HOOFDSTUK 1: ORGANISATIE
1. Wat is een organisatie?
Leg uit in eigen woorden
➔ Een organisatie is een geheel of een eenheid van mensen die op een
bewuste manier bij elkaar zijn gebracht om een gemeenschappelijk
doel te verwezenlijken
2. Wat zijn de drie basiskenmerken of bestanddelen van een
organisatie en wat verstaan we daaronder?
Illustreer dit aan de hand van een concreet voorbeeld.
➔ Groep van mensen: je hebt altijd meerdere mensen nodig
➔ Één of meerdere gemeenschappelijke doelen: iedereen werkt
naar hetzelfde doel toe bijvoorbeeld iets produceren, of daken van
mensen herstellen of huizen bouwen,…
➔ Bewust gecoördineerde eenheid/ doelgerichte structuur: er is
een plan, taakverdeling en samenwerking (niemand doet zomaar
wat)
Voorbeeld met een ziekenhuis:
➔ Groep van mensen: dokters, verpleegkundigen, poetsdienst, Admin
➔ Gemeenschappelijk doel: patiënten verzorgen en genezen
➔ Structuur: duidelijke afdelingen, hiërarchie
,3. In een organisatie kunnen we op basis van verschillende
invalshoeken soorten van mensen of organisatieleden
onderscheiden.
Neem twee verschillende invalshoeken en som de soorten van
organisatieleden op.
➔ Invalshoek 1: Functie of rol
Eigenaars: Personen die hun eigen geld (kapitaal) in de
organisatie hebben geïnvesteerd.
Managers: Degenen die de organisatie sturen en beheren.
Arbeiders en bedienden: Medewerkers die de operationele
taken uitvoeren die voortvloeien uit het beleid en beheer van de
organisatie
➔ Invalshoek 2: Hiërarchische verantwoordelijkheden en
bevoegdheden
Leidinggevenden: Personen met bevoegdheden en
verantwoordelijkheden om beslissingen te nemen en beleid te
bepalen.
Niet-leidinggevenden: Medewerkers die de beslissingen en
instructies van leidinggevenden uitvoeren zonder zelf
beleidsbeslissingen te nemen.
4. Illustreer hoe dit onderscheid de vormgeving van de organisatie
beïnvloeden.
➔ De indeling op ROL bepaalt de hiërarchie en taakverdeling binnen
de organisatie. Managers nemen strategische beslissingen, terwijl
arbeiders en bedienden deze uitvoeren. Eigenaars kunnen invloed
uitoefenen op de koers van de organisatie via investeringen en
aandeelhoudersvergaderingen. Deze structuur beïnvloedt de
communicatielijnen en besluitvormingsprocessen binnen de
organisatie
➔ De indeling op hiërarchie beïnvloedt de mate van centralisatie
binnen de organisatie. In een sterk hiërarchische structuur zijn
beslissingen gecentraliseerd bij de top, wat kan leiden tot snellere
besluitvorming maar minder inspraak van lagere niveaus. Een
minder hiërarchische structuur kan leiden tot meer betrokkenheid
van medewerkers bij besluitvorming, wat innovatie en motivatie
kan bevorderen.
, 5. In een organisatie werken we met doelen
Welke functies vervullen deze?
➔ Richtlijn voor activiteiten of gedrag
➔ Richtlijn voor nieuwe, toekomstige beslissingen
➔ Basis voor evaluatie en controle op de geleverde prestaties
6. We hebben gezien dat je vier verschillende soorten doelstellingen
kunt maken afhankelijk van op wat je je baseert. Neem er drie van
en leg uit welke doelstellingen je dan hebt.
➔ Op basis van voorwerp: inhoudelijke doelstellingen. Over wat je wil
bereiken zoals aankoop van grondstoffen, productiehoeveelheid,
verkoopcijfers
➔ Basis van organisatie niveau: strategische doelstellingen (door de
top van het bedrijf), tactische doelstellingen(door middenkader) en
operationele doelstellingen (door uitvoerder)
➔ Basis van tijd: korte en lange termijn doelstellingen zoals 10 nieuwe
klanten aantrekken in de komende maand of marktleider worden in de
sector binnen de 5j
➔ Basis van vormelijke karakter: informele (niet opgeschreven, wel
belangrijk zoals creëren van een fijne werksfeer) of formele doelen (op
papier, officieel vastgelegd, zoals doelstellingen in een beleidsplan)
7. Een omgeving is onderhevig aan externe invloeden.
Toon dit via een voorbeeld op micro-niveau aan (gebruik vier
verschillende invloeden).
Voorbeeld: Kledingwinkel:
➔ Klanten: klanten willen plots meer duurzame kledij dus je moet het
aanbod aanpassen
➔ Toeleveranciers: door staking kan de leverancier tijdelijk geen
stoffen leveren dus de productie valt stil
➔ Concurrenten: een nieuwe winkel opent met lagere prijzen, dus je
moet promo’s geven om te kunnen blijven meedraaien.
➔ Distributeurs: postbedrijf dat de leveringen van uw pakketjes doet
is vertraagt door personeelstekort waardoor klanten klagen
1. Wat is een organisatie?
Leg uit in eigen woorden
➔ Een organisatie is een geheel of een eenheid van mensen die op een
bewuste manier bij elkaar zijn gebracht om een gemeenschappelijk
doel te verwezenlijken
2. Wat zijn de drie basiskenmerken of bestanddelen van een
organisatie en wat verstaan we daaronder?
Illustreer dit aan de hand van een concreet voorbeeld.
➔ Groep van mensen: je hebt altijd meerdere mensen nodig
➔ Één of meerdere gemeenschappelijke doelen: iedereen werkt
naar hetzelfde doel toe bijvoorbeeld iets produceren, of daken van
mensen herstellen of huizen bouwen,…
➔ Bewust gecoördineerde eenheid/ doelgerichte structuur: er is
een plan, taakverdeling en samenwerking (niemand doet zomaar
wat)
Voorbeeld met een ziekenhuis:
➔ Groep van mensen: dokters, verpleegkundigen, poetsdienst, Admin
➔ Gemeenschappelijk doel: patiënten verzorgen en genezen
➔ Structuur: duidelijke afdelingen, hiërarchie
,3. In een organisatie kunnen we op basis van verschillende
invalshoeken soorten van mensen of organisatieleden
onderscheiden.
Neem twee verschillende invalshoeken en som de soorten van
organisatieleden op.
➔ Invalshoek 1: Functie of rol
Eigenaars: Personen die hun eigen geld (kapitaal) in de
organisatie hebben geïnvesteerd.
Managers: Degenen die de organisatie sturen en beheren.
Arbeiders en bedienden: Medewerkers die de operationele
taken uitvoeren die voortvloeien uit het beleid en beheer van de
organisatie
➔ Invalshoek 2: Hiërarchische verantwoordelijkheden en
bevoegdheden
Leidinggevenden: Personen met bevoegdheden en
verantwoordelijkheden om beslissingen te nemen en beleid te
bepalen.
Niet-leidinggevenden: Medewerkers die de beslissingen en
instructies van leidinggevenden uitvoeren zonder zelf
beleidsbeslissingen te nemen.
4. Illustreer hoe dit onderscheid de vormgeving van de organisatie
beïnvloeden.
➔ De indeling op ROL bepaalt de hiërarchie en taakverdeling binnen
de organisatie. Managers nemen strategische beslissingen, terwijl
arbeiders en bedienden deze uitvoeren. Eigenaars kunnen invloed
uitoefenen op de koers van de organisatie via investeringen en
aandeelhoudersvergaderingen. Deze structuur beïnvloedt de
communicatielijnen en besluitvormingsprocessen binnen de
organisatie
➔ De indeling op hiërarchie beïnvloedt de mate van centralisatie
binnen de organisatie. In een sterk hiërarchische structuur zijn
beslissingen gecentraliseerd bij de top, wat kan leiden tot snellere
besluitvorming maar minder inspraak van lagere niveaus. Een
minder hiërarchische structuur kan leiden tot meer betrokkenheid
van medewerkers bij besluitvorming, wat innovatie en motivatie
kan bevorderen.
, 5. In een organisatie werken we met doelen
Welke functies vervullen deze?
➔ Richtlijn voor activiteiten of gedrag
➔ Richtlijn voor nieuwe, toekomstige beslissingen
➔ Basis voor evaluatie en controle op de geleverde prestaties
6. We hebben gezien dat je vier verschillende soorten doelstellingen
kunt maken afhankelijk van op wat je je baseert. Neem er drie van
en leg uit welke doelstellingen je dan hebt.
➔ Op basis van voorwerp: inhoudelijke doelstellingen. Over wat je wil
bereiken zoals aankoop van grondstoffen, productiehoeveelheid,
verkoopcijfers
➔ Basis van organisatie niveau: strategische doelstellingen (door de
top van het bedrijf), tactische doelstellingen(door middenkader) en
operationele doelstellingen (door uitvoerder)
➔ Basis van tijd: korte en lange termijn doelstellingen zoals 10 nieuwe
klanten aantrekken in de komende maand of marktleider worden in de
sector binnen de 5j
➔ Basis van vormelijke karakter: informele (niet opgeschreven, wel
belangrijk zoals creëren van een fijne werksfeer) of formele doelen (op
papier, officieel vastgelegd, zoals doelstellingen in een beleidsplan)
7. Een omgeving is onderhevig aan externe invloeden.
Toon dit via een voorbeeld op micro-niveau aan (gebruik vier
verschillende invloeden).
Voorbeeld: Kledingwinkel:
➔ Klanten: klanten willen plots meer duurzame kledij dus je moet het
aanbod aanpassen
➔ Toeleveranciers: door staking kan de leverancier tijdelijk geen
stoffen leveren dus de productie valt stil
➔ Concurrenten: een nieuwe winkel opent met lagere prijzen, dus je
moet promo’s geven om te kunnen blijven meedraaien.
➔ Distributeurs: postbedrijf dat de leveringen van uw pakketjes doet
is vertraagt door personeelstekort waardoor klanten klagen