Dementie
1. Definitie
• Dementie is geen ziekte, maar een syndroom: een geheel van symptomen die vaak
optreden maar veroorzaakt worden door veel diverse oorzaken
• Meest voorkomende type/oorzaak: Alzheimer dementie
American Speech-Language-Hearing Association (ASHA,2019)
• “Dementia is a syndrome resulting from acquired brain disease. It is characterized by a progressive decline in
memory and other cognitive domains that, when severe enough, interferes with daily living and independent
functioning.”
The Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM)
• Wordt wereldwijd gebruikt door psychiaters
• Voor veel psychiaters en andere zorgverleners is het als een bijbel
• Het is de gouden standaard voor veel ziekten, ook dementie
• DSM IV
o “The term dementia implies that there is cognitive and/or behavioral impairment that significantly aKects
one's activities of daily living. However, it is an umbrella term that encompasses many diKerent etiologies,
including neurodegenerative, metabolic, vascular, and infectious diseases.”
o In de DSM IV werd nog het woord “dementie” gebruikt
o Later kwam men tot de conclusie dat die term pejoratief (minachtend) of stigmatiserend (negatief) werkte
(vooral bij jongeren die de diagnose kregen)
o Men besloot om de term te vervangen in de volgende editie à DSM 5
A. Kernsymptomen:
o Stoornissen in geheugen
§ Vooral stoornissen in het KTG (niet meer weten wat je gegeten hebt of telkens dezelfde vraag
stellen)
§ Persoon met dementie verliest vooral herinneringen van de afgelopen jaren
§ Herinneringen van jeugdjaren blijven het langst bewaard
§ Na lange tijd ook in LTG
o Stoornissen in oriëntatie (ruimte en tijd)
§ Personen met dementie kunnen van dag naar nachtritme omwisselen ànachtelijke onrust
§ Weg kwijtraken of niet meer weten hoe ze op een bepaalde plaats moeten komen (bv. niet meer
weten waar het toilet is of niet meer weten waar je woont)
§ Desoriëntatie in persoon treedt later in het dementieproces op à bekende personen of zichzelf
niet meer kennen
o Stoornissen in andere cognitieve functies
§ Taal: afasie
• Begripsproblemen, woordvindingsproblemen of benoemingsstoornis à de taal wordt
doorheen het proces armer
• In de laatste fase kan een volledige taaluitval voorkomen
§ Herkennen: agnosie
• Vermogen om personen, geluiden, voorwerpen of geuren te herkennen
• Zintuigelijke waarneming is grotendeels intact
§ Doelgericht handelen: apraxie
• Onmogelijkheid om doelgerichte complexe handelingen uit te voeren
§ Executieve functies
• Stoornissen in de uitvoering van complexe handelingen
1
, B. Andere symptomen:
o Emotionele onstabiliteit (stemmingswisselingen)
o Onrust/agitatie
o Prikkelbaar
o Agressie
o Apathie
o Asociaal gedrag/decorumverlies (ongepast gedrag)
C. Ernstige achteruitgang in het sociaal en professioneel functioneren
D. Opvallende achteruitgang in het dagelijks functioneren
• DSM 5 (meest nauwkeurige definitie)
o “Dementie” werd oKicieel vervangen door “Neurocognitieve Stoornis” (Neurocognitive Disorder, NCD)
o Onderscheid tussen Milde Neurocognitieve Stoornis (Mild NCD) en Ernstige Neurocognitieve Stoornis
(Major NCD)
o Het legt de nadruk op achterliggende neurobiologische processen die leiden tot een achteruitgang in
cognitieve functies (zoals geheugen, aandacht, taal en probleemoplossend vermogen)
o Gekende neurologische schade met een onbekende oorzaak
o Je mag het woord “dementie” wel nog gebruiken bij subtypes, zoals bv. Alzheimer
Mild Neurocognitive Disorder Major Neurocognitive Disorder
(Beperkte neurocognitieve stoornis) (Uitgebreide neurocognitieve stoornis)
= mild cognitive impairment = dementia (DSM-IV)
Stoornis in één of meerdere neurocognitieve domeinen
• Complexe aandacht
• Executieve functies
• Leren en geheugen
• Taal
• Perceptueel-motorische vaardigheden
• Sociaal-cognitief functioneren
à In Mild NCD zijn deze domeinen minder erg aangetast
Lichte cognitieve achteruitgang Ernstige cognitieve achteruitgang
De cognitieve deficiënties hebben geen impact op het De cognitieve deficiënties hebben grote impact op het
zelfstandig uitvoeren van dagelijkse handelingen, mits zelfstandig uitvoeren van dagelijkse handelingen
kleine inspanning
• Geen delier
• Geen andere mentale stoornis
Expertisecentrum Dementie Vlaanderen
• Dementie is een verzamelnaam voor een groep aandoeningen waarbij meerdere stoornissen in het cognitieve
functioneren samen optreden. Cognitieve functies zijn onder meer: het geheugen, het leervermogen, het
taalgebruik en het kunnen begrijpen en uitvoeren van complexe en dagelijkse handelingen. Doorgaans is dementie
chronisch en progressief van karakter. Geheugenverlies staat meestal op de voorgrond, maar dat is niet bij alle
vormen zo. De stemming, persoonlijkheid en het gedrag kunnen ook veranderen.
• Welke symptomen er precies optreden wordt bepaald door de aard, lokalisatie en ernst van de afwijkingen in de
hersenen. De stoornissen hangen dus af van de oorzaak van de dementie. Er zijn veel verschillende oorzaken van
dementie, maar de meest voorkomende zijn de ziekte van Alzheimer, fronto-temporale dementie, vasculaire
dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson. Er wordt pas van dementie gesproken als de stoornissen in het
denken, de stemming en het gedrag zo ernstig zijn dat iemand wordt beperkt in zijn algemeen dagelijks
functioneren.
2
, 2. Figures and facts
• Om de 4 seconden krijgt iemand ergens ter wereld dementie
• Volgens WHO is dementie prioriteit nummer 1
• 40% van de gevallen: ziekte van Alzheimer
• 202 000 mensen met dementie in België
o 122 000 in Vlaanderen
o Aantal mensen met jongdementie (< 65 jaar) varieert tussen 3 000 en 12 000
• Mensen met dementie leven gemiddeld 8 jaar met de aandoening
• 70% van de gevallen woont nog thuis
• De kans is 1/5 dat iemand in z’n leven dementie krijgt
• De kans om de aandoening te krijgen neemt sterk toe met de leeftijd
o 10% van de mensen boven 65 jaar
o 20% van de mensen boven 80 jaar
o 40% van de mensen boven 90 jaar
• Als gevolg van de vergrijzing zal het aantal gevallen met dementie verdubbeld zijn tegen 2060
3. Preventie en risicofactoren
Risicofactoren die de ziekte in de hand werken, maar die geen rechtstreekse oorzaak ervan zijn:
• Familiale belasting (grootste risicofactor)
o Erven van één van je ouders (autosomaal dominante of recessieve overerving)
§ Autosomaal dominante overerving: 1/2 kinderen
§ Autosomaal recessieve overerving: 1/4 kinderen
• Leeftijd (grootste risicofactor)
• Rookgedrag
• Eetgewoonten/overgewicht
• Blootstelling aan luchtvervuiling of toxische stoKen
• Graad van opleiding
o Minder kans om dementie te krijgen als je hoger geschoold bent
• Sociale interacties
• Hoge bloeddruk
• Depressie
• Diabetes
• …
4. Cognitieve functies
= alle processen die bij het opnemen en verwerken van informatie betrokken zijn
Om de kernsymptomen van dementie te kennen, is kennis hebben over cognitieve functies belangrijk (ook voor
mantelzorgers en zorgverleners)
• Fasie
o Taal
o Uitval: afasie
§ Anders bij Major NCD dan bij verworven taalstoornis à het probleem ligt bij het geheugen
• Praxie
o De planning van een handeling
o Uitval: apraxie
• Gnosie
o Kennen en herkennen
o De zintuiglijke waarneming is grotendeels intact: visueel, auditief, tactiel, ruimte (lichaamsbesef)
o Uitval: agnosieën (anosognosie, auditieve en visuele agnosie)
3
1. Definitie
• Dementie is geen ziekte, maar een syndroom: een geheel van symptomen die vaak
optreden maar veroorzaakt worden door veel diverse oorzaken
• Meest voorkomende type/oorzaak: Alzheimer dementie
American Speech-Language-Hearing Association (ASHA,2019)
• “Dementia is a syndrome resulting from acquired brain disease. It is characterized by a progressive decline in
memory and other cognitive domains that, when severe enough, interferes with daily living and independent
functioning.”
The Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM)
• Wordt wereldwijd gebruikt door psychiaters
• Voor veel psychiaters en andere zorgverleners is het als een bijbel
• Het is de gouden standaard voor veel ziekten, ook dementie
• DSM IV
o “The term dementia implies that there is cognitive and/or behavioral impairment that significantly aKects
one's activities of daily living. However, it is an umbrella term that encompasses many diKerent etiologies,
including neurodegenerative, metabolic, vascular, and infectious diseases.”
o In de DSM IV werd nog het woord “dementie” gebruikt
o Later kwam men tot de conclusie dat die term pejoratief (minachtend) of stigmatiserend (negatief) werkte
(vooral bij jongeren die de diagnose kregen)
o Men besloot om de term te vervangen in de volgende editie à DSM 5
A. Kernsymptomen:
o Stoornissen in geheugen
§ Vooral stoornissen in het KTG (niet meer weten wat je gegeten hebt of telkens dezelfde vraag
stellen)
§ Persoon met dementie verliest vooral herinneringen van de afgelopen jaren
§ Herinneringen van jeugdjaren blijven het langst bewaard
§ Na lange tijd ook in LTG
o Stoornissen in oriëntatie (ruimte en tijd)
§ Personen met dementie kunnen van dag naar nachtritme omwisselen ànachtelijke onrust
§ Weg kwijtraken of niet meer weten hoe ze op een bepaalde plaats moeten komen (bv. niet meer
weten waar het toilet is of niet meer weten waar je woont)
§ Desoriëntatie in persoon treedt later in het dementieproces op à bekende personen of zichzelf
niet meer kennen
o Stoornissen in andere cognitieve functies
§ Taal: afasie
• Begripsproblemen, woordvindingsproblemen of benoemingsstoornis à de taal wordt
doorheen het proces armer
• In de laatste fase kan een volledige taaluitval voorkomen
§ Herkennen: agnosie
• Vermogen om personen, geluiden, voorwerpen of geuren te herkennen
• Zintuigelijke waarneming is grotendeels intact
§ Doelgericht handelen: apraxie
• Onmogelijkheid om doelgerichte complexe handelingen uit te voeren
§ Executieve functies
• Stoornissen in de uitvoering van complexe handelingen
1
, B. Andere symptomen:
o Emotionele onstabiliteit (stemmingswisselingen)
o Onrust/agitatie
o Prikkelbaar
o Agressie
o Apathie
o Asociaal gedrag/decorumverlies (ongepast gedrag)
C. Ernstige achteruitgang in het sociaal en professioneel functioneren
D. Opvallende achteruitgang in het dagelijks functioneren
• DSM 5 (meest nauwkeurige definitie)
o “Dementie” werd oKicieel vervangen door “Neurocognitieve Stoornis” (Neurocognitive Disorder, NCD)
o Onderscheid tussen Milde Neurocognitieve Stoornis (Mild NCD) en Ernstige Neurocognitieve Stoornis
(Major NCD)
o Het legt de nadruk op achterliggende neurobiologische processen die leiden tot een achteruitgang in
cognitieve functies (zoals geheugen, aandacht, taal en probleemoplossend vermogen)
o Gekende neurologische schade met een onbekende oorzaak
o Je mag het woord “dementie” wel nog gebruiken bij subtypes, zoals bv. Alzheimer
Mild Neurocognitive Disorder Major Neurocognitive Disorder
(Beperkte neurocognitieve stoornis) (Uitgebreide neurocognitieve stoornis)
= mild cognitive impairment = dementia (DSM-IV)
Stoornis in één of meerdere neurocognitieve domeinen
• Complexe aandacht
• Executieve functies
• Leren en geheugen
• Taal
• Perceptueel-motorische vaardigheden
• Sociaal-cognitief functioneren
à In Mild NCD zijn deze domeinen minder erg aangetast
Lichte cognitieve achteruitgang Ernstige cognitieve achteruitgang
De cognitieve deficiënties hebben geen impact op het De cognitieve deficiënties hebben grote impact op het
zelfstandig uitvoeren van dagelijkse handelingen, mits zelfstandig uitvoeren van dagelijkse handelingen
kleine inspanning
• Geen delier
• Geen andere mentale stoornis
Expertisecentrum Dementie Vlaanderen
• Dementie is een verzamelnaam voor een groep aandoeningen waarbij meerdere stoornissen in het cognitieve
functioneren samen optreden. Cognitieve functies zijn onder meer: het geheugen, het leervermogen, het
taalgebruik en het kunnen begrijpen en uitvoeren van complexe en dagelijkse handelingen. Doorgaans is dementie
chronisch en progressief van karakter. Geheugenverlies staat meestal op de voorgrond, maar dat is niet bij alle
vormen zo. De stemming, persoonlijkheid en het gedrag kunnen ook veranderen.
• Welke symptomen er precies optreden wordt bepaald door de aard, lokalisatie en ernst van de afwijkingen in de
hersenen. De stoornissen hangen dus af van de oorzaak van de dementie. Er zijn veel verschillende oorzaken van
dementie, maar de meest voorkomende zijn de ziekte van Alzheimer, fronto-temporale dementie, vasculaire
dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson. Er wordt pas van dementie gesproken als de stoornissen in het
denken, de stemming en het gedrag zo ernstig zijn dat iemand wordt beperkt in zijn algemeen dagelijks
functioneren.
2
, 2. Figures and facts
• Om de 4 seconden krijgt iemand ergens ter wereld dementie
• Volgens WHO is dementie prioriteit nummer 1
• 40% van de gevallen: ziekte van Alzheimer
• 202 000 mensen met dementie in België
o 122 000 in Vlaanderen
o Aantal mensen met jongdementie (< 65 jaar) varieert tussen 3 000 en 12 000
• Mensen met dementie leven gemiddeld 8 jaar met de aandoening
• 70% van de gevallen woont nog thuis
• De kans is 1/5 dat iemand in z’n leven dementie krijgt
• De kans om de aandoening te krijgen neemt sterk toe met de leeftijd
o 10% van de mensen boven 65 jaar
o 20% van de mensen boven 80 jaar
o 40% van de mensen boven 90 jaar
• Als gevolg van de vergrijzing zal het aantal gevallen met dementie verdubbeld zijn tegen 2060
3. Preventie en risicofactoren
Risicofactoren die de ziekte in de hand werken, maar die geen rechtstreekse oorzaak ervan zijn:
• Familiale belasting (grootste risicofactor)
o Erven van één van je ouders (autosomaal dominante of recessieve overerving)
§ Autosomaal dominante overerving: 1/2 kinderen
§ Autosomaal recessieve overerving: 1/4 kinderen
• Leeftijd (grootste risicofactor)
• Rookgedrag
• Eetgewoonten/overgewicht
• Blootstelling aan luchtvervuiling of toxische stoKen
• Graad van opleiding
o Minder kans om dementie te krijgen als je hoger geschoold bent
• Sociale interacties
• Hoge bloeddruk
• Depressie
• Diabetes
• …
4. Cognitieve functies
= alle processen die bij het opnemen en verwerken van informatie betrokken zijn
Om de kernsymptomen van dementie te kennen, is kennis hebben over cognitieve functies belangrijk (ook voor
mantelzorgers en zorgverleners)
• Fasie
o Taal
o Uitval: afasie
§ Anders bij Major NCD dan bij verworven taalstoornis à het probleem ligt bij het geheugen
• Praxie
o De planning van een handeling
o Uitval: apraxie
• Gnosie
o Kennen en herkennen
o De zintuiglijke waarneming is grotendeels intact: visueel, auditief, tactiel, ruimte (lichaamsbesef)
o Uitval: agnosieën (anosognosie, auditieve en visuele agnosie)
3