THORAX 2
Week 3 (longgeneeskunde) – Haemoptoë
NSCLC (niet kleincellig carcinoom).....................................................................................4
Epidemiologie...................................................................................................................... 4
Pathofysiologie.................................................................................................................... 4
Symptomatologie.................................................................................................................5
Lichamelijk onderzoek......................................................................................................... 5
Aanvullende diagnostiek......................................................................................................5
Behandeling & prognose.....................................................................................................6
SCLC (kleincellig carcinoom)...............................................................................................8
Epidemiologie...................................................................................................................... 8
Pathofysiologie.................................................................................................................... 8
Symptomatologie.................................................................................................................8
Lichamelijk onderzoek......................................................................................................... 8
Aanvullende diagnostiek......................................................................................................8
Behandeling & prognose.....................................................................................................9
TNM-classificatie longcarcinoom......................................................................................10
Longmetastases..................................................................................................................11
Differentiaal diagnostiek....................................................................................................11
Mesothelioom...................................................................................................................... 12
Risicofactoren.................................................................................................................... 13
Symptomatologie............................................................................................................... 13
Diagnostiek........................................................................................................................ 13
Behandeling (kort)............................................................................................................. 14
Prognose........................................................................................................................... 14
Pleuravocht (transsudaat/exsudaat)..................................................................................14
Differentiaal diagnostiek....................................................................................................15
Longembolie........................................................................................................................ 17
Epidemiologie.................................................................................................................... 17
Pathofysiologie.................................................................................................................. 17
Symptomatologie............................................................................................................... 18
Lichamelijk onderzoek.......................................................................................................18
Aanvullende diagnostiek....................................................................................................19
Behandeling & prognose...................................................................................................19
Uitwerking papieren casus.................................................................................................20
,Longcarcinomen worden van elkaar onderscheiden o.b.v. histologie. De patholoog bepaalt of
een longcarcinoom kleincellig of niet kleincellig is. Dit heeft consequenties voor de prognose
en behandeling.
Kleincellig longcarcinoom (SCLC) 20% Niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) 80%
A Een SCLC is bijzonder agressief en bij Een NSCLC kan worden opgedeeld in
e
de 1 klinische presentatie is de tumor plaveiselcel-, adeno-, adenosquameus en
vaak al gemetastaseerd. De tumor grootcellig carcinoom
wordt gekenmerkt door snel delende
kleine cellen met weinig cytoplasma,
weinig of geen nucleoli en een granulair
chromatinepatroon
E Incidentie 10:100.000 per jaar Incidentie 45-55:100.000 per jaar
S Hoesten, dyspnoe, thoracale pijn, hemoptoë (++)
Sputumproductie
Afhankelijk van lokalisatie: heesheid, stridor, bronchitis/pneumonie, dysfagie,
neuralgieën, syndroom van Horner
R Roken, tabaksgebruik
Radioactiviteit
Genetisch
Hoge leeftijd
Eerdere longaandoeningen (COPD of TBC)
Beroepsblootstelling aan arseen, asbest, radon, chloormethylether, chroom,
mosterdgas
O Fijnstofophoping in longen (roken, Fijnstofophoping in longen (roken,
beroepsgerelateerd) beroepsgerelateerd)
Voornamelijk bij adenocarcinomen
bestaat een relatie met een mutatie in de
epidermale groeifactorreceptor (EGFR)
of in het KRAS-eiwit
D Auscultatie hart en longen, palpatie supraclaviculaire klieren en lever
X-thorax, CT-thorax + CT-abdomen, bronchoscopie met cytologie + histologie
evt. FDG-ET
B 1e keus: chirurgische resectie
(meestal niet meer mogelijk)
Chemotherapie (cisplatine-
etoposidecombinatie)
Radiotherapie (altijd profylactisch
hersenbestraling, bij beperkte ziekte
ook thoracaal)
P Varieert: 5-jaarsoverleving in stadium I Varieert: 5-jaarsoverleving stadium I 49%,
31%, stadium II 2% stadium IV 1%
Op histologische basis kunnen de carcinomen in vier groepen worden ingedeeld:
1) Planocellulair carcinoom (35%)
2) Adenocarcinoom 20%
3) Grootcellig bronchuscarcinoom (20%)
4) Kleincellig bronchuscarcinoom (25%)
De longen kunnen worden beschouwd als stille organen. Daardoor zijn longtumoren in het
begin van de levenscyclus in de meest gevallen symptoomloos aanwezig. Oplettendheid is
geboden bij personen die roken en COPD hebben en vervolgens een te lang bestaande
verkoudheid hebben of een van de volgende alarmsymptomen:
Week 3 (longgeneeskunde) – Haemoptoë Page 2 of 27
, 1) Veranderd hoestpatroon, continu hoesten, of bij COPD-patiënten een duidelijke
verandering van het hoestpatroon.
2) Hemoptoë. Vaak een van de 1e symptomen van longcarcinoom.
3) Verandering van bestaande kortademigheidsklachten. Soms een partiële afsluiting op
afstand te horen als een stridor (inspiratoir) of met behulp van een stethoscoop al een
wheeze of opgeheven ademgeruis bij LO.
4) Klachten van recidiverende luchtweginfecties of het ontstaan van een obstructie
pneumonie op basis van afwijkingen in de grote luchtwegen
5) Moeheid en/of vermagering: fors afvallen in korte tijd kan een teken van
metastasering zijn
6) Pijn als gevolg van doorgroei of metastasering
7) Gedragsveranderingen door cerebrale metastasen
Wanneer een tumor doorgroeit in de omliggende structuren ontstaan de volgende klachten:
1) Als een tumor doorgroeit in de pleura ontstaan in vrijwel alle gevallen pijn op de borst.
Dit is het sulcus-superior-syndroom (pancoasttumor), waarbij de tumor door de
longtop heen groeit met aantasting van ribben, plexus brachialis of grensstreng.
Naast pijn kan het ook zorgen voor neurologische verschijnselen in de arm of het
syndroom van Horner (miosis, ptosis)
2) Doorgroei in nervus phrenicus kan worden voor kortademigheid, met als gevolg ook
eenzijdige verlamming van het diafragma. Op een thoraxfoto is dan hoogstand van
een diafragmakoepel te zien.
3) Doorgroei in slokdarm leidt tot passagestoornissen
4) Vena-cava-superior-syndroom. Hierdoor kan stuwing in hals en hoofd ontstaan.
5) Heesheid als gevolg van longkanker berust meestal op doorgroei in de linker nervus
recurrens op basis van een tumor in de linker longhilus.
Behandeling
Kleincelli Beperkte ziekte (1 thoraxhelft) Intensieve chemo- en radiotherapie,
g waaronder profylactische
schedelbestraling
Uitgebreide ziekte Chemotherapie, profylactische
schedelbestraling
Niet- Stadium I A/B (T1-2N0M0) Resectie
kleincellig Stadium II A/B (T1-2N1M0/T3N0M0) Resectie + adjuvante chemotherapie
Stadium III A/B (T1-3N2M0/T1- Gelijktijdige chemoradiatie
4N3M0)
Stadium IV (TxNxM1) Chemotherapie
Week 3 (longgeneeskunde) – Haemoptoë Page 3 of 27
Week 3 (longgeneeskunde) – Haemoptoë
NSCLC (niet kleincellig carcinoom).....................................................................................4
Epidemiologie...................................................................................................................... 4
Pathofysiologie.................................................................................................................... 4
Symptomatologie.................................................................................................................5
Lichamelijk onderzoek......................................................................................................... 5
Aanvullende diagnostiek......................................................................................................5
Behandeling & prognose.....................................................................................................6
SCLC (kleincellig carcinoom)...............................................................................................8
Epidemiologie...................................................................................................................... 8
Pathofysiologie.................................................................................................................... 8
Symptomatologie.................................................................................................................8
Lichamelijk onderzoek......................................................................................................... 8
Aanvullende diagnostiek......................................................................................................8
Behandeling & prognose.....................................................................................................9
TNM-classificatie longcarcinoom......................................................................................10
Longmetastases..................................................................................................................11
Differentiaal diagnostiek....................................................................................................11
Mesothelioom...................................................................................................................... 12
Risicofactoren.................................................................................................................... 13
Symptomatologie............................................................................................................... 13
Diagnostiek........................................................................................................................ 13
Behandeling (kort)............................................................................................................. 14
Prognose........................................................................................................................... 14
Pleuravocht (transsudaat/exsudaat)..................................................................................14
Differentiaal diagnostiek....................................................................................................15
Longembolie........................................................................................................................ 17
Epidemiologie.................................................................................................................... 17
Pathofysiologie.................................................................................................................. 17
Symptomatologie............................................................................................................... 18
Lichamelijk onderzoek.......................................................................................................18
Aanvullende diagnostiek....................................................................................................19
Behandeling & prognose...................................................................................................19
Uitwerking papieren casus.................................................................................................20
,Longcarcinomen worden van elkaar onderscheiden o.b.v. histologie. De patholoog bepaalt of
een longcarcinoom kleincellig of niet kleincellig is. Dit heeft consequenties voor de prognose
en behandeling.
Kleincellig longcarcinoom (SCLC) 20% Niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) 80%
A Een SCLC is bijzonder agressief en bij Een NSCLC kan worden opgedeeld in
e
de 1 klinische presentatie is de tumor plaveiselcel-, adeno-, adenosquameus en
vaak al gemetastaseerd. De tumor grootcellig carcinoom
wordt gekenmerkt door snel delende
kleine cellen met weinig cytoplasma,
weinig of geen nucleoli en een granulair
chromatinepatroon
E Incidentie 10:100.000 per jaar Incidentie 45-55:100.000 per jaar
S Hoesten, dyspnoe, thoracale pijn, hemoptoë (++)
Sputumproductie
Afhankelijk van lokalisatie: heesheid, stridor, bronchitis/pneumonie, dysfagie,
neuralgieën, syndroom van Horner
R Roken, tabaksgebruik
Radioactiviteit
Genetisch
Hoge leeftijd
Eerdere longaandoeningen (COPD of TBC)
Beroepsblootstelling aan arseen, asbest, radon, chloormethylether, chroom,
mosterdgas
O Fijnstofophoping in longen (roken, Fijnstofophoping in longen (roken,
beroepsgerelateerd) beroepsgerelateerd)
Voornamelijk bij adenocarcinomen
bestaat een relatie met een mutatie in de
epidermale groeifactorreceptor (EGFR)
of in het KRAS-eiwit
D Auscultatie hart en longen, palpatie supraclaviculaire klieren en lever
X-thorax, CT-thorax + CT-abdomen, bronchoscopie met cytologie + histologie
evt. FDG-ET
B 1e keus: chirurgische resectie
(meestal niet meer mogelijk)
Chemotherapie (cisplatine-
etoposidecombinatie)
Radiotherapie (altijd profylactisch
hersenbestraling, bij beperkte ziekte
ook thoracaal)
P Varieert: 5-jaarsoverleving in stadium I Varieert: 5-jaarsoverleving stadium I 49%,
31%, stadium II 2% stadium IV 1%
Op histologische basis kunnen de carcinomen in vier groepen worden ingedeeld:
1) Planocellulair carcinoom (35%)
2) Adenocarcinoom 20%
3) Grootcellig bronchuscarcinoom (20%)
4) Kleincellig bronchuscarcinoom (25%)
De longen kunnen worden beschouwd als stille organen. Daardoor zijn longtumoren in het
begin van de levenscyclus in de meest gevallen symptoomloos aanwezig. Oplettendheid is
geboden bij personen die roken en COPD hebben en vervolgens een te lang bestaande
verkoudheid hebben of een van de volgende alarmsymptomen:
Week 3 (longgeneeskunde) – Haemoptoë Page 2 of 27
, 1) Veranderd hoestpatroon, continu hoesten, of bij COPD-patiënten een duidelijke
verandering van het hoestpatroon.
2) Hemoptoë. Vaak een van de 1e symptomen van longcarcinoom.
3) Verandering van bestaande kortademigheidsklachten. Soms een partiële afsluiting op
afstand te horen als een stridor (inspiratoir) of met behulp van een stethoscoop al een
wheeze of opgeheven ademgeruis bij LO.
4) Klachten van recidiverende luchtweginfecties of het ontstaan van een obstructie
pneumonie op basis van afwijkingen in de grote luchtwegen
5) Moeheid en/of vermagering: fors afvallen in korte tijd kan een teken van
metastasering zijn
6) Pijn als gevolg van doorgroei of metastasering
7) Gedragsveranderingen door cerebrale metastasen
Wanneer een tumor doorgroeit in de omliggende structuren ontstaan de volgende klachten:
1) Als een tumor doorgroeit in de pleura ontstaan in vrijwel alle gevallen pijn op de borst.
Dit is het sulcus-superior-syndroom (pancoasttumor), waarbij de tumor door de
longtop heen groeit met aantasting van ribben, plexus brachialis of grensstreng.
Naast pijn kan het ook zorgen voor neurologische verschijnselen in de arm of het
syndroom van Horner (miosis, ptosis)
2) Doorgroei in nervus phrenicus kan worden voor kortademigheid, met als gevolg ook
eenzijdige verlamming van het diafragma. Op een thoraxfoto is dan hoogstand van
een diafragmakoepel te zien.
3) Doorgroei in slokdarm leidt tot passagestoornissen
4) Vena-cava-superior-syndroom. Hierdoor kan stuwing in hals en hoofd ontstaan.
5) Heesheid als gevolg van longkanker berust meestal op doorgroei in de linker nervus
recurrens op basis van een tumor in de linker longhilus.
Behandeling
Kleincelli Beperkte ziekte (1 thoraxhelft) Intensieve chemo- en radiotherapie,
g waaronder profylactische
schedelbestraling
Uitgebreide ziekte Chemotherapie, profylactische
schedelbestraling
Niet- Stadium I A/B (T1-2N0M0) Resectie
kleincellig Stadium II A/B (T1-2N1M0/T3N0M0) Resectie + adjuvante chemotherapie
Stadium III A/B (T1-3N2M0/T1- Gelijktijdige chemoradiatie
4N3M0)
Stadium IV (TxNxM1) Chemotherapie
Week 3 (longgeneeskunde) – Haemoptoë Page 3 of 27