Hoofdstuk 1: neuroanatomie
Inleiding
Belang van kennen anatomie
o Localisatie letsel
o Hoe normale anatomische structuur eruit ziet om afwijkende structuur te herkennen
MRI = anatomie veel makkelijker te beoordelen —> extrapoleren kennis naar CT
o Verschil tussen witte en grijze stof ook te zien op CT
Witte stof = beetje donkerder aspect
Capsula interna wel te zien op CT
o Meer mogelijkheden om anatomie in 3D te bekijken
Sulcus centralis/Rolandische suclus = makkelijk herkenbaar op beeldvorming
Belangrijk om de grenzen te weten tussen de verschillende lobi —> verschillende kwabben
= verschillende bevloeiing
o Sulcus centralis tussen frontale en pariëtale kwab
o Sulcus laterale tussen frontale en temporale kwab
o Sulcus parieto-occipitalis tussen pariëtale en occipitale kwab
Verschillende hersengebieden = gelegen op specifieke plek
o Zone van Wernicke = laag parietaal, posterieur centraal
o Precuneus = belangrijke zone bij vroegtijdige dementie om volumeverlies aan te
tonen
Gelegen achteraan in pariëtale kwab
o Zone van broca = hoog temporaal (gyrus temporalis superior)
Specifieke hersengebieden
Taalfunctie = ingewikkelder dan enkel zone van Broca en zone van Wernicke —> we kunnen
taalgebieden testen en dan specifieke gebieden lokaliseren die behandeld moeten worden
o Als je zones wilt sparen kan je soms niet volledige tumor wegnemen —> als je
tumor wel volledig gaat wegnemen offer je bepaalde gebieden op
Hippocampus = heel kleine, maar klinisch belangrijke lokalisatie —> belangrijke locatie bij
pathologie patiënten met partiële complexe epilepsie
Corpus callosum belangrijke witte stofbaan hersenen tussen beide hersenhelften
o Kinderen = soms aangeboren stukken die ontbreken
Bv corpus callosum kan onvolledig aangelegd zijn
Hypofyse = belangrijk orgaan voor hormoonregeling hersenen
Mesencefalon = deel hersenstam
Verschillende soorten bijkomende beelden die afgeleid worden uit T1/T2 beelden maar
specifieke eigenschappen hebben (bv pathologie beter oplichten, ijzer aantonen)
o Links = sequentie dat ijzer in substantia nigra en nc. Ruber beter aantoont —> kan
gebruikt worden om pathologie te detecteren
Beoordeling specifieke structuren hersenen
, Craniale zenuwen kunnen NIET onderzocht worden via CT —> MRI om pathologie op te
sporen
Beoordelen veneus systeem kan via CT of via MRI
o Bv sinustrombose
Arteries kunnen op niet-invasieve of invasieve manier bestudeerd worden
o Digitale substranctie angio = invasief —> belangrijk indien we aan behandeling
denken
Lumbale wervelkolom = best te beoordelen op MRI (CT voor botelementen)
Hoofdstuk 2: neuroradiologische technieken
Inleiding
Verschillende neuroradiologische technieken
o RX, echografie en angiografie
o CT en MRI
CT vs MRI
CT = snelle techniek (seconden) met minder risico voor 3D beeldvorming schedel en
bloedvaten
o Nadeel = gebruik straling + nood aan jodiumhoudende contraststoffen
MRI = superieure beeldkwaliteit + multiplanaire beeldvorming + veilige contraststoffen
o Nadeel = meer risico door ferromagnetische materialen + moeilijkere monitoring +
traag (ca 20min) + claustrofobie
Spiraal-CT = belangrijk bij trauma of acute fase CVA —> soms aanvullend MRI nodig bij
overwegen chirurgische ingreep
o Onderzoek bloedvaten in acute fase (dissectie of trombose) = via CT
o We kunnen 3D beeld maken van botten via spiraal-CT
Bv kindje met craniosynostose = verbening schedelnaad —> krijgen
verbredingsingrepen
Perfusie-CT = ook gebruikt in acute fase bij patiënten met CVA —> onderscheid maken
tussen deel hersenen dat afgestorven is (= core/ischemie) en deel hersenen dat getroffen
is, maar dat nog gered kan worden (= penumbra)
o Heel belangrijk om te beslissen of therapie nog nuttig kan zijn en of er urgent iets
moet gebeuren of niet
Bv trombectomie = opheffen occlusie hersenbloedvat —> voerdraad
ingevoerd waarna klonter wordt weggehaald en perfusie wordt hersteld
NIET altijd 100% succesvol —> afhankelijk van fysiologie hersenen
dat geraakt zijn geweest en tijd tot reperfusie
Verschillende specifieke MR-technieken
o MR-angiografie = in beeld brengen arteries en venen hersenen
o MR-myelografie = minder gebruikt, maar vroeger veel gebruikt om andere meer
invasievere techniek te vervangen
Weinig bijkomende informatie vs MRI, maar herkenbaar voor
neurochirurgen dat vroeger invasievere techniek gebruikt
Je kan weerslag dat discushernia heeft op spinaal kanaal in beeld brengen
, Vaak beeld conform met beeld gewone MRI
o MR-perfusie (= frequent bij hersentumoren)
Bv 2 tumorlokalisaties waarvan men beslist om niet te opereren omdat te
groot deel hersenen zouden moeten worden weggenomen
Blijft naar therapie toe heel belangrijk om te weten welke tumor het
is (= APO)
o Keuze maken over waar je biopsie gaat nemen in meest
veilige omstandigheden, maar met zekerheid van juiste
etiologie/type tumor
o Tumorcomponent biopsiëren met hoogste perfusie
Rood = meest bevloeid —> je gaat in meest bevloeide letsel prikken
o MR-spectroscopie = informatie over metabolisme
o FMRI = arbeidsintensieve techniek dat gebruikt moet worden door iemand met
expertise —> moeilijke techniek, maar alternatieven werken niet zo goed
Nuttig voor neurochirurg om afstand te bepalen tussen tumor en
functionele cortex (bv taal, motor, sensorimotor)
o Diffusie tensor imaging (DTI) = diffusie watermoleculen in verschillende richtingen
(diffusie groter in richting van het verloop van de vezels)
Nauw verwant met fMRI —> laat toe om witte stofbanen in beeld te brengen
Watermoleculen witte stofbanen = NIET te zien of MRI hersenen
Volgen van verloop axonen die bepaalde richting volgen, wetende
dat bv corticospinale baan begint in gyrus precentralis en afdaalt tot
in ruggenmerg
o Of bv fasciculus die frontaal begint en tempero-occipitaal
eindigt
o Elke witte stofbaan = eigen kleur
Vooral gebruikt in onderzoek
o Machine learning/AI = bepalen tumorprogressie
Bv tumoren vergelijken om te kijken of ze gegroeid of gekrompen zijn bij
follow-up na therapie
Soms met blote oog te zien, soms verschil zo klein dat je AI nodig
hebt
Gebruikt om patiënten met MS op te volgen
Heel veel verschillende therapieën nodig —> belangrijk om van
therapie te veranderen als patiënt klinisch progressief is
o Belgisch systeem = neuroloog kan niet van therapie
veranderen als er geen nieuwe letsels zijn bijgekomen —>
AI kan heel snel evalueren of er nieuwe letsels zijn
Ook gebruikt voor evaluatie CVA —> Core infarct = bloedflow vaak < 30%
normale bloedflow
Tmax = weergave van welk deel hersenen at risk is
o Core zit hier ook bij
o Hoe meer penumbra, hoe meer kans op beterschap na
trombectomie