Basiskennis Taalonderwijs hoofdstuk 4
4.1 Het woordgeheugen
Alle woorden die kinderen leren worden opgeslagen in het woordgeheugen of het mentaal
lexicon. Dit maakt deel uit van het langetermijngeheugen, waarin informatie permanent
opgeslagen ligt. Hoe een woord uitgesproken wordt, hoe het opgebouwd wordt, hoe je het
moet schrijven zijn voorbeelden van identiteiten van een woorden. We kennen er zeven:
1. Akoestische identiteit, de wijze waarop een woord klinkt.
2. Articulatorische identiteit, hoe je het woord moet uitspreken.
3. Fonologische identiteit, eigenlijk de akoestische en articulatorische identiteiten in
één.
4. Morfologische identiteit, de vorm van een woord en de kennis over hoe je woorden
vervormt.
5. Semantische identiteit, de betekenis van een woord en de gevoelswaarde van een
woord.
6. Syntactische identiteit, de mogelijkheden van een woord om met andere woorden
gecombineerd te worden.
7. Orthografische identiteit, de spelling van een woord.
Kinderen maken zich niet direct alle kenmerken of identiteiten van woorden eigen. Ze leren
eerst de klank van een woord, gekoppeld aan een betekenis. Bijvoorbeeld een moeder die
naar een bal wijst en het woord ondertussen uitspreekt. Dus leert een kind eerst de
fonologische identiteit en de semantische identiteit.
Je kunt de ontwikkeling van het woordgeheugen beschrijven met behulp van de drie
betekenisaspecten van woorden. Op leeftijd gesorteerd ziet dat er als volgt uit:
- Vanaf 1 jaar: kinderen leren de concrete betekenis van woorden, ze leren vooral dat
taal verwijst naar dingen om hen heen.
- Vanaf 2 jaar: kinderen leren de abstracte betekenis van woorden, zo weten ze dat
het concrete woord ‘stoel’ ook een gemeenschappelijk lijstje andere woorden heeft
als ‘rugleuning’, ‘zitvlak’. Op het moment dat kinderen dit door krijgen gaat de
woordenschat heel snel omhoog
- Vanaf 3 á 4 jaar: de nadruk op de ontwikkeling van het woordgeheugen ligt meer op
de verschillende relaties tussen woorden. Het woord stoel word gekoppeld aan
woorden als tafel, stil, zitten, meubels etc.
4.1 Het woordgeheugen
Alle woorden die kinderen leren worden opgeslagen in het woordgeheugen of het mentaal
lexicon. Dit maakt deel uit van het langetermijngeheugen, waarin informatie permanent
opgeslagen ligt. Hoe een woord uitgesproken wordt, hoe het opgebouwd wordt, hoe je het
moet schrijven zijn voorbeelden van identiteiten van een woorden. We kennen er zeven:
1. Akoestische identiteit, de wijze waarop een woord klinkt.
2. Articulatorische identiteit, hoe je het woord moet uitspreken.
3. Fonologische identiteit, eigenlijk de akoestische en articulatorische identiteiten in
één.
4. Morfologische identiteit, de vorm van een woord en de kennis over hoe je woorden
vervormt.
5. Semantische identiteit, de betekenis van een woord en de gevoelswaarde van een
woord.
6. Syntactische identiteit, de mogelijkheden van een woord om met andere woorden
gecombineerd te worden.
7. Orthografische identiteit, de spelling van een woord.
Kinderen maken zich niet direct alle kenmerken of identiteiten van woorden eigen. Ze leren
eerst de klank van een woord, gekoppeld aan een betekenis. Bijvoorbeeld een moeder die
naar een bal wijst en het woord ondertussen uitspreekt. Dus leert een kind eerst de
fonologische identiteit en de semantische identiteit.
Je kunt de ontwikkeling van het woordgeheugen beschrijven met behulp van de drie
betekenisaspecten van woorden. Op leeftijd gesorteerd ziet dat er als volgt uit:
- Vanaf 1 jaar: kinderen leren de concrete betekenis van woorden, ze leren vooral dat
taal verwijst naar dingen om hen heen.
- Vanaf 2 jaar: kinderen leren de abstracte betekenis van woorden, zo weten ze dat
het concrete woord ‘stoel’ ook een gemeenschappelijk lijstje andere woorden heeft
als ‘rugleuning’, ‘zitvlak’. Op het moment dat kinderen dit door krijgen gaat de
woordenschat heel snel omhoog
- Vanaf 3 á 4 jaar: de nadruk op de ontwikkeling van het woordgeheugen ligt meer op
de verschillende relaties tussen woorden. Het woord stoel word gekoppeld aan
woorden als tafel, stil, zitten, meubels etc.