ONTWIKKELINGS- EN
GEDRAGSSTOORNISSEN
ONTWIKKELINGSSTOORNISSEN – DSM-5
Een neurobiologische stoornis die in de (vroege) ontwikkeling tot uiting komt, die gekenmerkt
wordt door ontwikkelingsachterstanden op een of meerdere functiedomeinen en die
levenslang beperkingen veroorzaakt in het persoonlijke, sociale, schoolse of beroepsmatig
functioneren.
Neurobiologische stoornis
= stoornis met atypische hersenontwikkeling = aangeboren stoornis
Genetische aanleg, prenatale omgevingsfactoren, perinatale factoren,…
Vroege ontwikkeling tot uiting
= symptomen zijn meestal al zichtbaar op kinderleeftijd
De mate kan beïnvloed worden door omgevings- en/of kindfactoren
Ontwikkelingsachterstanden
Meerdere ontwikkelingsdomeinen = problemen met cognitie, sensomotoriek, taal en
communicatie en sociaal-emotioneel functioneren
Levenslange beperkingen
= belemmeringen aan participatie aan dagelijks maatschappelijk leven – op verschillende
terreinen
Alle mogelijke interventies kunnen de stoornis niet laten verdwijnen
Men kan een aantal copingsmechanismen aanleren
Neurobiologische stoornis impliceert = gaat niet over psychisch/ psychiatrische stoornis die op
latere leeftijd kan ontstaan of oorzaak van stress of andere omgevingsfactoren
Verstandelijke beperkingen Aandachtsdeficiëntie- en/of
Communicatiestoornissen studenten logo hyperactiviteitsstoornis
Autismespectrumstoornissen Specifieke leerstoornissen studenten logo
Motorische ontwikkelingsstoornissen (DCD)
GEDRAGSSTOORNISSEN
Oppositioneel-opstandige stoornis Normoverschrijdend-gedragsstoornis
RISICO- EN PROTECTIEVE FACTOREN VOOR ONTWIKKELINGSSTOORNIS
RISICOFACTOREN
PROTECTIEVE FACTOREN
Ontstaan
Prenataal biologisch Ontstaan
Prenatale omgevingsfactoren Prenataal biologisch
Perinatale factoren Prenatale omgevingsfactoren
Functioneren Perinatale factoren
Postnatale factoren Functioneren
Kindfactoren Postnatale factoren
Omgevingsfactoren Kindfactoren
Aanwezige aanleg versterken Omgevingsfactoren
Aanwezige aanleg afzwakken
1
Ella Van Reusel – PBA-LA MT1
, OLOD Pathologie en comorbiditeit – Comorbiditeit
VERKLARINGSMODELLEN – HET BIOPSYCHOSOCIAAL MODEL
= wisselwerking tussen biologische, psychologische en sociale factoren
ICF-model = soort biopsychosociaal model
BIO-ECOLOGISCHE SYSTEEMMODEL VAN BRONFERBRENNER = in
ontwikkelingspycho(patho)logie
Benadrukt het belang van het begrijpen van de verschillende omgevings- en sociale factoren die de
ontwikkeling van een individu beïnvloeden, evenals de interacties tussen deze factoren.
In het model staat de persoon met zijn eigen persoonlijke kenmerken in het centrum.
Vergelijken met een ui en al de schillen Hoe verder van het individu – hoe minder het individu
controle heeft op de invloed van die omgeving
Het individu = kern van de ui
Geslacht, leeftijd, gezondheid etc…
Microsysteem – relaties in microsysteem zijn wederkerig
Mesosysteem – relaties uit elementen van microsysteem
(bv. ouders en school van individu/ ouders en vrienden van individu)
Exosysteem – directe invloed op ontwikkeling individu maar individu heeft hier geen
invloed op
(bv. ouders scheiden)
Macrosysteem – maatschappij en cultuur van opvoeding
(bv. westers = unieke individu)
Tijdsysteem/ chronosysteem
Invloed van geschiedenis op leven nu (bv. uitvinding van het internet/ WOII)
Moment waarop bepaalde gebeurtenissen plaatsvinden (scheiding ouders als 2 of
15jarige)
2
Ella Van Reusel – PBA-LA MT1