Didactiek & Pedagogiek week 1
Didactiek: gaat over de vorm van hoe je iets overbrengt
Pedagogiek: gaat over de opvoedkunde van een kind (structuur, regels etc.)
3 betekenisgebieden:
1. Motoriek
Het vermogen om te bewegen en de uitvoer van bewegen
Hoe ziet de beweging van het kind eruit?
2. Cognitie
Het vermogen om na te denken (denkvermogen / verstandelijk vermogen)
Wat weten kinderen?
3. Sociaal -emotioneel
Het gedrag van kinderen, eerlijk zijn, egocentrisme (gericht op zichzelf), moeite met
de complexe emotie van winst en verlies
Wat doen ze of wat zie je in gedrag?
Kwalitatief vs. Kwantitatief
De wijze waarop Aantallen
Stapsgewijs beschrijven welke Afstanden
Motorische beweging ze uitvoeren Pogingen
De kwaliteit van de beweging Duur (tijd)
Deliberate play en deliberate practice:
, DMSP model:
Uitleg over het DSMP Model:
3 fases
Entry in sport: kinderen beginnen met een sport
Op basis van plezier: Op basis van talent: 1. Early
Specialization:
1.Sampling Years (6-12 1.Sampling Years (6-12
- ze kiezen voor een
jaar) jaar)
sport, waar ze zich op
Spelenderwijs leren, plezier Spelenderwijs leren, plezier
blijven richtten, waar
in sport en bewegen is in sport en bewegen is
- ze later fysiek last van
belangrijk. belangrijk.
kunnen krijgen of er
Betrokken bij meerdere Betrokken bij meerdere
geen plezier meer uit
sporten sporten
halen.
Op een bredere manier Op een bredere manier
motorisch opleiden. motorisch opleiden.
Minder blessures, minder Minder blessures, minder
snel stoppen met sport. snel stoppen met sport.
2. Recrational Years 2. Specilaization Years
- je ziet sport meer om in - Veel kinderen kiezen een
beweging te blijven, fit te specifieke richting waar ze
blijven en plezier te echt goed in willen worden.
hebben. 3. Investment Years:
(16+ jaar)
-sport specifiek trainen,
, Motorische ontwikkeling
Piramidemodel van leeftijdsverandering
Reflexen en Reacties (0-4 mnd):
- grijp reflex en zuig reflex
Rudimentaire bewegingen (0-2 jaar):
- lopen en kruipen -> basisvaardigheden.
Fundamentele motorische taken (2-6 jaar):
- lopen, rennen, gooien, balanceren klimmen, vangen, springen en hinkelen.
- Fundamenteel: is wat je moet kunnen.
Vaardigheidsdrempel (+/- 6 jaar):
je moet de fundamentele motorische taken kunnen combineren.
- sommige kinderen hebben hier moeite mee.
Motorische overgangsvaardigheden/ spelen met een lage organisatiegraad (+/- 8 jaar):
- spellen/ activiteiten die relatief makkelijk zijn, weinig regels, maak ook weinig vaardigheden
vragen. Simpel een balletje overgooien naar elkaar, of simpel een tik spelletje spelen.
- vaardigheden wat een kind al kan worden gecombineerd, vloeiender en doelgericht.
Voorbereidingsspelen en sportvaardigheden (+/- 10 jaar):
- kleinere activiteiten, minder spelers, makkelijkere regels. Voorbereiden op de officiële
sport.
Officiële sport vaardigheden (+/- 12 jaar):
- duidelijke spelregels en een echte wedstrijd vorm.