Inleiding Constitutioneel recht
Thema 1: inleiding, machtsverdeling, democratie
Literatuur:
Handelingen kennen twee soorten:
Feitelijke handelingen
Rechtshandelingen
- Privaatrechtelijke rechtshandelingen
- Publiekrechtelijke rechtshandelingen
Overheidsbesluiten:
Eenzijdige bindende overheidsbesluiten: de gelding van het besluit is niet
afhankelijk van de instemming van degene tot wie het besluit is gericht.
Algemeen verbindend voorschrift (Avv): wetten in materiele zin
Beschikkingen: besluiten die in een bepaald geval een rechtsgevolg tot stand
brengen
Beleidsregels: besluiten die aangeven op welke wijze een orgaan zijn beleid
moet voeren
Pannen: bijvoorbeeld een bestemmingsplan
De aanvaardbaarheid van het overheidsgezag is een achterliggend vraagstuk bij dit
vak. Het gaat er hierbij om dat het volk het gezag van de overheid als legitiem,
rechtvaardig moet zijn en daarom ook geaccepteerd moet worden.
Historie
De theocratische staatsleer in de middeleeuwen: in deze theorie is de vorst de
hoogste instantie, de soeverein, omdat hij in de naam van God regeert. Het
vorst zijn was dus een natuurrecht wat mensen respecteerde
Om de macht in handen te houden gebruikte ze toen het feodale stelsel met
leenheren en leenmannen.
Door de investituurstrijd tussen de paus en de keizer konden de vorsten rond deze
tijd nog meer macht naar zich toe trekken.
Door de geloofsoorlogen rond de 16e eeuw bedachten de vorsten de oplossing dat
de vorsten voor het gebied het geloof mochten kiezen, en zo hadden ze nog meer
macht naar zich toe getrokken.
Na een tijdje gingen de vorsten alle geloven die niet het centrale geloof waren
elimineren en dit absolutisme rechtvaardigde ze door terug te grijpen naar de
theocratische leer.
,Deze centralisatie leid echter tot verzet in de steden in de Nederlanden, wat voor de
afscheiding van de Zeven Provinciën zorgde. Dit verzet werd de verzetsleer
genoemd, de vorst moet regeren bij de gratie van zijn onderdanen.
Later richtte men ‘de staat’ op in een centraal contract: ‘Daaraan staan zij een deel
van hun natuurlijke vrijheid af, opdat de staat hun het rustige en ongestoorde genot
van de dan resterende vrijheid garandeert en verzekert’.
Natuurrechtelijke contractsleer; naar de klassiek-liberale rechtsstaat:
Locke
Mensen als individuen met burgerlijke vrijheden
Mensen geven deel van natuurlijk vrijheid op aan staat in maatschappelijk
contract
Machtenscheiding
Montesquieu
‘De l’esprit des lois’
Trias politica
Rousseau
Contrat social
Volonté générale
Klassiek-liberale rechtsstaat:
Legaliteitsbeginsel: de machtsuitoefening door de staat is slechts geoorloofd
wanneer deze berust op een door de wet gegeven bevoegdheid.
Machtsverdeling (trias politica): de staat moet neutraal kunnen functioneren
dus wordt de staat verdeeld in drieën:
- wetgevende macht
- uitvoerende macht
- rechtsprekende macht
Grondrechten: ‘een constructie ten behoeve van de handhaving en
bescherming van zijn eigen en andermans vrijheid’
De vrijheid van het individu heeft bescherming nodig, dit ging door middel van
de grondwet.
Rechterlijke controle: de rol van de rechter is in de 20e eeuw aanzienlijk
vergroot.
Democratische rechtsstaat:
De burgerij was de drijvende kracht achter de staat.
Het duurde heel lang voordat er algemeen kiesrecht kwam, dit kwam doordat de
staat vooral gefocust was op het terugdringen van de rol van de koning en omdat ze
de Franse Revolutie in gedachte hadden waar de volkssoevereiniteit alleen maar
voor een bloedbad zorgde.
→ Problemen: dat beslissingen democratisch zijn betekend nog niet dat ze ook altijd
deugen. Hitler is bijvoorbeeld ook op een ‘democratische’ manier aan de macht
gekomen.
,Sociale rechtsstaat:
De overheid gaat zich meer mengen door beschermende, stimulerende en
herverdelende maatregelen te nemen.
De verzorgingsstaat: de ontplooiing van de mens staat centraal
→ Problemen: de overheidstaken nemen enorm toe in een verzorgingsstaat, waarbij
er niet altijd genoeg capaciteit is voor al deze taken. Daarbij is er niet altijd genoeg
geld om altijd te blijven helpen, bij een overheidstekort worden er namelijk vaak
bezuinigingen gedaan op bijvoorbeeld zorg en pensioenvoorzieningen.
Ook is globalisering een probleem. De groep mensen die de voorzieningen van de
verzorgingsstaat krijgt (zoals een AOW) wordt steeds moeilijker om af te bakenen
door immigratie.
Wetgeving:
Het wordt begroet als bevrijding van de banden van de traditionele
machtsaanspraken;
Het wordt gezien als het einde van willekeurig gezag van absolutistische
vorsten;
Het betekent kortweg: ‘onderworpenheid aan rechtsregels die men zelf in het
leven heeft geroepen’
Constitutie: het geheel van rechtsregels dat de grondslagen van het staatsbestel
bevat
Grondwet: een wet met hoger rechtskarakter, de belangrijkst regels van de
constitutie
Grondrechten:
‘Een grondrecht kan alleen beperkt worden als de Grondwet een beperkingsclausule
voor het desbetreffende grondrecht heeft’
Rechtmatigheid kan op twee manieren worden geïnterpreteerd:
1. De ‘enge’ interpretatie, waarin rechtmatigheid eigenlijk wetmatigheid
betekend, dus of er overeenstemming is met de wettelijke
bevoegdheidsgrondslag
2. De ‘ruime’ interpretatie, in die zin dat het emde omvat een toetsing aan
overige, ongeschreven rechtsmatigheidscriteria.
Rechtsstatelijke vereiste:
1. Legaliteitsbeginsel
Men moet vier vragen stellen om de legaliteit te zien:
Welke overheidsinstanties zijn bevoegd
Welke bevoegdheden hebben ze
Op welke wijze hebben zij hun bevoegdheden verkregen
Binnen welke grenzen dienen deze bevoegdheden gehanteerd te worden
2. Machtsverdeling
3. Grondrechten
4. Rechterlijke controle
Minimumeisen voor een democratisch openbaar bestuur:
Actief kiesrecht;
, Passief kiesrecht;
Recht om politieke macht na te streven;
Uitingsvrijheid en vrijheid van vereniging;
Openbaarheid van besluitvorming en meerderheid bij besluitvorming;
Volksvertegenwoordigers hebben invloed op besluitvorming vooraf en controle
achteraf;
Rechten van minderheden worden ook gerespecteerd.
Evenredige vertegenwoordiging (EV): een bepaald percentage van de stemmen
gelijk staat aan een percentage van de zetels
Het passieve recht: het recht om gekozen te worden, je bent niet verplicht om bij een
partij te gaan, je mag alleen de tweede kamer in, ook al is dit bijna onmogeljik.
Zelfstudievragen:
1. Wat zijn de basisprincipes van het idee van de klassiek-liberale rechtsstaat?
legaliteitsbeginsel, machtsverdeling, grondrechten, rechterlijke controle
2. Waarin onderscheidt zich de sociale rechtsstaat van de klassiek-liberale en de
democratische rechtsstaat?
Bij de sociale rechtsstaat is er een verzorgingsstaat waarbij er door middel van een
sociaal contract voor elkaar gezorgd wordt
3. Wat is een rigide grondwet? Wat is een flexibele grondwet?
Rigide: het wijzigen van deze grondwet is heel moeilijk
Flexibele: het wijzigen van deze grondwet kan met een normale
wetgevingsprocedure
4. Hoe kunt u het beginsel van de machtsverdeling in verband brengen met de
positie van de rechterlijke macht?
De rechterlijke macht staat los van de uitvoerende en wetgevende macht en bewaakt
de naleving van het recht
5. Wat zijn enkele voor- en nadelen van de verschillende kiesstelsels?
6. Wat wordt bedoeld met lijstenstelsel en personenstelsel in kiesstelsels?
bij een lijstenstelsel stem je op een partij en bij het personenstelsel stem je op een
persoon van een partij
7. Welke eisen stelt het democratieprincipe?
Actief kiesrecht;
Passief kiesrecht;
Recht om politieke macht na te streven;
Uitingsvrijheid en vrijheid van vereniging;
Openbaarheid van besluitvorming en meerderheid bij besluitvorming;
Volksvertegenwoordigers hebben invloed op besluitvorming vooraf en controle
achteraf;
Rechten van minderheden worden ook gerespecteerd.
8. Wat wordt bedoeld met actief kiesrecht? Wat wordt bedoeld met passief kiesrecht?
Thema 1: inleiding, machtsverdeling, democratie
Literatuur:
Handelingen kennen twee soorten:
Feitelijke handelingen
Rechtshandelingen
- Privaatrechtelijke rechtshandelingen
- Publiekrechtelijke rechtshandelingen
Overheidsbesluiten:
Eenzijdige bindende overheidsbesluiten: de gelding van het besluit is niet
afhankelijk van de instemming van degene tot wie het besluit is gericht.
Algemeen verbindend voorschrift (Avv): wetten in materiele zin
Beschikkingen: besluiten die in een bepaald geval een rechtsgevolg tot stand
brengen
Beleidsregels: besluiten die aangeven op welke wijze een orgaan zijn beleid
moet voeren
Pannen: bijvoorbeeld een bestemmingsplan
De aanvaardbaarheid van het overheidsgezag is een achterliggend vraagstuk bij dit
vak. Het gaat er hierbij om dat het volk het gezag van de overheid als legitiem,
rechtvaardig moet zijn en daarom ook geaccepteerd moet worden.
Historie
De theocratische staatsleer in de middeleeuwen: in deze theorie is de vorst de
hoogste instantie, de soeverein, omdat hij in de naam van God regeert. Het
vorst zijn was dus een natuurrecht wat mensen respecteerde
Om de macht in handen te houden gebruikte ze toen het feodale stelsel met
leenheren en leenmannen.
Door de investituurstrijd tussen de paus en de keizer konden de vorsten rond deze
tijd nog meer macht naar zich toe trekken.
Door de geloofsoorlogen rond de 16e eeuw bedachten de vorsten de oplossing dat
de vorsten voor het gebied het geloof mochten kiezen, en zo hadden ze nog meer
macht naar zich toe getrokken.
Na een tijdje gingen de vorsten alle geloven die niet het centrale geloof waren
elimineren en dit absolutisme rechtvaardigde ze door terug te grijpen naar de
theocratische leer.
,Deze centralisatie leid echter tot verzet in de steden in de Nederlanden, wat voor de
afscheiding van de Zeven Provinciën zorgde. Dit verzet werd de verzetsleer
genoemd, de vorst moet regeren bij de gratie van zijn onderdanen.
Later richtte men ‘de staat’ op in een centraal contract: ‘Daaraan staan zij een deel
van hun natuurlijke vrijheid af, opdat de staat hun het rustige en ongestoorde genot
van de dan resterende vrijheid garandeert en verzekert’.
Natuurrechtelijke contractsleer; naar de klassiek-liberale rechtsstaat:
Locke
Mensen als individuen met burgerlijke vrijheden
Mensen geven deel van natuurlijk vrijheid op aan staat in maatschappelijk
contract
Machtenscheiding
Montesquieu
‘De l’esprit des lois’
Trias politica
Rousseau
Contrat social
Volonté générale
Klassiek-liberale rechtsstaat:
Legaliteitsbeginsel: de machtsuitoefening door de staat is slechts geoorloofd
wanneer deze berust op een door de wet gegeven bevoegdheid.
Machtsverdeling (trias politica): de staat moet neutraal kunnen functioneren
dus wordt de staat verdeeld in drieën:
- wetgevende macht
- uitvoerende macht
- rechtsprekende macht
Grondrechten: ‘een constructie ten behoeve van de handhaving en
bescherming van zijn eigen en andermans vrijheid’
De vrijheid van het individu heeft bescherming nodig, dit ging door middel van
de grondwet.
Rechterlijke controle: de rol van de rechter is in de 20e eeuw aanzienlijk
vergroot.
Democratische rechtsstaat:
De burgerij was de drijvende kracht achter de staat.
Het duurde heel lang voordat er algemeen kiesrecht kwam, dit kwam doordat de
staat vooral gefocust was op het terugdringen van de rol van de koning en omdat ze
de Franse Revolutie in gedachte hadden waar de volkssoevereiniteit alleen maar
voor een bloedbad zorgde.
→ Problemen: dat beslissingen democratisch zijn betekend nog niet dat ze ook altijd
deugen. Hitler is bijvoorbeeld ook op een ‘democratische’ manier aan de macht
gekomen.
,Sociale rechtsstaat:
De overheid gaat zich meer mengen door beschermende, stimulerende en
herverdelende maatregelen te nemen.
De verzorgingsstaat: de ontplooiing van de mens staat centraal
→ Problemen: de overheidstaken nemen enorm toe in een verzorgingsstaat, waarbij
er niet altijd genoeg capaciteit is voor al deze taken. Daarbij is er niet altijd genoeg
geld om altijd te blijven helpen, bij een overheidstekort worden er namelijk vaak
bezuinigingen gedaan op bijvoorbeeld zorg en pensioenvoorzieningen.
Ook is globalisering een probleem. De groep mensen die de voorzieningen van de
verzorgingsstaat krijgt (zoals een AOW) wordt steeds moeilijker om af te bakenen
door immigratie.
Wetgeving:
Het wordt begroet als bevrijding van de banden van de traditionele
machtsaanspraken;
Het wordt gezien als het einde van willekeurig gezag van absolutistische
vorsten;
Het betekent kortweg: ‘onderworpenheid aan rechtsregels die men zelf in het
leven heeft geroepen’
Constitutie: het geheel van rechtsregels dat de grondslagen van het staatsbestel
bevat
Grondwet: een wet met hoger rechtskarakter, de belangrijkst regels van de
constitutie
Grondrechten:
‘Een grondrecht kan alleen beperkt worden als de Grondwet een beperkingsclausule
voor het desbetreffende grondrecht heeft’
Rechtmatigheid kan op twee manieren worden geïnterpreteerd:
1. De ‘enge’ interpretatie, waarin rechtmatigheid eigenlijk wetmatigheid
betekend, dus of er overeenstemming is met de wettelijke
bevoegdheidsgrondslag
2. De ‘ruime’ interpretatie, in die zin dat het emde omvat een toetsing aan
overige, ongeschreven rechtsmatigheidscriteria.
Rechtsstatelijke vereiste:
1. Legaliteitsbeginsel
Men moet vier vragen stellen om de legaliteit te zien:
Welke overheidsinstanties zijn bevoegd
Welke bevoegdheden hebben ze
Op welke wijze hebben zij hun bevoegdheden verkregen
Binnen welke grenzen dienen deze bevoegdheden gehanteerd te worden
2. Machtsverdeling
3. Grondrechten
4. Rechterlijke controle
Minimumeisen voor een democratisch openbaar bestuur:
Actief kiesrecht;
, Passief kiesrecht;
Recht om politieke macht na te streven;
Uitingsvrijheid en vrijheid van vereniging;
Openbaarheid van besluitvorming en meerderheid bij besluitvorming;
Volksvertegenwoordigers hebben invloed op besluitvorming vooraf en controle
achteraf;
Rechten van minderheden worden ook gerespecteerd.
Evenredige vertegenwoordiging (EV): een bepaald percentage van de stemmen
gelijk staat aan een percentage van de zetels
Het passieve recht: het recht om gekozen te worden, je bent niet verplicht om bij een
partij te gaan, je mag alleen de tweede kamer in, ook al is dit bijna onmogeljik.
Zelfstudievragen:
1. Wat zijn de basisprincipes van het idee van de klassiek-liberale rechtsstaat?
legaliteitsbeginsel, machtsverdeling, grondrechten, rechterlijke controle
2. Waarin onderscheidt zich de sociale rechtsstaat van de klassiek-liberale en de
democratische rechtsstaat?
Bij de sociale rechtsstaat is er een verzorgingsstaat waarbij er door middel van een
sociaal contract voor elkaar gezorgd wordt
3. Wat is een rigide grondwet? Wat is een flexibele grondwet?
Rigide: het wijzigen van deze grondwet is heel moeilijk
Flexibele: het wijzigen van deze grondwet kan met een normale
wetgevingsprocedure
4. Hoe kunt u het beginsel van de machtsverdeling in verband brengen met de
positie van de rechterlijke macht?
De rechterlijke macht staat los van de uitvoerende en wetgevende macht en bewaakt
de naleving van het recht
5. Wat zijn enkele voor- en nadelen van de verschillende kiesstelsels?
6. Wat wordt bedoeld met lijstenstelsel en personenstelsel in kiesstelsels?
bij een lijstenstelsel stem je op een partij en bij het personenstelsel stem je op een
persoon van een partij
7. Welke eisen stelt het democratieprincipe?
Actief kiesrecht;
Passief kiesrecht;
Recht om politieke macht na te streven;
Uitingsvrijheid en vrijheid van vereniging;
Openbaarheid van besluitvorming en meerderheid bij besluitvorming;
Volksvertegenwoordigers hebben invloed op besluitvorming vooraf en controle
achteraf;
Rechten van minderheden worden ook gerespecteerd.
8. Wat wordt bedoeld met actief kiesrecht? Wat wordt bedoeld met passief kiesrecht?