragen aan het verbeteren van de sociale positie van kwetsbare leerlingen. Longitudinaal experimenteel onderzoek is noodzakelijk om deze ontwikkelingsprocessen betrouwbaar in kaart te brengen en om scholen te ondersteunen bij het maken van evidence-based keuzes. 2
  27. 27 Doelstelling 2
  28. 28 Het doel van dit onderzoek is om met behulp van longitudinale multilevelanalyses te onderzoeken in hoeverre de ontwikkeling van verbondenheid met de klas over de tijd verschilt tussen leerlingen in een positieve groepsvormingsinterventie, een anti-pestinterventie en een controleconditie, en of deze effecten worden gemodereerd door gepest worden aan het begin van het schooljaar. 2
  29. 29 Onderzoeksvragen – verbeterde en methodologisch strakke versie 2
  30. 30 Hypothesen 2
  31. 31 Nieuwe hypotheses: 2
  32. 32 H1 — Hoofdeffect van Tijd H1. Naarmate het schooljaar vordert (t₀–t₇), ervaren leerlingen gemiddeld een toename in verbondenheid met hun klas, onafhankelijk van interventieconditie en gepest-status. 2
  33. 33 H2 — Interventie-effect: Tijd × Interventieconditie H2. De ontwikkeling van verbondenheid over tijd verschilt tussen de interventiecondities; leerlingen in de interventiecondities laten over het schooljaar een sterkere toename in verbondenheid zien dan leerlingen in de controleconditie. Deze algemene interactiehypothese (H2) wordt verder gespecificeerd in H2a en H2b, die de richting van de verwachte verschillen tussen de condities aangeven H2a. Leerlingen in de conditie positieve groepsvorming vertonen over tijd de sterkste stijging in verbondenheid, vergeleken met zowel de anti-pestconditie als de controleconditie zonder programma. H2b. Leerlingen in de anti-pestconditie vertonen over tijd een grotere stijging in verbondenheid dan leerlingen in de controleconditie zonder programma. 2
  34. 34 H3 — Tijd × Gepest-status H3. De stijging in verbondenheid met de klas over tijd is gemiddeld minder sterk voor leerlingen die substantieel worden gepest dan voor leerlingen die niet of nauwelijks worden gepest, onafhankelijk van interventieconditie. 2
  35. 35 H4 — Drieweginteractie Tijd × Interventie × Gepest-status H4. Het effect van de interventiecondities op de ontwikkeling van verbondenheid met de klas verschilt tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen (drieweginteractie Tijd × Interventieconditie × Gepest-status). Deze algemene interactiehypothese (H4) wordt verder gespecificeerd in H4a en H4b, die de verwachte richting van de verschillen voor gepeste leerlingen verduidelijken. H4a – Anti-pestprogramma werkt minder goed voor gepeste leerlingen H4a. In de anti-pestconditie is de stijging in verbondenheid over tijd minder sterk voor leerlingen die substantieel worden gepest dan voor leerlingen die niet of nauwelijks worden gepest. H4b – Positieve groepsvorming werkt beschermend H4b. In de conditie positieve groepsvorming vertonen gepeste leerlingen over tijd een grotere toename in verbondenheid dan gepeste leerlingen in zowel de anti-pestconditie als de controleconditie. 3
  36. 36 H5 — Controlevariabelen (leeftijd en geslacht) H5. Leeftijd en geslacht van leerlingen hangen samen met het niveau en/of de ontwikkeling van verbondenheid met de klas, maar de verwachte effecten van tijd, interventieconditie en gepest-status op de ontwikkeling van verbondenheid blijven bestaan na controle voor leeftijd en geslacht. 3
  37. 37 Conceptueel Model 3
  38. 38 Onderzoeksopzet en niveaus 3
  39. 39 Het onderzoek heeft een longitudinaal multileveldesign met herhaalde metingen binnen leerlingen. De gegevens zijn hiërarchisch gestructureerd als volgt: 3
  40. 40 Niveau 1 (within-leerling): herhaalde metingen van gevoelens van verbondenheid met de klas over acht meetmomenten (t₀–t₇). 3
  41. 41 Niveau 2 (between-leerling): stabiele leerlingkenmerken en de toegewezen interventieconditie. 3
  42. 42 Dit model maakt het mogelijk om zowel veranderingen binnen leerlingen in de tijd als verschillen tussen leerlingen te analyseren. 3
  43. 43 Variabelen in het model 3
  44. 44 Afhankelijke variabele (Y) 3
  45. 45 Verbondenheid met de klas Gemeten met de Comfort-schaal van de Classroom Peer Context Questionnaire (schaalgemiddelde 1–10), op acht meetmomenten (t₀–t₇). 3
  46. 46 Onafhankelijke variabelen (X) 3
  47. 47 Tijd (within-leerling predictor) 3
  48. 48 Meetmoment: t = 0–7 3
  49. 49 Continue predictor 3
  50. 50 Gecentreerd op t₀, zodat het intercept de beginsituatie vóór de interventies weergeeft. 3
  51. 51 Interventieconditie (between-leerling predictor) 3
  52. 52 1 = Positieve groepsvorming 3
  53. 53 2 = Anti-pestprogramma 3
  54. 54 3 = Controleconditie (zonder programma; referentiecategorie via dummycodering of contrasten) 3
  55. 55 Gepest-status (between-leerling predictor) 3
  56. 56 0 = Niet of nauwelijks gepest 3
  57. 57 1 = Substantieel gepest (vastgesteld op t₀) 3
  58. 58 Controlevariabelen (covariaten, niveau 2) 3
  59. 59 Leeftijd in maanden op t₀ (LT_maanden) 3
  60. 60 Geslacht (0 = man, 1 = vrouw) 3
  61. 61 Moderatiestructuur 3
  62. 62 De moderator in het model is gepest-status. Gepest-status modereert het effect van de interventiecondities op de ontwikkeling van verbondenheid over de tijd. Dit wordt statistisch gemodelleerd via de drieweginteractie: 3
  63. 63 Tijd × Interventieconditie × Gepest-status 4
  64. 64 Daarnaast worden de onderliggende tweeweginteracties meegenomen: 4
  65. 65 Tijd × Conditie 4
  66. 66 Tijd × Gepest 4
  67. 67 Hiermee wordt getoetst of: 4
  68. 68 interventies de groei in verbondenheid beïnvloeden, 4
  69. 69 en of dit interventie-effect verschilt tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen. 4
  70. 70 Hoofdstructuur van het multilevelmodel 4
  71. 71 Random effects (toevallige effecten) 4
  72. 72 Random intercept per leerling: Leerlingen verschillen in hun beginscore op verbondenheid (t₀). 4
  73. 73 Random slope voor Tijd: Leerlingen verschillen in hun individuele groeitraject van verbondenheid over de tijd. 4
  74. 74 Deze random effecten modelleren de individuele variatie in startniveau en ontwikkeling. 4
  75. 75 Fixed effects (vaste effecten) 4
  76. 76 Het uiteindelijke model bevat ten minste de volgende vaste effecten: 4
  77. 77 Hoofdeffect Tijd 4
  78. 78 Hoofdeffect Interventieconditie 4
  79. 79 Hoofdeffect Gepest-status 4
  80. 80 Tweeweginteractie Tijd × Interventieconditie 4
  81. 81 Tweeweginteractie Tijd × Gepest-status 4
  82. 82 Drieweginteractie Tijd × Interventieconditie × Gepest-status 4
  83. 83 Covariaten: Leeftijd en Geslacht 4
  84. 84 Deze fixed effects testen gezamenlijk alle geformuleerde hypothesen. 4
  85. 85 Conceptuele toetsing van de hypothesen binnen het model 4
  86. 86 Het conceptuele model toetst de hypothesen als volgt: 4
  87. 87 1. H1 – Hoofdeffect van Tijd → Is er een gemiddelde verandering in verbondenheid over de tijd? 4
  88. 88 2. H2 – Tijd × Interventieconditie → Verschillen de groeitrajecten in verbondenheid tussen: 4
  89. 89 positieve groepsvorming, 4
  90. 90 anti-pestprogramma, 4
  91. 91 en controleconditie? 4
  92. 92 3. H3 – Tijd × Gepest-status → Ontwikkelen gepeste leerlingen zich anders in verbondenheid dan niet-gepeste leerlingen? 4
  93. 93 4. H4 – Tijd × Interventie × Gepest (moderatie) → Verschilt het effect van de interventies op de groei in verbondenheid tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen? 4
  94. 94 5. H5 – Covariaten (leeftijd en geslacht) → Blijven de effecten van tijd, interventie en gepest-status bestaan na controle voor leeftijd en geslacht? 4
  95. 95 Betekenis van dit model: 5
  96. 96 Yt0 – Yt7 = herhaalde metingen van Verbondenheid 5
  97. 97 Intercept = beginscore op verbondenheid (t₀) 5
  98. 98 Slope = verandering per tijdseenheid 5
  99. 99 Interventieconditie → Intercept = verschillen bij start 5
  100. 100 Interventieconditie → Slope = verschillen in ontwikkeling 5
  101. 101 Gepest → Slope = moderatie van groei 5
  102. 102 Leeftijd & Geslacht → Intercept/Slope = controlevariabelen 5
  103. 103 Multilevel-variant: 5
  104. 104 Legenda conceptueel model (voor figuur) 5
  105. 105 Rechte pijlen: directe (fixed) effecten 5
  106. 106 Gestippelde of gekruiste pijlen: interactie- en moderatie-effecten 5
  107. 107 Cirkel rond leerlingniveau: random intercept en random slope voor Tijd 5
  108. 108 Figuur: Conceptueel longitudinaal multilevel groeimodel van verbondenheid met de klas. Verbondenheid is gemeten op acht tijdstippen (t₀–t₇). Volle pijlen geven fixed effecten weer van Tijd, Interventieconditie, Gepest-status en de covariaten Leeftijd en Geslacht. De gestippelde pijl representeert de moderatie-effecten (Tijd × Conditie, Tijd × Gepest en Tijd × Conditie × Gepest). Op leerlingniveau zijn een random intercept en een random slope voor Tijd opgenomen. 6
  109. 109 Methoden 7
  110. 110 Onderzoeksdesign 7
  111. 111 Het onderzoek heeft een experimenteel longitudinaal design met drie interventiecondities. Leerlingen uit 24 klassen werden gedurende acht maanden gevolgd via acht meetmomenten (t₀–t₇). Klassen waren vooraf random toegewezen aan één van drie condities: (1) positieve groepsvorming, (2) anti-pestprogramma of (3) controleconditie zonder programma. Het onderzoek richtte zich op de ontwikkeling van verbondenheid met de klas over tijd en op verschillen tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen. 7
  112. 112 Deelnemers 7
  113. 113 De analyses werden uitgevoerd op een steekproef van 499 leerlingen (3.592 observaties), getrokken via de steekproefapp op basis van studentnummer 838877821. Leerlingen waren afkomstig uit 24 bovenbouwklassen van verschillende Nederlandse basisscholen. De leeftijd varieerde tussen 132–144 maanden, en 0=man, 1=vrouw. 7
  114. 114 Meetinstrumenten 7
  115. 115 Verbondenheid met de klas (afhankelijke variabele) 7
  116. 116 Verbondenheid werd gemeten met de subscale Comfort van de Classroom Peer Context Questionnaire (CPCQ). Vier items (o.a. “In deze klas hoor ik erbij”) werden beantwoord op een 10-punt Likert-schaal (1 = helemaal niet waar, 10 = helemaal waar). Per meetmoment werd een gemiddeldescore berekend. Deze score fungeerde als continue afhankelijke variabele. 7
  117. 117 Gepest worden (moderator) 7
  118. 118 Gepest worden werd gemeten op t₀ met items uit de Olweus Bully-Victim Questionnaire. Leerlingen die minimaal één pestsituatie rapporteerden met een frequentie ≥ “twee of drie keer per maand” werden gecodeerd als 1 = gepest, overige leerlingen als 0 = niet gepest. 7
  119. 119 Interventiecondities 7
  120. 120 De onafhankelijke variabele Conditie omvatte drie groepen: 7
  121. 121 1. Positieve groepsvorming 7
  122. 122 2. Anti-pestprogramma 7
  123. 123 3. Controle (referentiecategorie in contrastcodering) 7
  124. 124 Tijd 7
  125. 125 Tijd representeerde het meetmoment (0–7) en werd in de analyses gecentreerd op t₀, zodat het intercept overeenkomt met de beginsituatie van leerlingen vóór start van de interventies. 7
  126. 126 Controlevariabelen 7
  127. 127 Leeftijd (in maanden) en geslacht (0=man, 1=vrouw) werden meegenomen als additionele voorspellers om mogelijke demografische verschillen te controleren. 7
  128. 128 ✅ Procedure 8
  129. 129 Data werden verzameld via leerlingvragenlijsten die maandelijks in de klas zijn ingevuld tussen oktober (t₀, vóór invoering van de interventies) en mei (t₇). Elke leerling leverde maximaal acht observaties. De interventies werden na de herfstvakantie uitgevoerd door de groepsleerkrachten en liepen gedurende het volledige schooljaar. 8
  130. 130 Datascreening omvatte controle op: 8
  131. 131 coderingen en bereik van variabelen 8
  132. 132 missende waarden 8
  133. 133 ongeldige waarden (geen gevonden) 8
  134. 134 uitbijters op basis van z-scores 8
  135. 135 normaliteit (indicatief) en bivariate relaties 8
  136. 136 clustering (ICC ≈ .50) 8
  137. 137 Er waren geen missende waarden; uitbijters (0,14%) hadden geen significant effect op de ICC of analyses en zijn behouden. 8
  138. 138 ✅ Analyseplan 8
  139. 139 Analysestrategie 8
  140. 140 De onderzoeksvragen en hypothesen worden getoetst met behulp van lineaire multilevelmodellen (mixed models) vanwege de hiërarchische datastructuur met herhaalde metingen (meetmomenten) genest binnen leerlingen. Hiermee wordt rekening gehouden met de afhankelijkheid van observaties binnen dezelfde leerling. 8
  141. 141 De analyses worden uitgevoerd met een random intercept en random slope voor Tijd per leerling. De variabele KlasID wordt conform de opdracht buiten beschouwing gelaten. 8
  142. 142 De afhankelijke variabele is Verbondenheid met de klas (continue schaal 1–10). Alle modellen worden geschat met de restricted maximum likelihood-methode (REML) voor het bepalen van random effecten; modellen met verschillende fixed effects worden onderling vergeleken op basis van –2 log likelihood (–2LL), AIC en BIC, waarbij voor de eindtoetsing van fixed effects de maximum likelihood-methode (ML) wordt gebruikt. 8
  143. 143 Effecten worden getoetst met een significantieniveau van α = .05 (tweezijdig). 8
  144. 144 COMPACTER: modelopbouw – afgestemd H1–H5 8
  145. 145 Model 0 – Leeg model (nulmodel) 8
  146. 146 Random effects: intercept per leerling 8
  147. 147 Fixed effects: geen 8
  148. 148 Doel: vaststellen hoeveel variantie in verbondenheid zich op leerlingniveau bevindt. 8
  149. 149 De intraclass correlatie (ICC) wordt berekend om de noodzaak van multilevelanalyse te onderbouwen. 8
  150. 150 Model 1 – Tijdseffect (H1) 8
  151. 151 Random effects: intercept + slope Tijd per leerling 8
  152. 152 Fixed effects: Tijd 8
  153. 153 Doel: toetsen of verbondenheid gemiddeld toeneemt over het schooljaar. De random slope laat toe dat leerlingen verschillend groeien. 8
  154. 154 Model 2 – Hoofdeffecten Conditie en Gepest 8
  155. 155 Random effects: intercept + slope Tijd per leerling 8
  156. 156 Fixed effects: Tijd, Conditie, Gepest 8
  157. 157 Doel: toetsen of startniveau (t₀) van verbondenheid verschilt tussen condities en tussen gepeste vs. niet-gepeste leerlingen. 8
  158. 158 Model 3 – Interventie-effecten en interacties (H2, H3, H4) 8
  159. 159 Random effects: intercept + slope Tijd per leerling 8
  160. 160 Fixed effects: Tijd, Conditie, Gepest, alle twee-weg interacties, Tijd × Conditie × Gepest 8
  161. 161 Doel: toetsen van: 8
  162. 162 H2 / H2a / H2b: Tijd × Conditie – verschillen in groei tussen interventiecondities; positieve groepsvorming → sterkste stijging, anti-pest > controle. 8
  163. 163 H3: Tijd × Gepest-status – verschillen in groei tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen. 8
  164. 164 H4 / H4a / H4b: Tijd × Conditie × Gepest – interventie-effecten verschillen voor gepeste leerlingen; positieve groepsvorming beschermt gepeste leerlingen het sterkst. 8
  165. 165 Opmerking: H2, H3 en H4 gecombineerd in één model, zodat de lagere-orde effecten correct meegenomen worden bij de hogere-orde interacties. 9
  166. 166 Model 4 – Covariatenmodel (H5) 9
  167. 167 Random effects: intercept + slope Tijd per leerling 9
  168. 168 Fixed effects: alles uit Model 3 + Leeftijd + Geslacht 9
  169. 169 Doel: toetsen of de effecten van Tijd, Conditie en Gepest onafhankelijk blijven van demografische kenmerken. 9
  170. 170 Modelvergelijking 9
  171. 171 Opeenvolgende modellen worden met elkaar vergeleken met behulp van: 9
  172. 172 Likelihood-ratio-toetsen (–2LL) 9
  173. 173 Akaike Information Criterion (AIC) 9
  174. 174 Bayesian Information Criterion (BIC) 9
  175. 175 Een model wordt als beter passend beschouwd wanneer: 9
  176. 176 de –2LL significant afneemt, 9
  177. 177 en AIC/BIC lager worden. 9
  178. 178 Het eindmodel wordt geselecteerd op basis van: 9
  179. 179 statistische fit, 9
  180. 180 theoretische onderbouwing, 9
  181. 181 en consistentie met de hypothesen. 9
  182. 182 5. Gebruik de steekproefapp (zie studietaak 6.2) om een unieke steekproef van 90% uit het databestand te trekken, gebaseerd op één van jullie studentnummers. Sla het resulterende databestand op met jullie beider achternamen en het gebruikte studentnummer, bijvoorbeeld: Data_Jansen_DeVries_123456789.sav. Let op: de site bevat teksten voor een andere cursus, maar dit heeft geen invloed op het trekken van de steekproef. 9
  183. 183 6. Voer een datascreening uit. 9
  184. 184 Datascreening 9
  185. 185 Steekproef en datakwaliteit 9
  186. 186 De dataset bevat 3.592 observaties van 499 leerlingen uit 24 klassen, gemeten op maximaal acht meetmomenten (t₀–t₇). Elke combinatie van leerling en meetmoment komt maximaal één keer voor; er zijn dus geen dubbele metingen per leerling per tijdstip. Alle variabelen vallen binnen het verwachte bereik en zijn correct gecodeerd (o.a. Verbondenheid 2.99–10; Tijd 0–7; Conditie 1–3; Gepest 0–1; Leeftijd 132–144 maanden; Geslacht 0/1). 9
  187. 187 Missing data, uitbijters en uitval 9
  188. 188 Er werden geen missende waarden gevonden voor de opgenomen variabelen (0% missings); een UpSet-plot kon daardoor niet worden gegenereerd, wat de volledigheid van de dataset bevestigt. 9
  189. 189 Op basis van z-scores per meetmoment werden 5 observaties (ca. 0,14%) met |z| > 3.29 op Verbondenheid als extreme uitbijters geïdentificeerd. Een herhaling van het nulmodel (random intercept per leerling) zonder deze observaties liet slechts een minimale verandering in de ICC zien (van .496 naar .493), zodat geconcludeerd werd dat de resultaten robuust zijn voor uitbijters. De uitbijters zijn daarom in de hoofdanalyses behouden. 9
  190. 190 Het aantal beschikbare meetmomenten per leerling varieerde tussen 4 en 8; 80% van de leerlingen nam deel aan 7 of 8 metingen. Slechts 4 leerlingen (0,8%) hadden 4 meetmomenten en geen enkele leerling had minder dan 4 metingen. Het gemiddelde aantal metingen bedroeg 7,20, wat wijst op minimale uitval en voldoende longitudinale informatie voor het schatten van individuele groeitrajecten. 9
  191. 191 Verdelingen en bivariate relaties 9
  192. 192 De verdeling van Verbondenheid was over het geheel en per conditie nagenoeg normaal, met een piek rond 5–6 op een schaal van 1–10. Er waren geen duidelijke vloer- of plafondeffecten en de spreiding was vergelijkbaar tussen condities, wat wijst op ongeveer gelijke varianties. Een QQ-plot liet slechts lichte afwijkingen in de staarten zien, passend bij een acceptabele normaliteit voor gebruik in lineaire mixed models. 10
  193. 193 Een verkennende correlatieanalyse liet een zwak positieve samenhang zien tussen Tijd en Verbondenheid (r ≈ .23), wat wijst op een lichte toename van verbondenheid over de meetmomenten. Leeftijd in maanden hing nauwelijks samen met Verbondenheid (r ≈ –.03) en ook niet met Tijd (r ≈ .01). De scatterplots toonden geen aanwijzingen voor niet-lineaire patronen of sterke uitbijters, en de lage correlaties wijzen op afwezigheid van multicollineariteit tussen deze predictors. 10
  194. 194 Multilevelstructuur en tijdstrend 10
  195. 195 Een leeg random-interceptmodel, met metingen genest binnen leerlingen, liet zien dat ongeveer 50% van de variantie in Verbondenheid op leerlingniveau ligt (ICC ≈ .50). Dit duidt op substantiële clustering van observaties binnen leerlingen en rechtvaardigt het gebruik van multilevelanalyse. 10
  196. 196 Vervolgens werd getoetst of de ontwikkeling over tijd lineair of kromlijnig verloopt. Vergelijking van een lineair model (Tijd) met een model waarin een kwadratische tijdsterm (Tijd²) was toegevoegd, liet geen significante verbetering van het model zien (χ²(1) ≈ 0.46, p ≈ .50). De ontwikkeling van verbondenheid kan daarom adequaat worden beschreven met een lineaire tijdstrend. 10
  197. 197 Een model met alleen een random intercept werd vergeleken met een model met zowel random intercept als random slope voor Tijd. Het model met random slopes voor Tijd paste significant beter bij de data (χ²(2) = 417.78, p < .001), wat aangeeft dat leerlingen niet alleen verschillen in beginniveau maar ook in de mate waarin hun verbondenheid over tijd verandert. 10
  198. 198 Baselineverschillen en balans tussen groepen 10
  199. 199 Op het eerste meetmoment (t₀) werden geen significante verschillen in verbondenheid gevonden tussen de drie interventiecondities. Wel rapporteerden leerlingen die als gepest zijn gecodeerd gemiddeld een lager niveau van verbondenheid dan niet-gepeste leerlingen (ongeveer 0.6 punt verschil), zonder significante interactie tussen conditie en gepest op t₀. De condities zijn dus vergelijkbaar in startniveau van verbondenheid, terwijl gepeste leerlingen in alle condities kwetsbaarder starten. 10
  200. 200 Een chi-kwadraattoets op de verdeling van gepeste en niet-gepeste leerlingen over condities liet een klein maar significant verschil zien (χ²(2) ≈ 9.72, p ≈ .008): in de anti-pestconditie was het aandeel gepeste leerlingen iets lager (±20%) dan in de positieve-groepsvorming- en controlecondities (±25%). Dit ondersteunt de keuze om gepest-status expliciet als moderator op te nemen en interacties tussen Conditie en Gepest in de verdere modellen te modelleren. 10
  201. 201 Conclusie datascreening 10
  202. 202 Samengevat is de dataset compleet, schoon en geschikt voor longitudinale multilevelanalyses. 10
  203. 203 Er zijn geen missende waarden en geen ongeldige coderingen. 10
  204. 204 Een klein aantal uitbijters heeft geen invloed op de kernresultaten. 10
  205. 205 De verdelingen van de afhankelijke variabele zijn acceptabel normaal. 10
  206. 206 Er is substantiële clustering binnen leerlingen (ICC ≈ .50). 10
  207. 207 De ontwikkeling van verbondenheid kan als lineair worden gemodelleerd, met variatie in groeisnelheid tussen leerlingen. 10
  208. 208 De condities zijn op baseline vergelijkbaar in verbondenheid; gepeste leerlingen starten lager en zijn licht ongelijk verdeeld over condities, wat in de verdere modellering wordt meegenomen. 10
  209. 209 Deze bevindingen geven een stevige basis om de vooraf geformuleerde hypothesen met lineaire mixed models te toetsen. 10
  210. 210 Uitval analyse: 10
  211. 211 Het aantal meetmomenten per leerling varieerde van 4 tot 8 (M = 7,20), waarbij 80% van de leerlingen aan 7 of 8 metingen deelnam. De uitval was daarmee minimaal en willekeurig van aard. 10
  212. 212 Als je nog iets wilt toevoegen (optioneel) op de Data screening in R: 11
  213. 213 1. Modeldiagnostiek op het uiteindelijke multilevelmodel 11
  214. 214 performance::check_model(m_eind) om residuen vs. fitted, normaliteit, homoscedasticiteit en invloedrijke cases te laten zien. 11
  215. 215 Korte zin in je verslag dat de assumpties van normaliteit en homoscedasticiteit van de residuen indicatief zijn gecontroleerd en geen grote problemen gaven. 11
  216. 216 2. VIF/multicollineariteit voor het volledige fixed-effectmodel 11
  217. 217 Met check_collinearity(m_eind) uit performance kun je laten zien dat alle VIF < 5 blijven. 11
  218. 218 Past mooi bij “geen multicollineariteit tussen tijd, conditie, gepest en covariaten”. 11
  219. 219 3. (Optioneel) Residuen per tijdstip inspecteren 11
  220. 220 Bijvoorbeeld een plot van residuen tegen Tijd om te laten zien dat de variantie niet sterk toeneemt of afneemt over de meetmomenten. 11
  221. 221 Is extra, maar laat zien dat je kritisch naar de modelaannames hebt gekeken. 11
  222. 222 7. Toets jullie geformuleerde hypotheses met relevante analysetechnieken uit deze cursus. Gebruik daarbij een passende modelopbouw indien nodig. Voer de analyses uit met het unieke bestand dat gekoppeld is aan één van jullie studentnummers. 11
  223. 223 Modelopbouw en analysemethode 11
  224. 224 De onderzoeksvragen werden getoetst met behulp van lineaire multilevelmodellen (mixed-effects modellen), vanwege de hiërarchische structuur van de data met herhaalde metingen (meetmomenten t₀–t₇) genest binnen leerlingen. Deze analysemethode maakt het mogelijk om zowel veranderingen binnen leerlingen over de tijd als verschillen tussen leerlingen in startniveau en ontwikkeling te modelleren. 11
  225. 225 Stap 1: Nulmodel (Model 0) 11
  226. 226 De analyse startte met een nulmodel waarin uitsluitend een random intercept per leerling werd opgenomen. Dit model had als doel vast te stellen hoeveel variantie in verbondenheid met de klas zich bevindt op leerlingniveau. De intraclass correlatiecoëfficiënt (ICC) liet zien dat een substantieel deel van de variantie toe te schrijven was aan verschillen tussen leerlingen, wat de toepassing van multilevelanalyse rechtvaardigde. 11
  227. 227 Stap 2: Tijdseffect (Model 1) 11
  228. 228 In Model 1 werd tijd toegevoegd als vaste predictor om de gemiddelde verandering in verbondenheid met de klas over het schooljaar te onderzoeken. Daarnaast werd een random slope voor tijd per leerling opgenomen, zodat individuele verschillen in ontwikkelingspatronen konden worden gemodelleerd. Dit model vormde de basis voor het longitudinale groeimodel en maakte het mogelijk om te toetsen of verbondenheid gemiddeld toeneemt of afneemt over de tijd. 11
  229. 229 Stap 3: Interventie-effecten (Model 2) 11
  230. 230 In Model 2 werd interventieconditie toegevoegd als between-leerling predictor, evenals de interactie tussen tijd en interventieconditie. Hiermee werd onderzocht of de ontwikkeling van verbondenheid met de klas verschilde tussen leerlingen in de positieve groepsvormingsinterventie, de anti-pestinterventie en de controleconditie zonder programma. Door deze interactieterm toe te voegen kon worden vastgesteld of interventies invloed hadden op de groeisnelheid van verbondenheid over tijd. 11
  231. 231 Stap 4: Moderatie door gepest worden (Model 3) 11
  232. 232 In Model 3 werd gepest-status (gemeten op t₀) toegevoegd als moderator. Zowel het hoofdeffect van gepest worden, de interactie tussen tijd en gepest-status, als de drieweginteractie tussen tijd, interventieconditie en gepest-status werden opgenomen. Dit model maakte het mogelijk om te toetsen of het effect van de interventies op de ontwikkeling van verbondenheid verschilde tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen. Hiermee werd expliciet onderzocht of interventies verschillend uitpakken voor een kwetsbare subgroep leerlingen. 11
  233. 233 Stap 5: Toevoeging van controlevariabelen (Model 4) 11
  234. 234 In het laatste model werden leeftijd (in maanden) en geslacht toegevoegd als controlevariabelen. Deze stap had als doel om te onderzoeken of de gevonden effecten van tijd, interventieconditie en gepest-status onafhankelijk waren van demografische kenmerken. De kerninteracties uit het voorgaande model werden behouden, zodat kon worden beoordeeld of de interventie- en moderatie-effecten robuust bleven na controle voor leeftijd en geslacht. 11
  235. 235 Modelvergelijking 12
  236. 236 Opeenvolgende modellen werden met elkaar vergeleken op basis van −2 log-likelihood, AIC en BIC. Een significante afname in −2 log-likelihood en lagere informatiecriteria werden geïnterpreteerd als een verbetering in model fit. Alle modellen werden geschat met maximum likelihood (ML), zodat vergelijking van vaste effecten tussen geneste modellen mogelijk was. 12
  237. 237 Samenvattende rationale 12
  238. 238 De stapsgewijze modelopbouw maakte het mogelijk om: 12
  239. 239 1. eerst de noodzaak van multilevelanalyse vast te stellen, 12
  240. 240 2. vervolgens de gemiddelde ontwikkeling in verbondenheid over tijd te beschrijven, 12
  241. 241 3. daarna interventie-effecten op deze ontwikkeling te toetsen, 12
  242. 242 4. en ten slotte te onderzoeken of deze effecten verschillen voor gepeste en niet-gepeste leerlingen en robuust zijn na controle voor demografische kenmerken. 12
  243. 243 In het kort: 12
  244. 244 Vanwege de hiërarchische datastructuur met herhaalde metingen genest binnen leerlingen zijn lineaire multilevelmodellen toegepast. De analyse is stapsgewijs opgebouwd: eerst werd een nulmodel geschat om de noodzaak van multilevelanalyse vast te stellen, gevolgd door een groeimodel met tijd als predictor. Vervolgens zijn interventieconditie en de interactie tussen tijd en conditie toegevoegd om verschillen in ontwikkeling tussen condities te toetsen. In het volledige model is gepest-status opgenomen als moderator, inclusief een drieweginteractie met tijd en conditie, en zijn leeftijd en geslacht toegevoegd als controlevariabelen om de robuustheid van de bevindingen te beoordelen. 12
  245. 245 Herschreven modelopbouw – afgestemd op Jamovi-output en H1–H5 12
  246. 246 Model 0 – Leeg model (nulmodel) 12
  247. 247 Random effects: intercept per leerling 12
  248. 248 Fixed effects: geen 12
  249. 249 Doel: vaststellen hoeveel variantie in verbondenheid zich op leerlingniveau bevindt. De intraclass correlatie (ICC) wordt berekend om de noodzaak van multilevelanalyse te onderbouwen. 12
  250. 250 Model 1 – Tijdseffect (H1) 12
  251. 251 Random effects: intercept + slope Tijd per leerling 12
  252. 252 Fixed effects: Tijd 12
  253. 253 Doel: toetsen of verbondenheid gemiddeld toeneemt over het schooljaar. De random slope laat toe dat leerlingen verschillend groeien. 12
  254. 254 Model 2 – Hoofdeffecten Conditie en Gepest 12
  255. 255 Random effects: intercept + slope Tijd per leerling 12
  256. 256 Fixed effects: Tijd, Conditie, Gepest 12
  257. 257 Doel: toetsen of startniveau (t₀) van verbondenheid verschilt tussen condities en tussen gepeste vs. niet-gepeste leerlingen. 12
  258. 258 Model 3 – Interventie-effecten en interacties (H2, H3, H4) 12
  259. 259 Random effects: intercept + slope Tijd per leerling 12
  260. 260 Fixed effects: Tijd, Conditie, Gepest, alle twee-weg interacties, Tijd × Conditie × Gepest 12
  261. 261 Doel: toetsen van: 12
  262. 262 H2 / H2a / H2b: Tijd × Conditie – verschillen in groei tussen interventiecondities; positieve groepsvorming → sterkste stijging, anti-pest > controle. 12
  263. 263 H3: Tijd × Gepest-status – verschillen in groei tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen. 12
  264. 264 H4 / H4a / H4b: Tijd × Conditie × Gepest – interventie-effecten verschillen voor gepeste leerlingen; positieve groepsvorming beschermt gepeste leerlingen het sterkst. 12
  265. 265 ? Opmerking: In Jamovi zijn H2, H3 en H4 gecombineerd in één model, zodat de lagere-orde effecten correct meegenomen worden bij de hogere-orde interacties. 12
  266. 266 Model 4 – Covariatenmodel (H5) 12
  267. 267 Random effects: intercept + slope Tijd per leerling 12
  268. 268 Fixed effects: alles uit Model 3 + Leeftijd + Geslacht 12
  269. 269 Doel: toetsen of de effecten van Tijd, Conditie en Gepest onafhankelijk blijven van demografische kenmerken. 13
  270. 270 Uitleg van de aanpassing 13
  271. 271 De oorspronkelijke Word-tekst had H2, H3 en H4 als aparte modellen (3, 4, 5). 13
  272. 272 In Jamovi zitten deze interacties samen in één model (Model 3) om correcte schattingen van hogere-orde interacties te garanderen. 13
  273. 273 In de herschreven tekst behoud je de stapsgewijze structuur voor overzicht, maar leg je uit dat Model 3 meerdere hypotheses tegelijk toetst. 13
  274. 274 8. Interpreteer de resultaten die voortkomen uit de analyses en beantwoord de onderzoeksvraag. 13
  275. 275 Model 1 – Tijdseffect 13
  276. 276 (RQ1 / H1: Verandert verbondenheid over tijd?) 13
  277. 277 Wat laat het model zien? 13
  278. 278 Intercept (t₀, controleconditie, niet-gepest): b = 5.27 13
  279. 279 Effect van tijd: b = 0.097, t = 14.22 → duidelijk positief 13
  280. 280 Interpretatie 13
  281. 281 De gemiddelde verbondenheid met de klas neemt significant toe gedurende het schooljaar. Per meetmoment stijgt de verbondenheid met ongeveer 0.10 punt op de 10-puntsschaal. 13
  282. 282 Conclusie RQ1 / H1 13
  283. 283 ✅ Onderzoeksvraag 1 beantwoord ✅ H1 bevestigd 13
  284. 284 Leerlingen ervaren gemiddeld een toename in verbondenheid met de klas naarmate het schooljaar vordert, onafhankelijk van interventieconditie en gepest-status. 13
  285. 285 Interpretatie resultaten – per hypothese (spreekversie) 14
  286. 286 H1 — Hoofdeffect van Tijd 14
  287. 287 Hypothese: Verbondenheid neemt gemiddeld toe over het schooljaar. 14
  288. 288 Wat testen we? 14
  289. 289 Het vaste effect van Tijd (gecentreerd op t₀) in het groeimodel. 14
  290. 290 Wat vinden we? 14
  291. 291 B = 0.097, SE = 0.0068, t = 14.25, p < .001 14
  292. 292 In Model 1 verklaart tijd alleen ~5.6% van de variantie (R²_marginal = .056) 14
  293. 293 Hoe zeg je dit mondeling? 14
  294. 294 “Los van interventies zien we een duidelijke stijging in verbondenheid over tijd: per meetmoment neemt verbondenheid gemiddeld met ongeveer 0.10 punt toe. Dat effect is sterk en significant.” 14
  295. 295 Conclusie H1 14
  296. 296 ✅ Bevestigd 14
  297. 297 Model 1 – Tijdseffect 14
  298. 298 (RQ1 / H1: Verandert verbondenheid over tijd?) 14
  299. 299 Wat laat het model zien? 14
  300. 300 Intercept (t₀, controleconditie, niet-gepest): b = 5.27 - Dit gaat over t0, in de tekst gecentreerde tijd. Die geeft b=5.608 14
  301. 301 Effect van tijd: b = 0.097, t = 14.22 → duidelijk positief 14
  302. 302 Interpretatie 14
  303. 303 De gemiddelde verbondenheid met de klas neemt significant toe gedurende het schooljaar. 14
  304. 304 Per meetmoment stijgt de verbondenheid met ongeveer 0.10 punt op de 10-puntsschaal. 14
  305. 305 Beschrijvend zien we een lichte stijging in verbondenheid over tijd. Dit zegt nog niets over interventie-effecten, maar laat wel zien dat ontwikkeling plaatsvindt. 14
  306. 306 Conclusie RQ1 / H1 14
  307. 307 ✅ Onderzoeksvraag 1 beantwoord ✅ H1 bevestigd 14
  308. 308 Leerlingen ervaren gemiddeld een toename in verbondenheid met de klas naarmate het schooljaar vordert, onafhankelijk van interventieconditie en gepest-status. 14
  309. 309 In deze grafiek zien we de gemiddelde ontwikkeling van verbondenheid met de klas over het schooljaar. De meetmomenten zijn hier ongecentreerd weergegeven van t0 tot en met t7, zodat het verloop door de tijd intuïtief zichtbaar is. 14
  310. 310 Voor de statistische analyses is tijd wel gecentreerd, maar voor deze descriptieve visualisatie hebben we gekozen voor de oorspronkelijke meetmomenten. 15
  311. 311 (RQ2 / H2: Verschilt de ontwikkeling tussen condities?) 15
  312. 312 Deze figuur laat de door het multilevelmodel geschatte ontwikkeling van verbondenheid zien per interventieconditie. 15
  313. 313 Hoewel de x-as t0 tot t7 toont, is tijd in het model gecentreerd. Dat betekent dat deze lijnen gebaseerd zijn op een gecentreerd tijdseffect, maar hier zijn terugvertaald naar de oorspronkelijke meetmomenten voor interpretatie. We zien dat met name de positieve groepsvorming een sterkere stijging in verbondenheid laat zien. 15
  314. 314 Toets van de algemene interactie (H2) 15
  315. 315 De toevoeging van de interactie tussen tijd en interventieconditie leidde tot een significante verbetering van het model ten opzichte van het model met alleen tijd: 15
  316. 316 Δχ²(4) = 87.14, p < .001 15
  317. 317 AIC daalde van 7508.5 naar 7429.4 15
  318. 318 Dit wijst erop dat de ontwikkeling van verbondenheid over tijd significant verschilt tussen de condities, wat H2 ondersteunt 15
  319. 319 Interpretatie van de vaste effecten (hellingen) 15
  320. 320 De referentieconditie is controle (geen programma). De tijdscoëfficiënt voor deze groep is: 15
  321. 321 Controleconditie: 15
  322. 322 Tijdseffect: B = 0.023, t = 2.10 → een lichte, maar significante toename in verbondenheid over tijd. 15
  323. 323 Voor de interventiecondities komen daar extra stijgingen bovenop: 15
  324. 324 Anti-pestprogramma: 15
  325. 325 Extra tijdseffect: B = 0.086, t = 5.59 15
  326. 326 Totale helling ≈ 0.109 per meetmoment 15
  327. 327 Positieve groepsvorming: 15
  328. 328 Extra tijdseffect: B = 0.141, t = 9.02 15
  329. 329 Totale helling ≈ 0.164 per meetmoment 15
  330. 330 Dit betekent dat leerlingen in beide interventiecondities sneller toenemen in verbondenheid dan leerlingen zonder programma, en dat dit effect het sterkst is voor positieve groepsvorming 15
  331. 331 Toetsing van de subhypothesen 15
  332. 332 H2a — Positieve groepsvorming sterkste stijging 15
  333. 333 ✔ Ondersteund 15
  334. 334 De interactie Tijd × Positieve groepsvorming is: 15
  335. 335 groter dan die van anti-pest 15
  336. 336 sterk significant (t = 9.02) 15
  337. 337 Grafisch zichtbaar als de steilste groeilijn in de figuur. 15
  338. 338 Interpretatie: Programma’s die expliciet inzetten op positieve groepsprocessen versterken de natuurlijke groei in verbondenheid het meest. 15
  339. 339 H2b — Anti-pest sterker dan controle 15
  340. 340 ✔ Ondersteund 15
  341. 341 De interactie Tijd × Anti-pest is positief en significant (t = 5.59). 15
  342. 342 De groei in verbondenheid is duidelijk groter dan in de controleconditie, maar minder sterk dan bij positieve groepsvorming. 15
  343. 343 Interpretatie: Anti-pestprogramma’s dragen bij aan verbondenheid, maar lijken vooral gericht op het voorkomen van negatieve interacties, en minder op het actief versterken van groepscohesie. 15
  344. 344 Voor de analyse is tijd gecentreerd, maar voor de presentatie tonen we de meetmomenten zoals ze in de praktijk plaatsvinden. Meetmoment (t0–t7; ongecentreerd weergegeven) 16
  345. 345 Gepeste leerlingen voelen zich structureel minder verbonden met hun klas, maar ontwikkelen zich gemiddeld niet langzamer dan niet-gepeste leerlingen. De effectiviteit van interventies verschilt echter sterk: waar anti-pestprogramma’s vooral winst opleveren voor gepeste leerlingen, versterken programma’s voor positieve groepsvorming vooral de ontwikkeling van niet-gepeste leerlingen, terwijl ze voor gepeste leerlingen een beschermend effect hebben. 16
  346. 346 H2 — Tijd × Interventieconditie 16
  347. 347 Hypothese: De groei in verbondenheid verschilt tussen condities. 16
  348. 348 Wat testen we? 16
  349. 349 De interactie Tijd × Conditie (positieve groepsvorming, anti-pest, controle). 16
  350. 350 Wat vinden we? 16
  351. 351 Model met Tijd × Conditie past significant beter dan tijd-alleen: 16
  352. 352 Δχ²(4) = 87.14, p < .001 16
  353. 353 Groei t.o.v. controle: 16
  354. 354 Positieve groepsvorming: B = 0.071, SE = 0.017, t = 4.09, p < .001 16
  355. 355 Anti-pest: B = 0.158, SE = 0.017, t = 9.09, p < .001 16
  356. 356 Simple slopes (niet-gepeste leerlingen): 16
  357. 357 Controle ≈ 0.02 16
  358. 358 Positieve groepsvorming ≈ 0.095 16
  359. 359 Anti-pest ≈ 0.182 16
  360. 360 Hoe zeg je dit mondeling? 16
  361. 361 “Interventies versnellen de groei in verbondenheid. Zonder programma verandert er weinig, positieve groepsvorming helpt, en anti-pest laat gemiddeld de sterkste groei zien.” 16
  362. 362 Conclusie H2 16
  363. 363 ✅ Bevestigd 16
  364. 364 H2a: gedeeltelijk (positieve groepsvorming sterker dan controle, maar niet sterker dan anti-pest) 16
  365. 365 H2b: bevestigd 16
  366. 366 Toets van de algemene interactie (H3) 16
  367. 367 H3 stelt dat de ontwikkeling van verbondenheid over tijd verschilt tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen, onafhankelijk van interventieconditie. 16
  368. 368 In Model 3 wordt dit getoetst via de interactieterm: 16
  369. 369 Tijd × Gepest-status 16
  370. 370 Resultaat 16
  371. 371 Interactiecoëfficiënt: B = −0.003, t = −0.10 17
  372. 372 Niet significant 17
  373. 373 De toevoeging van deze interactie draagt niet zelfstandig bij aan een betere verklaring van het model. 17
  374. 374 Conclusie : ❌ Geen ondersteuning voor H3 De groeisnelheid van verbondenheid over tijd verschilt gemiddeld niet tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen, wanneer geen rekening wordt gehouden met interventieconditie. 17
  375. 375 Interpretatie van de vaste effecten 17
  376. 376 Hoewel de tijdsinteractie niet significant is, is er wél een sterk hoofdeffect van gepest-status: 17
  377. 377 Gepest (vs. niet gepest): B ≈ −0.72, t ≈ −6.6, p < .001 17
  378. 378 Interpretatie 17
  379. 379 Gepeste leerlingen rapporteren structureel een lager niveau van verbondenheid dan niet-gepeste leerlingen. 17
  380. 380 Dit verschil is stabiel over de tijd: het is een niveauverschil, geen ontwikkelingsverschil. 17
  381. 381 Samenvatting H3 17
  382. 382 Gepeste leerlingen starten en blijven gemiddeld lager in verbondenheid, maar hun ontwikkeling verloopt niet langzamer dan die van niet-gepeste leerlingen. 17
  383. 383 H3 — Tijd × Gepest-status 17
  384. 384 Hypothese: Gepeste leerlingen groeien minder sterk in verbondenheid. 17
  385. 385 Wat testen we? 17
  386. 386 De interactie Tijd × Gepest (ongeacht conditie). 17
  387. 387 Wat vinden we? 17
  388. 388 Niet significant 17
  389. 389 F(1,501) = 0.82, p = .37 17
  390. 390 Wat wél? 17
  391. 391 Gepeste leerlingen starten lager: 17
  392. 392 B = −0.72, SE = 0.11, t = −6.58, p < .001 17
  393. 393 Hoe zeg je dit mondeling? 17
  394. 394 “Gepeste leerlingen beginnen duidelijk lager in verbondenheid, maar hun gemiddelde groeisnelheid verschilt niet automatisch van die van niet-gepeste leerlingen.” 17
  395. 395 Conclusie H3 17
  396. 396 ❌ Niet bevestigd 17
  397. 397 H4 — Tijd × Interventie × Gepest-status 17
  398. 398 Toets van de algemene drieweginteractie (H4) 17
  399. 399 H4 voorspelt dat het effect van interventies op de ontwikkeling van verbondenheid verschilt tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen. 17
  400. 400 Dit wordt getoetst door Model 3 te vergelijken met Model 2: 17
  401. 401 Model 2: Tijd × Conditie 17
  402. 402 Model 3: Tijd × Conditie × Gepest 17
  403. 403 Resultaat modelvergelijking 17
  404. 404 Δχ²(6) = 131.56, p < .001 17
  405. 405 AIC daalt van 7429.4 → 7309.8 17
  406. 406 ➡️ De toevoeging van gepest-status als moderator verbetert het model significant. 17
  407. 407 Conclusie toets 17
  408. 408 ✔ H4 wordt ondersteund Het effect van interventies op verbondenheid hangt af van gepest-status. 17
  409. 409 Interpretatie van de vaste effecten (hellingen) 17
  410. 410 Referentiegroep 17
  411. 411 Niet-gepest, controleconditie 17
  412. 412 Niet-gepeste leerlingen (hellingen per conditie) 17
  413. 413 Controle: B ≈ 0.024 17
  414. 414 Anti-pest: B ≈ 0.095 17
  415. 415 Positieve groepsvorming: B ≈ 0.182 17
  416. 416 → duidelijke rangorde: positieve groepsvorming > anti-pest > controle 18
  417. 417 Gepeste leerlingen (hellingen per conditie) 18
  418. 418 Controle: B ≈ 0.021 (niet significant) 18
  419. 419 Anti-pest: B ≈ 0.148 18
  420. 420 Positieve groepsvorming: B ≈ 0.091 18
  421. 421 → hier verandert de rangorde: anti-pest > positieve groepsvorming > controle 18
  422. 422 Toetsing van de subhypothesen 18
  423. 423 H4a — Anti-pest werkt minder goed voor gepeste leerlingen 18
  424. 424 ❌ Niet ondersteund 18
  425. 425 Gepeste leerlingen in de anti-pestconditie laten juist een sterkere stijging zien dan niet-gepeste leerlingen: 18
  426. 426 Verschil in helling: B ≈ −0.053, p = .029 18
  427. 427 Anti-pestprogramma’s lijken relatief effectiever voor gepeste leerlingen dan voor niet-gepeste leerlingen. 18
  428. 428 H4b — Positieve groepsvorming werkt beschermend 18
  429. 429 ✔ Gedeeltelijk ondersteund 18
  430. 430 Gepeste leerlingen in de conditie positieve groepsvorming laten: 18
  431. 431 een significante stijging in verbondenheid zien 18
  432. 432 en een duidelijk sterkere groei dan gepeste leerlingen in de controleconditie 18
  433. 433 Wel is de stijging minder sterk dan bij niet-gepeste leerlingen in dezelfde conditie. 18
  434. 434 Positieve groepsvorming werkt beschermend, maar niet compenserend. 18
  435. 435 H4 — Tijd × Interventie × Gepest-status 19
  436. 436 Hypothese: Interventies werken verschillend voor gepeste leerlingen. 19
  437. 437 Wat testen we? 19
  438. 438 De drieweginteractie Tijd × Conditie × Gepest. 19
  439. 439 Wat vinden we? 19
  440. 440 Model met drieweginteractie past veel beter: 19
  441. 441 Δχ²(6) = 131.56, p < .001 19
  442. 442 Cruciale parameter: 19
  443. 443 Tijd × Anti-pest × Gepest: B = −0.09, SE = 0.04, t = −2.37, p = .018 19
  444. 444 Tijd × Positieve × Gepest: niet significant 19
  445. 445 Simple slopes: 19
  446. 446 Niet-gepeste leerlingen 19
  447. 447 Anti-pest ≈ 0.182 (sterkst) 19
  448. 448 Gepeste leerlingen 19
  449. 449 Positieve groepsvorming ≈ 0.148 19
  450. 450 Anti-pest ≈ 0.091 19
  451. 451 Controle ≈ 0.03 19
  452. 452 Hoe zeg je dit mondeling? 19
  453. 453 “Het anti-pestprogramma werkt vooral goed voor niet-gepeste leerlingen. Voor gepeste leerlingen is die winst duidelijk kleiner, terwijl positieve groepsvorming voor hen relatief gunstiger uitpakt.” 19
  454. 454 Conclusie H4 19
  455. 455 ✅ Bevestigd (gedeeltelijk) 19
  456. 456 H4a: bevestigd (anti-pest werkt minder goed voor gepesten) 19
  457. 457 H4b: ondersteund, maar verschil met anti-pest niet overal significant 19
  458. 458 Model 4 – Covariaten (Leeftijd & Geslacht) 19
  459. 459 Meetmoment (t0–t7; ongecentreerd weergegeven) 19
  460. 460 Visualisatie geslacht (man vs vrouw) op basis van m4 19
  461. 461 Visualisatie leeftijdseffect (continu) op basis van m4 19
  462. 462 drie “representatieve” leeftijden: laag (−1 SD), gemiddeld, hoog (+1 SD). 19
  463. 463 Tot slot hebben we gecontroleerd voor leeftijd en geslacht. 19
  464. 464 Beide variabelen blijken geen significante samenhang te hebben met verbondenheid of de ontwikkeling daarvan. 19
  465. 465 Belangrijker is dat alle eerder gevonden effecten van tijd, interventie en gepest-status overeind blijven. 19
  466. 466 Dit betekent dat onze conclusies niet verklaard worden door leeftijds- of sekseverschillen, wat de robuustheid van de resultaten versterkt. 20
  467. 467 H5 — Controlevariabelen: leeftijd en geslacht 20
  468. 468 1. Toets van H5: draagt controle voor leeftijd en geslacht bij? 20
  469. 469 H5 stelt twee dingen: 20
  470. 470 Leeftijd en/of geslacht kunnen samenhangen met verbondenheid 20
  471. 471 De effecten van tijd, interventieconditie en gepest-status blijven bestaan na controle 20
  472. 472 Dit is getoetst door Model 4 (met leeftijd en geslacht) te vergelijken met Model 3 (zonder deze covariaten). 20
  473. 473 Modelvergelijking 20
  474. 474 Δχ²(2) = 1.23, p = .54 20
  475. 475 AIC stijgt licht: 7309.8 → 7312.6 20
  476. 476 Conclusie toets 20
  477. 477 ➡️ Het toevoegen van leeftijd en geslacht verbetert het model niet significant. Deze variabelen verklaren geen extra variantie bovenop de reeds opgenomen voorspellers. 20
  478. 478 2. Interpretatie van de vaste effecten (covariaten) 20
  479. 479 Geslacht 20
  480. 480 Vrouw (vs. man): 20
  481. 481 B = −0.06, t = −1.11 20
  482. 482 Niet significant 20
  483. 483 Interpretatie: Meisjes en jongens verschillen niet betekenisvol in hun gemiddelde niveau van verbondenheid, noch in de ontwikkeling daarvan over tijd. 20
  484. 484 Wat je ziet in de figuur: De lijnen voor jongens en meisjes lopen vrijwel parallel en overlappen grotendeels. 20
  485. 485 Leeftijd 20
  486. 486 Leeftijd (in maanden): 20
  487. 487 B ≈ 0.00, t = −0.06 20
  488. 488 Niet significant 20
  489. 489 Interpretatie: Binnen deze leeftijdsrange (groep 8) hangen kleine leeftijdsverschillen niet samen met verbondenheid of de groei daarin. 20
  490. 490 Wat je ziet in de figuur: De lijnen voor verschillende leeftijdsgroepen liggen vrijwel over elkaar. 20
  491. 491 3. Cruciaal punt van H5: robuustheid van hoofd- en interactie-effecten 20
  492. 492 Hoewel leeftijd en geslacht zelf geen significante effecten laten zien, is het belangrijkste resultaat van H5 dat: 20
  493. 493 Het hoofdeffect van tijd blijft bestaan 20
  494. 494 De Tijd × Interventieconditie-interactie (H2) blijft significant 20
  495. 495 De drieweginteractie Tijd × Interventie × Gepest (H4) blijft significant 20
  496. 496 De interpretatie van H3 en H4 verandert niet 20
  497. 497 Conclusie 20
  498. 498 ➡️ De gevonden interventie- en moderatie-effecten zijn robuust ➡️ Ze zijn niet het gevolg van leeftijds- of geslachtsverschillen tussen leerlingen 20
  499. 499 H5 — Controlevariabelen (leeftijd, geslacht) 21
  500. 500 Wat testen we? 21
  501. 501 Toevoeging van leeftijd en geslacht (Model 4). 21
  502. 502 Wat vinden we? 21
  503. 503 Geen verbetering van fit: 21
  504. 504 Δχ²(4) = 2.91, p = .57 21
  505. 505 Kerninteracties blijven gelijk 21
  506. 506 R²_marginal blijft ≈ .22 21
  507. 507 Hoe zeg je dit mondeling? 21
  508. 508 “Leeftijd en geslacht verklaren weinig extra en veranderen onze conclusies niet. De interventie- en moderatie-effecten zijn robuust.” 21
  509. 509 Conclusie H5 21
  510. 510 ✅ Bevestigd 21
  511. 511 Eén zin als totaalantwoord (voor afsluitende vraag 21
  512. 512 “Verbondenheid neemt toe over tijd, interventies versnellen die groei, maar gepest worden dempt specifiek de winst van anti-pest; positieve groepsvorming lijkt voor gepeste leerlingen relatief gunstiger.” 21
  513. 513 Samenvattend antwoord op alle onderzoeksvragen: 22
  514. 514 1. Verbondenheid met de klas neemt gemiddeld toe over het schooljaar. 22
  515. 515 2. Deze toename verschilt tussen condities; beide interventies zijn effectiever dan geen programma. 22
  516. 516 3. Het effect van interventies verschilt tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen. 22
  517. 517 4. Positieve groepsvorming werkt specifiek beschermend voor gepeste leerlingen. 22
  518. 518 5. De resultaten zijn robuust na controle voor leeftijd en geslacht. 22
  519. 519 Samenvatting APA stijl: Resultaten 22
  520. 520 Beschrijvende analyse en nulmodel 22
  521. 521 De dataset bestond uit 3.592 observaties, genest binnen 499 leerlingen die gedurende acht meetmomenten (t₀–t₇) zijn gevolgd. Om te bepalen in hoeverre multilevelanalyse gerechtvaardigd was, werd eerst een nulmodel geschat met alleen een random intercept per leerling. De intraclass correlatiecoëfficiënt (ICC) bedroeg ongeveer .50, wat aangeeft dat circa de helft van de variantie in verbondenheid met de klas toe te schrijven is aan verschillen tussen leerlingen. Dit onderstreept de noodzaak van een multilevelbenadering met herhaalde metingen genest binnen leerlingen. 22
  522. 522 Tijdseffect op verbondenheid (Model 1) 22
  523. 523 In Model 1 werd tijd als vaste predictor toegevoegd, met een random intercept en random slope voor tijd per leerling. De analyse liet een significant positief hoofdeffect van tijd zien, b = 0.097, SE = 0.007, t = 14.22. Dit betekent dat gevoelens van verbondenheid met de klas gemiddeld toenamen gedurende het schooljaar. Het intercept (b = 5.27) representeert de gemiddelde verbondenheid bij aanvang van het schooljaar (t₀). 22
  524. 524 Deze bevinding ondersteunt hypothese 1 en beantwoordt onderzoeksvraag 1: leerlingen ervaren gemiddeld een toename in verbondenheid met hun klas naarmate het schooljaar vordert. 22
  525. 525 Interventie-effecten op groei in verbondenheid (Model 2) 23
  526. 526 In Model 2 werd de interactie tussen tijd en interventieconditie toegevoegd. Dit model paste aanzienlijk beter dan het tijdmodel, wat blijkt uit lagere AIC- en −2 log-likelihoodwaarden. De interacties tussen tijd en beide interventiecondities waren significant, wat erop wijst dat de ontwikkeling van verbondenheid verschilde tussen de condities. 23
  527. 527 Leerlingen in de controleconditie (geen programma) lieten een geringe toename in verbondenheid zien (b = 0.023). De toename was sterker in beide interventiecondities. In de anti-pestconditie nam verbondenheid sneller toe dan in de controleconditie (b = 0.086), en in de conditie positieve groepsvorming was de toename eveneens duidelijk sterker (b = 0.141). 23
  528. 528 Deze resultaten ondersteunen hypothese 2: de ontwikkeling van verbondenheid over tijd verschilt tussen de interventiecondities en de controleconditie. De subhypothese dat positieve groepsvorming de sterkste groei zou laten zien (H2a) werd echter niet eenduidig ondersteund, terwijl wel bevestigd werd dat beide interventies effectiever waren dan geen programma (H2b). 23
  529. 529 Moderatie door gepest worden (Model 3) 23
  530. 530 In Model 3 werd onderzocht of het effect van de interventies op de ontwikkeling van verbondenheid verschilde tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen door een drieweginteractie tussen tijd, conditie en gepest-status op te nemen. Dit model liet een duidelijke verbetering in model fit zien ten opzichte van Model 2. 23
  531. 531 Ten eerste bleek dat gepeste leerlingen bij aanvang van het schooljaar een significant lager niveau van verbondenheid rapporteerden dan niet-gepeste leerlingen, b = −0.716, SE = 0.109, t = −6.58. De interactie tussen tijd en gepest-status was echter niet significant, wat suggereert dat gepeste leerlingen gemiddeld niet anders groeien in verbondenheid dan niet-gepeste leerlingen wanneer interventieconditie buiten beschouwing wordt gelaten. Hypothese 3 werd daarmee niet ondersteund. 23
  532. 532 Wel werd een significante drieweginteractie gevonden voor tijd × positieve groepsvorming × gepest-status, b = −0.089, SE = 0.037, t = −2.37. Dit duidt erop dat het effect van positieve groepsvorming op de ontwikkeling van verbondenheid verschilt tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen. Nadere inspectie van de groeitrajecten liet zien dat gepeste leerlingen in de conditie positieve groepsvorming een relatief sterke toename in verbondenheid vertoonden, terwijl dit patroon niet werd waargenomen in de anti-pestconditie of de controleconditie. 23
  533. 533 Deze bevindingen ondersteunen hypothese 4b, waarin werd verwacht dat positieve groepsvorming een beschermend effect zou hebben voor gepeste leerlingen. Hypothese 4a, waarin werd verondersteld dat het anti-pestprogramma minder effectief zou zijn voor gepeste leerlingen, werd niet bevestigd. 23
  534. 534 Controle voor leeftijd en geslacht (Model 4) 23
  535. 535 In het laatste model werden leeftijd (in maanden) en geslacht toegevoegd als covariaten. Geen van beide variabelen had een significant effect op het niveau of de ontwikkeling van verbondenheid. Belangrijker is dat de kernbevindingen uit Model 3 behouden bleven: de interacties tussen tijd, conditie en gepest-status bleven inhoudelijk en statistisch vergelijkbaar. 23
  536. 536 Hiermee wordt hypothese 5 ondersteund en kan worden geconcludeerd dat de gevonden interventie- en moderatie-effecten robuust zijn na controle voor demografische kenmerken. 23
  537. 537 Samenvattende resultaten conclusie 23
  538. 538 Samenvattend laten de resultaten zien dat verbondenheid met de klas gedurende het schooljaar toeneemt, dat interventies deze ontwikkeling versterken ten opzichte van geen programma, en dat positieve groepsvorming een specifiek beschermend effect heeft voor leerlingen die aan het begin van het schooljaar worden gepest. Deze effecten blijven bestaan na controle voor leeftijd en geslacht. 23
  539. 539 9. Bediscussieer de bevindingen en formuleer een conclusie. 23
  540. 540 ✅ DISCUSSIE (academisch, coherent, volledig) 23
  541. 541 Interpretatie van de bevindingen 23
  542. 542 De resultaten laten zien dat gevoelens van verbondenheid bij leerlingen gedurende het schooljaar toenemen, wat consistent is met literatuur die suggereert dat meer tijd in een groep leidt tot meer stabiliteit en sociale veiligheid. Beide interventies — positieve groepsvorming en het anti-pestprogramma — versterken deze stijging, maar op verschillende manieren en voor verschillende leerlingen. 24
  543. 543 Het anti-pestprogramma blijkt vooral effectief voor leerlingen die niet gepest worden: zij laten de sterkste groei in verbondenheid zien. Voor gepeste leerlingen werkt dit programma echter minder goed, mogelijk omdat sociale uitsluiting en negatieve groepsdynamiek reeds bestaan vóórdat het programma start. Gepeste leerlingen hebben vaak minder toegang tot sociale steun en ervaren minder responsiviteit van klasgenoten, wat de effectiviteit van anti-pestprogramma’s kan beperken. 24
  544. 544 In contrast hiermee blijkt positieve groepsvorming juist gunstig voor gepeste leerlingen. Deze interventie richt zich op gezamenlijke activiteiten, samenwerking en wederzijdse steun, wat kan bijdragen aan het verbeteren van de sociale positie van kwetsbare leerlingen. Hierdoor laat deze groep een relatief sterke stijging in verbondenheid zien. 24
  545. 545 Theoretische implicaties 24
  546. 546 Deze bevindingen benadrukken dat interventies niet voor alle leerlingen dezelfde werking hebben. Programma’s die gericht zijn op algemene groepscohesie lijken beter in staat een veilige basis te creëren voor sociaal kwetsbare leerlingen, terwijl anti-pestprogramma’s eerder preventief of normaliserend werken voor leerlingen die reeds een gunstiger positie hebben. 24
  547. 547 Praktische implicaties 24
  548. 548 Voor scholen suggereert dit dat: 24
  549. 549 positieve groepsvorming essentieel is voor het ondersteunen van kinderen die gepest worden; 24
  550. 550 anti-pestprogramma’s niet voldoende zijn voor leerlingen die al sociaal geïsoleerd zijn; 24
  551. 551 een combinatie van beide programma’s mogelijk de meest effectieve strategie is om verbondenheid voor alle leerlingen te bevorderen. 24
  552. 552 Beperkingen 24
  553. 553 Gepest worden is slechts gemeten op t₀; veranderingen in pesten over tijd konden niet worden meegenomen. 24
  554. 554 Er is geen klassen- of schoolniveau opgenomen in de modellen, waardoor clustering op hogere niveaus niet is gecontroleerd. 24
  555. 555 Alle variabelen zijn gebaseerd op zelfrapportage, wat gevoelig is voor sociaal wenselijke antwoorden. 24
  556. 556 De tijdstrend werd als lineair gemodelleerd; niet-lineaire patronen kunnen theoretisch bestaan. 24
  557. 557 Aanbevelingen voor vervolgonderzoek 24
  558. 558 Longitudinaal meten van pesten (t₀–t₇) om dynamische moderatieprocessen te onderzoeken. 24
  559. 559 Multilevelmodellen uitbreiden naar drie niveaus (leerling, klas, school). 24
  560. 560 Mediatoren testen zoals inclusie, sociale steun of normpercepties. 24
  561. 561 Onderzoeken in hoeverre de timing of intensiteit van interventies de effecten beïnvloedt. 24
  562. 562 10. Schrijf een wetenschappelijke samenvatting. In studietaak 6.3 vind je hiervoor aanwijzingen. Gebruik het gegeven sjabloon en sla het bestand op met jullie beider achternamen (bijvoorbeeld, Abstract_Jansen_DeVries.docx). 24
  563. 563 11. Bereid een congrespresentatie voor over het door jullie uitgevoerde onderzoek. In studietaak 6.4 vind je hiervoor aanvullende aanwijzingen. 25
  564. 564 12. Schoon analyse-, syntax- en outputbestanden op en sla deze bestanden op met jullie beider achternamen in de naam (bijvoorbeeld, Syntax_Jansen_DeVries.sps of Analyses_Jansen_DeVries.omv). Verderop op deze pagina staan aanvullende aanwijzingen hiervoor. Jamovi : Andrea 25
  565. 565 13. Controleer je uitwerking van de eindopdracht aan de hand van de criteria in het beoordelingsformulier (zie bronnen). 25
  566. 566 14. Stuur uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan je presentatiedatum de benodigde bestanden op via de juiste instuurknop (zie 6.5 – inleveren eindopdracht). Onderaan deze pagina vind je een overzicht van de benodigde bestanden. NB Weekenden en feestdagen gelden niet als werkdagen. 25
  567. 567 15. Stuur tevens een e-mail bericht naar de twee docenten bij wie jullie de presentatie geven (neem jullie “samenvatting” op als enige bijlage; daarin staat namelijk relevante informatie voor jullie docenten). Via dit mailtje kunnen jullie de twee docenten erop attenderen dat de bestanden zijn ingeleverd in ANS. 25
  568. 568 In te leveren bestanden 25
  569. 569 Upload uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan je presentatiedatum beiden de volgende bestanden in ANS via de juiste link (zie 6.5 – inleveren eindopdracht). Deze ingeleverde bestanden worden gebruikt in de beoordeling en kunnen niet meer worden aangepast. 25
  570. 570 1. Samenvatting van jullie presentatie. Geef dit bestand de naam Abstract_achternaam1_ achternaam2. 25
  571. 571 2. Gebruikt databestand met daarin de door jullie getrokken steekproef. Dit is een bestand dat eindigt op .sav. Geef dit bestand de naam Data_ achternaam1_ achternaam2_gebruiktstudentnummer. 25
  572. 572 3. Overzicht van de analyses: 26
  573. 573 a. Voor SPSS: opgeschoonde a en bij voorkeur geannoteerde b syntax die jullie hebben gebruikt voor de analyses. Geef dit bestand de naam Syntax_ achternaam1_ achternaam2. 26
  574. 574 b. Voor jamovi: opgeschoond a en bij voorkeur geannoteerd b bestand met de analyses die jullie hebben gebruikt voor de presentatie. Dit is het bestand dat eindigt op .omv. Geef dit bestand de naam Analyses_ achternaam1_ achternaam2. 26
  575. 575 4. Opgeschoonde en bij voorkeur geannoteerde output van jullie analyses. Dit is een bestand dat eindigt op .pdf. Geef dit bestand de naam Output_ achternaam1_ achternaam2. 26
  576. 576 5. Presentatieslides die jullie zullen gebruiken. Dit is een bestand dat eindigt op .pptx. Geef dit bestand de naam Presentatie_ achternaam1_ achternaam2. 26
  577. 577 Gebruik hierbij de achternaam waarmee je staat ingeschreven in het onderwijssysteem (Brightspace en ANS). 26
  578. 578 a Met 'opgeschoond' bedoelen we dat je die analyses meestuurt die je hebt gebruikt om tot de beantwoording van je onderzoeksvragen te komen. De databewerking (aanmaak nieuwe variabelen, filters enzovoort), de datascreening en de gebruikte modellen in de modelopbouw en hypothesetoetsing moeten in de bestanden staan, zodat a) de lezer van die bestanden kan verifiëren wat je hebt gedaan en b) elk gepresenteerd getal in je presentatie reproduceerbaar is voor iemand die alleen het databestand van jullie persoonlijke steekproef heeft. Zorg dat je 'oude', niet-gebruikte analyses verwijdert. Met name bij het gebruik van SPSS is dat belangrijk om te voorkomen dat het een groot outputbestand van 100 of meer pagina’s wordt. 26
  579. 579 b Met 'geannoteerd' bedoelen we dat je analyses – waar nodig – een informatieve naam geeft. Als je bijvoorbeeld meerdere modellen toetst en een modelopbouw gebruikt, geef elk model in het bestand dan een voldoende informatieve naam of korte omschrijving (maximaal 1 regel) waardoor de lezer van je syntax-, analyse- of outputbestand weet welk model het is. Zorg in ieder geval dat je duidelijk aangeeft welk(e) model(len) je uiteindelijk presenteert in je presentatie. In SPSS kun je opmerkingen in de syntax plaatsen door een regel te beginnen met een asterisk (*) en af te sluiten met een punt. Die informatie wordt automatisch geprint in de output wanneer je de syntax runt. In jamovi kun je de namen van de analyses in het .omv-bestand aanpassen of direct onder de naam van de analyse klikken om een notitie te plaatsen. Die informatie wordt geëxporteerd naar het outputbestand. 26
  580. 580 Hoe je dit in je verslag kunt formuleren 35
  581. 581 Stappenplan 110
  582. 582 1. Centreren van tijd (zodat t₀ = intercept). 110
  583. 583 2. Model 1 schatten (H1) → controle of verbondenheid gemiddeld toeneemt. 110
  584. 584 3. Model 2 schatten (H2) → vergelijken condities over tijd (Tijd × Conditie). 110
  585. 585 4. Model 3 schatten (H3–H4) → toevoegen van gepest (Tijd × Conditie × Gepest). 110
  586. 586 5. Modelvergelijking met likelihood ratio-tests (AIC/BIC, anova). 110
  587. 587 6. Visualisatie van voorspelde trends per conditie en per gepest-status. 110
  588. 588 7. APA-rapportage van fixed effects en interpretatie. 110

Document information

Study
Uploaded on
January 25, 2026
Number of pages
126
Written in
2025/2026
Type
Case
Professor(s)
Diverse
Grade
6-7
$18.42

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
vivinnevanherel
3.6
(12)
Sold
172
Followers
2
Items
24
Last sold
1 day ago




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions