Preface
H1 – Introductie
Motivatie en emotie verklaren waarom mensen doen wat ze doen.
Veel mensen denken dat zelfvertrouwen en beloningen de grootste redenen zijn voor motivatie.
Zelfvertrouwen is eerder een gevolg van een goede prestatie, dan de reden ervan.
Beloningen kunnen ervoor zorgen dat intrinsieke motivatie verdwijnt.
Motivatie moet dus (deels) veroorzaakt worden door iets anders.
Wat is motivatiewetenschap?
Motivatiewetenschap → gedragswetenschap over motivatie en emotie (empirisch bewijs).
- Het onderzoekt hoe motiverende processen werken.
- Onderzoekers stellen theorieën op om te verklaren waarom mensen bepaald gedrag vertonen.
Bij het bestuderen van een motivatie is het belangrijk om te kijken naar:
- relaties die bestaan tussen waarneembare en natuurlijke verschijnselen
- verklaring waarom de relaties bestaan.
Om deze dingen te onderzoeken, ontwikkelen onderzoekers hypothesen die voorspellen wat er moet
gebeuren als een theorie correct is.
→ De gegevens kunnen de theorie ondersteunen of de theorie niet ondersteunen.
- Als het de theorie niet ondersteunt, kan een theorie worden herzien of volledig worden
verworpen.
- Een gevalideerde en ondersteunde theorie is praktisch in verder onderzoek, maar ook in
toepassing van de theorie in de echte wereld.
Vb. Theorie: doelen gericht op persoonlijke groei verbeteren welzijn meer dan doelen gericht op
status of rijkdom.
Wat zijn de twee belangrijkste vragen in de motivatiewetenschap?
De twee belangrijkste vragen in motivatiewetenschap zijn:
‘Wat veroorzaakt gedrag?’
‘Waarom varieert gedrag in intensiteit?’
Beide vragen kunnen verder worden uitgebreid om de details van de oorzaken en de intensiteit echt
te begrijpen. Het antwoord ligt in motivatie: de interne processen die gedrag energie, richting en
volharding geven.
Motivatie is een intern psychologisch proces dat gedrag activeert, richting geeft en volhoudt,
maar het kan beïnvloed worden door externe factoren (zoals beloningen of sociale druk).
Het onderliggende antwoord op de verschillen tussen intensiteit is dat → de motivatie bij elk
individu varieert.
Waarom verschillende individuen verschillende intensiteiten en motivaties hebben, kan verklaard
worden door:
Interne motieven zoals behoeften, cognities (verwachtingen/doelen/zelfbeeld), emoties als
gevoel (arousal) en emoties als motivatietoestand (expressie).
, Externe gebeurtenissen (zoals geld of geuren) en sociale contexten (zoals opvoeding, school,
werk, cultuur) beïnvloeden onze interne motivatie. De echte bron van motivatie ligt in interne
processen, zoals dopamine-afgifte en verwachtingen, niet in de externe prikkel zelf (bv.
geld).
Invloed op de motivatie die kan worden veroorzaakt door sociale processen.
Motivatie gaat over de interne processen die bepalend zijn voor:
1. Energie van gedrag
2. Richting van gedrag
3. Persistentie (blijven doorgaan) van gedrag.
Interne factoren die motivatie/gedrag beïnvloeden (motive status):
1. Behoeften: condities binnen een individu die essentieel zijn voor levensbehoud, groei en
welzijn.
2. Cognities: mentale gebeurtenissen
- Cognitieve bronnen voor motivatie zijn: plannen en doelen, mindsets, overtuigingen en
verwachtingen, en het ‘zelf’.
3. Emoties: complexe gecoördineerde reacties op gebeurtenissen, die zich kunnen uiten in
gevoelens, opwinding, doelgerichtheid en expressie.
* Externe gebeurtenissen kunnen interne motieven beïnvloeden:
Zo zorgt een beloning voor dopamine en een verwachting van iets goeds, waardoor je iets
sneller zal doen.
Betrokkenheid (engagement): hoe actief iemand bezig is met een taak.
Gedragsbetrokkenheid → hoe actief iemand bezig is.
Emotionele betrokkenheid → de mate waarin iemand zich emotioneel verbonden en
geïnteresseerd voelt tijdens een taak (meestal positief, maar soms ook negatief als het
onderwerp belangrijk voor iemand is).
Cognitieve betrokkenheid → de mate waarin iemand strategisch bezig is.
Agentic betrokkenheid → de proactieve en constructieve toevoegingen die iemand maakt.
Je motive status kan
veranderen door bepaalde
condities, wat invloed
heeft op je gedrag, en
daarmee op je leven:
,Aspecten van gedrag die motivatie aantonen:
1. Inspanning
2. Vasthoudendheid
3. Latentie (hoelang het duurt voordat je de taak begint)
4. Keuzes
5. Waarschijnlijkheid van reactie (aantal keren dat bepaalde doelgerichte reactie wordt
uitgevoerd)
6. Gezichtsuitdrukkingen
7. Lichamelijke gebaren
Meten van motivatie en emotie
Psychofysiologie → de studie naar de interactie tussen lichamelijke en mentale toestanden.
o Hersenactiviteit: meet stijgingen en dalingen in hersenactiviteit.
o Zelfrapportage: nuttig, maar moet altijd worden ondersteund en bevestigd door het
gedrag, de betrokkenheid, psychofysiologie en hersenactiviteit.
Tien verbindende thema’s in motivatie:
Motivatie en emotie zijn goed voor adaptatie en functioneren.
Motivatie en emotie beïnvloeden je aandacht. Vaak zou je meerdere dingen kunnen doen op
hetzelfde moment, maar bepaalt je motivatie wat je daadwerkelijk gaat doen.
Motivatie en emotie zijn variabelen die tussenbeide komen.*
Negatieve stimuli zijn saillanter dan positieve stimuli, dus zal je eerder een paracetamol gaan
halen tegen je hoofdpijn dan dat je een boek gaat lezen omdat je daar zin in hebt (motieven
variëren in tijd en beïnvloeden de voortdurende stroom van gedrag).
Er zijn verschillende typen motivatie. Zowel de hoeveelheid motivatie als het type motivatie
dat je hebt hebben invloed op je succeslevel.
We zijn ons niet altijd bewust van de motiverende basis van ons gedrag.
Motivatiestudie laat zien wat mensen willen.*
Om te floreren, heeft motivatie ondersteunende omgeving en omstandigheden nodig.
Als je anderen probeert te motiveren, wat gemakkelijk is, werkt het zelden.*
Er is niets zo praktisch als een goede theorie.*
Bewustzijn van motivationale basis van gedrag (Doel 1: understand today what we didn’t
understand yesterday)
We zijn ons niet altijd bewust van de echte motieven achter ons gedrag.
Sommige motieven zijn bewust en goed uit te leggen (zoals doelen), maar andere komen uit
onbewuste delen van de hersenen en zijn moeilijker te herkennen (zoals stemming of biologische
behoeften).
, - Voorbeelden laten zien dat mensen zich vriendelijker of juist agressiever gedragen door
factoren zoals een goed humeur of warm weer, zonder dat ze dit zelf beseffen.
Kernidee:
Gedrag wordt vaak beïnvloed door onbewuste motieven, ook al denken we dat we handelen uit
logische overwegingen.
7de en 8ste editie:
In 8ste editie bepaalde doorbraak in hoogtepunt (2 doelen): nu duidelijk dat honger, appetite en
gewicht niet cognitief verbonden zijn aan goal-setting en wilskracht, maar ze zijn biologisch en
hormonaal verbonden.
→ GLP-1 hormone innemen tegen eetlust (H4).
H2 – Motivatie en Emotie in historisch perspectief
Filosofische oorsprong
Volgens Plato kwam motivatie voort uit drie geestelevels:
Appetitief niveau
Competitief niveau
Calculerend niveau
Aristoteles benoemde dit anders:
1. Voedzaam niveau → het meest impulsieve, dierlijke niveau met als prioriteit ‘in leven blijven’
2. Sensitief niveau → ook lichamelijk gerelateerd niveau, maar het reguleert hedonistisch
plezier (max.) en pijn (min.) → actie>plezier = goed; actie>pijn = slecht
3. Rationeel niveau → uniek niveau voor mensen, omdat het intellectueel is en de wil kenmerkt
Later werd dit gereduceerd tot het dualisme: de scheiding van de passies van het lichaam en de rede
van de geest.
Wil
De wil motiveert alle actie.
Descartes dacht dat de geest actieve motivatie had (de wil), en het lichaam passieve motivatie
(mechanisme om wil uit te oefenen).
Waar komt die wil dan vandaan? Wat is de motivator van de wil?
Instinct
Darwin stelde voor dat er een aangeboren instinct zou zijn, dat zowel mensen als dieren hebben.
William James stelde dat de aanwezigheid van een geschikte stimulus alles wat nodig was om een
instinct om te zetten in een impuls tot actie.
McDougall stelde instincten voor als irrationele, automatische motiverende krachten die een persoon
sturen.
Verschil James en McDougall = de bewering van McDougall stelde dat mensen zonder instinct geen
actie zouden ondernemen.