gedragen binnen de samenleving. Je leert normen, waarden, rollen, taal,
cultuur en identiteit.
2. Id: Het primitieve deel van de persoonlijkheid. Het is gericht op
impulsen, verlangens en directe behoeftebevrediging.
3. Ego: Het realistische deel van de persoonlijkheid. Het ego bemiddelt
tussen verlangens, regels en de werkelijkheid.
4. Superego: Het geweten. Hierin zitten normen, waarden en regels die
iemand leert via opvoeding en samenleving.
5. Sublimering: Een moeilijk of sociaal ongewenst gevoel wordt omgezet in
iets positiefs of acceptabels, zoals boosheid omzetten in sporten.
6. Significante anderen: Mensen die veel invloed hebben op iemands
ontwikkeling, zelfbeeld en keuzes, zoals ouders, docenten, vrienden of
hulpverleners.
7. Role-taking: Je verplaatsen in de rol of verwachting van een ander,
zodat je leert hoe jouw gedrag overkomt.
8. Gegeneraliseerde ander: Het besef van algemene normen en
verwachtingen van de samenleving of groep.
9. Etnomethodologie: Een sociologische benadering die onderzoekt hoe
mensen in dagelijkse situaties samen betekenis en orde maken.
10. Sociale constructie van de werkelijkheid: Wat mensen als normaal,
waar of vanzelfsprekend zien, ontstaat door sociale afspraken, taal, cultuur
en interactie.
, 11. Thomas-theorema: Als mensen een situatie als echt ervaren, heeft dat
echte gevolgen voor hun gedrag.
12. Totale institutie: Een instelling waar mensen langere tijd afgesloten
leven van de buitenwereld en waar bijna het hele dagelijks leven wordt
geregeld.
13. Sociale stratificatie: Een systeem waarin een samenleving mensen
rangschikt in een hiërarchie, bijvoorbeeld op basis van inkomen, opleiding
of macht.
14. Sociaaleconomische status, SES: Iemands maatschappelijke positie op
basis van opleiding, inkomen, beroep, bezit, macht en status.
15. Intergenerationele mobiliteit: Verandering van sociale positie tussen
ouders en kinderen.
16. Structurele sociale mobiliteit: Verandering van sociale positie van grote
groepen mensen door maatschappelijke ontwikkelingen, zoals
veranderingen in onderwijs of werk.
17. Genderstratificatie: Maatschappelijke ongelijkheid op basis van gender,
bijvoorbeeld verschil in inkomen, macht of zorgverantwoordelijkheid.
18. Davis-Moorethese: Een theorie die stelt dat ongelijkheid functioneel
kan zijn, omdat hogere beloningen mensen motiveren om belangrijke
posities te vervullen.
19. Reproductie van klassenstructuur: Volgens Marx worden
klassenverschillen vaak van generatie op generatie doorgegeven.
20. Pedagogische civil society, PCS: Het netwerk van ouders, burgers,
vrijwilligers, professionals en organisaties dat samen bijdraagt aan
opvoeden en opgroeien.