Vraag 1 Wat bestudeert de embryologie?
A. De functie van volwassen organen
B. De ontwikkeling van het organisme vanaf bevruchting tot geboorte
C. Alleen genetische mutaties na de geboorte
D. De anatomie van het skelet
Vraag 2 Welke van de volgende is GEEN morfologisch verschijnsel in de embryologie?
A. Celproliferatie
B. Celmigratie
C. Fotosynthese
D. Celdifferentiatie
Vraag 3 Wat gebeurt er tijdens celproliferatie?
A. Cellen groeien zonder te delen
B. Cellen differentiëren tot gespecialiseerde types
C. Cellen delen via mitose om het aantal te verhogen
D. Cellen sterven gecontroleerd af
Vraag 4 Welke uitspraak over celmigratie is correct?
A. Cellen blijven altijd op hun plaats
B. Cellen verplaatsen zich naar een functionele eindlocatie
C. Cellen delen sneller tijdens migratie
D. Cellen verliezen hun DNA tijdens migratie
Vraag 5 Wat is een voorbeeld van celdood in de embryologie?
A. Vorming van spieren
B. Apoptose tussen vingers
C. Mitose in het epitheel
D. Groei van het skelet
Vraag 6 Wat is de correcte volgorde van de prenatale ontwikkeling?
A. Foetale fase → embryonale fase
B. Embryonale fase → foetale fase
C. Postnatale fase → embryonale fase
D. Gastrulatie → bevruchting
1
,Vraag 7 Wat kenmerkt een nestvlieder?
A. Volledig afhankelijk van ouders
B. Kan zelfstandig functioneren bij geboorte
C. Heeft geen zintuigen bij geboorte
D. Wordt geboren zonder organen
Vraag 8 Wat gebeurt er tijdens de klieving?
A. Organen vormen zich
B. Het embryo groeit sterk in grootte
C. Snelle celdelingen zonder volumetoename
D. Gameten worden gevormd
Vraag 9 Wat is een morula?
A. Een hol embryo met blastocoel
B. Een massieve klomp cellen na klieving
C. Een volwassen orgaan
D. Een kiemlaag
Vraag 10 Wat is het blastocoel?
A. De buitenlaag van het embryo
B. Een holte in de blastula
C. Een type cel
D. Een kiemlaag
Vraag 11 Wat gebeurt er tijdens gastrulatie?
A. Vorming van gameten
B. Vorming van kiembladen
C. Groei van organen
D. Bevruchting
Vraag 12 Welke structuur ontstaat uit het ectoderm?
A. Spieren
B. Huid en zenuwstelsel
C. Darmen
D. Bloedvaten
2
,Vraag 13 Wat is de functie van het mesoderm?
A. Vormt huid
B. Vormt GI-tractus
C. Vormt spieren, bot en bloedvaten
D. Vormt alleen hersenen
Vraag 14 Wat is de organogenese?
A. Vorming van gameten
B. Vorming van organen uit kiembladen
C. Celdood
D. Bevruchting
Vraag 15 Waar vindt spermaproductie plaats?
A. Epididymis
B. Testes
C. Prostaat
D. Blaas
Vraag 16 Wat is de functie van Sertoli-cellen?
A. Testosteronproductie
B. Ondersteuning en voeding van zaadcellen
C. Eicelproductie
D. Hormonale afbraak
Vraag 17 Wat is het resultaat van spermatogenese?
A. 1 eicel
B. 2 spermatocyten
C. 4 spermatiden
D. 1 spermatogonium
Vraag 18 Wat gebeurt er tijdens spermiogenese?
A. Mitose van spermatogonia
B. Vorming van diploïde cellen
C. Omvorming van spermatiden tot spermatozoa
D. Bevruchting
3
, Vraag 19 Wat bevat het acrosoom?
A. Mitochondriën
B. DNA
C. Enzymen voor penetratie van eicel
D. Hormonen
Vraag 20 Waar vindt bevruchting meestal plaats?
A. Uterus
B. Vagina
C. Eileider
D. Ovarium
Vraag 21 Wat is de functie van de zona pellucida?
A. Hormoonproductie
B. Bescherming en herkenning bij bevruchting
C. Celverdeling
D. Bloedvorming
Vraag 22 Wat gebeurt er bij de LH-piek bij vrouwen?
A. Folliculaire rust
B. Ovulatie
C. Spermaproductie
D. Apoptose van oöcyten
Vraag 23 Wat is het corpus luteum?
A. Een kiemlaag
B. Rest van de follikel na ovulatie
C. Een spermatozoa
D. Een embryonale holte
Vraag 24 Wat is het belangrijkste verschil in meiose tussen man en vrouw?
A. Mannen hebben geen meiose
B. Vrouwen hebben symmetrische deling
C. Vrouwen hebben asymmetrische deling met poollichaampjes
D. Mannen hebben meiotische stops
4