EVOLUTIE VAN
MORALITEIT
1. INLEIDING
De studie van (oorsprong van) moraliteit
Omschreven als:
“Het geheel van morele normen en morele principes die het gedrag van
een individu of groep sturen.”
o Moraliteit gaat over normen, waarden, gedragingen en opvattingen over
goed en kwaad.
→ Het bepaalt wat binnen een groep of cultuur als wenselijk, correct,
verboden of fout wordt beschouwd.
→ Als iemand morele regels overschrijdt, voelt dat alsof er een “rode lijn”
wordt overschreden.
Moraliteit is een universeel fenomeen.
Overal ter wereld bestaan morele systemen.
Elke menselijke samenleving heeft regels over wat mag en niet mag.
Dat betekent niet dat alle culturen exact dezelfde regels hebben.
De neiging om morele systemen te ontwikkelen is universeel, maar de
concrete invulling verschilt per cultuur.
Belangrijk onderscheid:
Absolute moraliteit = het idee dat bepaalde morele regels altijd en overal
gelden, ongeacht cultuur, tijd of situatie.
Relatieve moraliteit / moreel relativisme = het idee dat goed en fout
afhangen van cultuur, tijd, situatie of persoonlijke waarden.
De cursus neemt geen puur absolutistisch of puur relativistisch standpunt in:
moraliteit heeft zowel een biologische basis als een culturele invulling.
Morele systemen kunnen gezien worden als systemen van indirecte
reciprociteit: mensen gedragen zich volgens regels omdat reputatie, vertrouwen,
straf en groepsnormen belangrijk zijn.
Verschillende culturen geven dus andere antwoorden op dezelfde
samenlevingsproblemen.
1
,2. DE WETENSCHAPPELIJKE STUDIE VAN
MORALITEIT
Zijn er criteria die het morele domein afbakenen?
“An essential concern for the noninstrumental good of others” (Becker &
Becker 1992).
o Een betere definitie van moraliteit is: een fundamentele bezorgdheid voor
het welzijn van anderen, zonder dat dit enkel uit verborgen eigenbelang
gebeurt.
o Noninstrumental betekent dat je de ander niet alleen helpt omdat jij er
zelf iets uit haalt.
o Het morele domein gaat dus over wat mensen tegenover elkaar verplicht
zijn.
Normen zijn “moreel” als het gaat over plichten ten opzichte van anderen.
o Een norm wordt moreel wanneer ze gaat over hoe je anderen moet
behandelen.
o Voorbeeld: iemand in nood helpen is moreel relevant.
o Je tanden poetsen is op zichzelf meestal geen morele kwestie, omdat het
vooral over jezelf gaat.
De basis van moreel gedrag vindt zijn oorsprong in de evolutie van het
sociale gedrag van de mens.
o Moraliteit is niet zomaar uit het niets cultureel ontstaan.
o De basis ligt in het sociale gedrag van homininen: samenwerken, delen,
helpen, straffen, verzoenen en zorg dragen.
o Cultuur bouwt verder op oudere biologische neigingen.
SOCIALE INSTINCTEN en AANDRIFTEN van homininen als basis (zie bv. R.
Cliquet, M. Ridley, J. Q. Wilson, J. Greene, J. Haidt, F. De Waal ).
o Deze auteurs benadrukken dat mensen geëvolueerde sociale instincten
hebben.
o Voorbeelden zijn empathie, wederkerigheid, schaamte, schuld, morele
verontwaardiging en afkeer van freeriders.
o Ook bij niet-menselijke primaten zien we al voorlopers van moraliteit, zoals
empathie, verzoening en coalitievorming.
Þ Dwz een vermogen tot moraliteit als aangeboren, geëvolueerd kenmerk van
de homininen (noot: gevolg van zelfdomesticatiesyndroom)
o Mensen worden niet geboren met één vast moreel systeem, maar wel met een
vermogen tot moraliteit.
o Dat vermogen is geëvolueerd omdat groepsleven samenwerking en
conflictbeheersing vereiste.
o Dit hangt samen met zelfdomesticatie: selectie tegen extreme reactieve
agressie en selectie voor meer sociale tolerantie, samenwerking en
zelfcontrole.
2
, 3. VROEGE IDEEËN OVER MORALITEIT
VOLGENS SMITH EN DARWIN
− The Theory of Moral Sentiments (Adam Smith, 1759/1790)
o Adam Smith stelde dat mensen niet louter egoïstisch zijn.
o Volgens hem hebben mensen aangeboren morele gevoelens, vooral
sympathie.
o Sympathie betekent dat we ons kunnen inleven in de situatie van een
ander.
− Smiths betoogt dat sympathische gevoelens tot uitdrukking komen in een
moreel oordeel, houdingen en handelingen.
o We vormen morele oordelen door ons voor te stellen hoe het is om in de
plaats van iemand anders te staan.
o Dat noemt Smith “denkbeeldig meeleven”.
o Vanuit dat meeleven beoordelen we of gedrag gepast, ongepast,
rechtvaardig of onrechtvaardig is.
− Analyses van deugden van zelfbeheersing, humaniteit … vanuit het begrip
van denkbeeldig meeleven.
o Smith hecht veel belang aan deugden zoals zelfbeheersing,
rechtvaardigheid, menselijkheid en medeleven.
o Helpen of geven kan ook een goed gevoel geven, omdat prosociaal gedrag
sociaal gewaardeerd wordt en verbonden is met positieve emoties.
o Voor in groep levende soorten is helpend gedrag voordelig, omdat het
samenwerking versterkt.
The Descent of Man (Darwin, 1871; 1874)
Moraliteit ontwikkelde zich vanuit een combinatie van de sociale
instincten en een aantal goed ontwikkelde mentale krachten.
o Darwin zag moraliteit als iets dat voortkomt uit sociale instincten én een
sterk ontwikkeld brein.
o Mensen hebben sociale instincten zoals zorg, sympathie en groepsbinding.
o Door geheugen, taal, reflectie en zelfbewustzijn kunnen mensen die
gevoelens omzetten in morele regels.
‘The moral sense’
Moraliteit maakt samenleving mogelijk.
o Moraliteit is de “lijm” van de samenleving.
o Zonder morele regels rond helpen, delen, eerlijkheid en straf zou
groepsleven instabiel worden.
o Moraliteit helpt dus om samenwerking mogelijk te maken.
Met behulp van ‘moralistische agressie’ maakt het morele gevoel
wederkerig altruïsme mogelijk.
o Moralistische agressie = boosheid of agressie tegenover iemand die
morele regels overtreedt.
o Bijvoorbeeld: woede tegenover een bedrieger, profiteur of gewelddadige
bully.
o Deze vorm van agressie kan samenwerking beschermen, omdat freeriders
en valsspelers gestraft worden.
3