NEUROCHEMIE EN
ONDERLIGGENDE GENETICA
1. INLEIDING
▪ Neurowetenschappers bestuderen het menselijke zenuwstelstel, inclusief het brein.
o Neurowetenschappen bestuderen het zenuwstelsel.
o Dat omvat niet alleen het brein, maar ook het ruggenmerg en alle zenuwen in het
lichaam.
o Het zenuwstelsel stuurt eigenlijk alles aan: denken, bewegen, emoties, stressreacties,
beslissingen en gedrag.
o In criminologische context is dit belangrijk omdat antisociaal gedrag ook samenhangt
met hoe het brein informatie verwerkt, emoties reguleert en impulsen controleert.
o Het brein bestaat uit neuronen, of zenuwcellen. Die communiceren met elkaar via
elektrische en chemische signalen. Daarom spreken we van een elektrochemisch
proces.
▪ Onderscheid tussen ‘structuur’ en ‘functie’.
° Bij het brein moet je altijd het verschil kennen tussen structuur en functie.
° Tegelijk mag je ze niet volledig los van elkaar zien: hoe een hersengebied gebouwd is, hangt vaak
samen met wat het doet.
o Structuur: de anatomische structuren.
▪ Structuur verwijst naar hoe het brein eruitziet.
▪ Bijvoorbeeld: hersengebieden, verbindingen, kwabben, cortex, amygdala,
hippocampus, prefrontale cortex.
▪ Structuur gaat dus over de “bouw” van het brein.
o Functie: de werking van de hersengebieden.
▪ Functie verwijst naar wat hersengebieden doen.
▪ Bijvoorbeeld: emoties verwerken, plannen, impulsen remmen, gevaar
detecteren, beloning ervaren, geheugen vormen.
▪ Eenzelfde hersengebied kan vaak meerdere functies hebben, afhankelijk van de
context en de verbindingen met andere gebieden.
▪ CONTEXT is superbelangrijk
o Hetzelfde brein kan anders reageren afhankelijk van de situatie.
o Een persoon reageert bijvoorbeeld anders in een veilige omgeving dan in een stressvolle,
bedreigende of vernederende situatie.
o Context bepaalt mee of biologische kwetsbaarheden tot probleemgedrag leiden.
o Dit is de kern van biosociaal denken: hersenen, genen en neurotransmitters werken nooit
los van de omgeving.
o Voor het examen: context, context, context. Biologie is belangrijk, maar nooit
allesbepalend.
1
,2. HERSENEN ALS ONDERDEEL VAN HET ZENUWSTELSEL
Het zenuwstelsel heeft twee grote functies:
o Informatie verwerken: via zintuigen zoals zien, horen, voelen, ruiken en proeven.
o Reacties sturen: het lichaam voorbereiden op actie, rust, beweging, emoties of
beslissingen.
Voorbeeld:
o Bij gevaar activeert het zenuwstelsel het lichaam om te vechten of te vluchten.
o Bij veiligheid helpt het zenuwstelsel het lichaam ontspannen en herstellen.
Twee grote delen van het zenuwstelsel
o Centraal zenuwstelsel (CZS)
▪ Dit is het controlecentrum.
▪ Het bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
▪ Het verwerkt informatie en stuurt reacties aan.
▪ De hersenen nemen beslissingen, verwerken emoties en sturen gedrag.
▪ Het ruggenmerg geeft signalen door tussen hersenen en lichaam.
o Perifeer zenuwstelsel (PZS)
▪ Dit is het communicatienetwerk tussen het centrale zenuwstelsel en de rest van
het lichaam.
▪ Het stuurt informatie van zintuigen naar het CZS.
▪ Het stuurt ook opdrachten van het CZS naar spieren en organen.
Binnen het perifere zenuwstelsel
o Somatisch zenuwstelsel
▪ Dit gaat over bewuste controle.
▪ Het stuurt vrijwillige bewegingen aan, zoals lopen, schrijven, kijken of je hand
opsteken.
▪ Het verwerkt ook zintuiglijke informatie.
o Autonoom zenuwstelsel (AZS)
▪ Dit werkt automatisch, zonder bewuste controle.
▪ Het regelt organen zoals hart, longen, spijsvertering en stressreacties.
▪ Het is zeer belangrijk bij emoties, angst, agressie en lichamelijke arousal.
Binnen het autonome zenuwstelsel
o Sympathisch zenuwstelsel
▪ Dit zet het lichaam “aan”.
▪ Het bereidt voor op actie: fight or flight.
▪ Bij gevaar stijgen hartslag en ademhaling, spieren spannen zich op en het
lichaam wordt alert.
▪ Voorbeeld: iemand komt dreigend op je af in een donkere straat; je lichaam
maakt zich klaar om te vechten of te vluchten.
o Parasympathisch zenuwstelsel
▪ Dit zet het lichaam weer “uit”.
▪ Het zorgt voor rust, herstel en ontspanning.
▪ Hartslag en ademhaling dalen opnieuw.
▪ Dit systeem is belangrijk omdat een mens niet constant in stressmodus kan
blijven.
2
, Het menselijk brein
Het brein bestaat uit verschillende grote delen.
1. Voorhersenen
o Dit is het grootste en meest ontwikkelde deel van het brein.
o Belangrijke onderdelen zijn:
▪ Grote hersenen / cerebrum
• Denkcentrum van de mens.
• Belangrijk voor denken, plannen, beslissen, taal, bewust handelen en
zelfcontrole.
▪ Thalamus
• Doorstuurstation van informatie.
• Bijna alle zintuiglijke informatie, behalve geur, komt hier binnen en
wordt doorgestuurd naar andere hersengebieden.
▪ Hypothalamus
• Regelt automatische lichamelijke processen.
• Bijvoorbeeld honger, dorst, temperatuur, hormonen, stressreacties en
emoties.
2. Middelste hersenen
o Belangrijk schakelcentrum.
o Speelt een rol in automatische reacties, beweging en waakzaamheid.
3. Kleine hersenen / cerebellum
o Coördinator van beweging.
o Zorgt voor evenwicht, fijne motoriek en soepele bewegingen.
o Voorbeeld: lopen, fietsen of schrijven zonder dat je daar voortdurend bewust over
nadenkt.
De hersenkwabben
o Frontale lob
▪ “De planner” van het brein.
▪ Belangrijk voor denken, plannen, beslissen, impulscontrole, probleemoplossing
en executieve functies.
▪ De prefrontale cortex ligt in dit gebied en is cruciaal voor zelfbeheersing.
o Motorische cortex
▪ Stuurt bewegingen aan.
▪ Bijvoorbeeld armen bewegen, lopen, spreken of schrijven.
o Sensorische cortex
▪ Verwerkt lichamelijke sensaties.
▪ Bijvoorbeeld aanraking, pijn, temperatuur en druk.
o Pariëtale lob
▪ Helpt de omgeving begrijpen.
▪ Belangrijk voor ruimtelijk inzicht en oriëntatie.
o Occipitale lob
▪ Verwerkt visuele informatie.
▪ Belangrijk voor beelden, kleuren, vormen en beweging.
o Temporale lob
▪ Belangrijk voor taal, geheugen en herkenning.
▪ Helpt bij het begrijpen van spraak en het herkennen van personen en situaties.
3
, Twee hersenhelften
Het brein bestaat uit een linker- en rechterhemisfeer.
Dit noemt men lateralisatie: beide hersenhelften hebben specialisaties, maar werken samen.
o Linkerhemisfeer
▪ Vaak sterker betrokken bij taal, logica, analyse en redeneren.
o Rechterhemisfeer
▪ Vaak sterker betrokken bij ruimtelijk inzicht, beelden, creativiteit en globale
verwerking.
Belangrijk: dit is geen absolute scheiding. Beide hersenhelften werken voortdurend samen.
Bij schade kan de ene hersenhelft soms bepaalde functies deels overnemen, vooral bij jonge
hersenen door neuroplasticiteit.
Structuur van het brein
o Sulci
▪ De groeven of inkepingen in het brein.
o Gyri
▪ De windingen of opgeheven delen van de hersenschors.
o Sulci en gyri zorgen ervoor dat er meer hersenoppervlak in de schedel past.
o Meer oppervlak betekent meer ruimte voor neurale verwerking.
4