Inleiding
Kunsteconomie
Productie: vaak kunstenaars maar eigenlijk veel ingewikkelder
Tussenhandel: noch produceren, noch verzamelen
-> proberen op een manier deel vd winst te verkrijgen
Consumptie
Productinnovatie
‘soorten’ kunst geraken verzadigd => nood aan vernieuwing
Bv. Valkhof Nijmegen – van Goyen (1641)
Nood aan efficiëntie (snel veel kunst produceren) => simpel kleurenpaletten en
techniek
Kunstenaars niet alleen technisch en intellectueel vaardig: ook economische
handelaars
Procesinnovatie
Alles moet sneller en efficiënter gaan => procesvernieuwingen
Bv. kindermoord – Rafael & Raimondi (1510-14)
Rafael ‘bedrijfsleider’ ve atelier: hij en medewerkers maken tekeningen, Raimondi
(graveur) laat prenten maken
=> bredere/snellere verspreiding
Innovatie in handel en ‘branding’
Systeem wordt verder uitgebouwd: ontstaan van een soort uitgeverijen
Kunstenaars worden overtuigd om voor uitgevers te werken
Bv Grote vissen eten de kleine – Bruegel (1556)
Bruegel werkt voor Cock (uitgever)
Branding = werden gesigneerd als werken van Bos en in zijn stijl gemaakt (Bruegel
dan nog niet populair)
Verzamelingen
Kunst wordt verzameld => grotere vraag => kunstenaars worden zelf initiatiefnemers
(voordien werd +- alles in opdracht gemaakt)
= kunstproductie on spec: kunstenaars die zelf een ‘gokje’ wagen en iets maken wat ze
willen id hoop dat iemand het gaat willen
Bv Apelles schildert Campaspe – van Haecht (1630)
Prijsbepaling
Eerst: kunstenaar bepaalt zelf prijs adhv materialen, arbeidstijd,…
Later: prijzen schommelen naar gelang belang vd tijd
, Bv Het melkmeisje – Vermeer (1660)
In tijd zelf volledig onbekend
!! impressionisme: belang voor het dagelijkse leven en pointiïsme
=> enorme interesse en dus ook prijzen voor Vermeer
Periodisering
Antiek Griekenland
Concurrentie poleis => cultuurinvesteringen
Bv (Olympische) Spelen gingen gepaard met cultuurstrijd: tempels, beelden van de
winnaars,…
Bv Zeus in Olympia
Helemaal brons, bedekt in bladgoud
Ca 500 vC Griekse revolutie
Nieuwe technieken om brons (materiaal) te gieten
!! ‘typische Romeinse kunst’ = vaak marmeren kopieën van Griekse bronzen beelden
Inhoudelijk anders
Hellenistisch Griekenland (ca 300 vC)
323vC dood AdG => conflict tss Diadochi voor macht => kunst als middel van legitimatie dat
ze over bepaalde regio’s regeren
Periode van staatsgestuurde kunstproductie (ifv AdG of Diadochi)
Romeinse Oudheid
27 vC keizerrijk => interesse in kunst
Bv collecties van Griekse kunst
Marmer: kopieën vd Griekse bronzen beelden
Schilderkunst: opnieuw naar Grieks model (weinig bewaard)
Augustus: explosie in kunst
Kunst als
Middel voor politieke en sociale doelen
Politiek: Griekse slaven ingevoerd voor kunstproductie
Sociaal: moraal vh volk opkrikken na periode van burgeroorlogen
Persoonlijke interesse (van Aug)
Vgl Diadochi (e.g.)
!! weinig creativiteit bij de Romeinen
Wel meer types materialen gebruikt itt Grieken (bv ivoor)
Middeleeuwen
Figuratief => decoratief/illustratief (invloed kerk)
!!! ih oosten wel nog figuratief