Buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht en
risicoverzekeringen
Les 1 (10/2)
Info omtrent het examen:
- De beide handboeken mag u meenemen naar het examen.
- Wetboeken zijn verboden op het examen.
- Alle wetgeving en de rechtspraakbundel zal beschikbaar zijn op de
computer.
Casus zwiepende tak (ooit voorgelegd aan Hoge Raad in NL, equivalent
van HvC bij ons). De feiten: twee studenten mr. Van Hee en mevr.
Boukachar gaan wandelen ergens in het stadspark. Meneer Van Hee is
ontevreden, heeft een slecht weekend gehad, trapt op een struik uit
woede/ontevredenheid, maar deze struik zat vast en zwiept terug in het
oog van mevr. Boukachar met als gevolg dat mevr. Boukachar haar
volledig zicht van haar linkeroog verliest. Mevr. Boukachar gaat meneer
Van Hee dagvaarden.
Welke schade? Geen contract, dus buitencontractuele rechtsverhouding.
Fysieke en morele schade. En eventueel ook economische schade
(bepaalde beroepen niet meer uit te oefenen, meer inspanningen
verrichten bv. bij het lezen etc.).
2 vragen:
- Is meneer Van Hee aansprakelijk?
- Fout, schade, oorzakelijk verband?
Is er sprake van een fout?
Er was geen intentie om mevr. Boukachar pijn te doen. De intentie doet er
echter niet toe in het aansprakelijkheidsrecht. In het
aansprakelijkheidsrecht moet je eerder kijken naar of de persoon zich als
een normaal en zorgvuldig persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden
heeft gedragen. Heeft meneer Van Hee zich gedragen als een normaal,
voorzichtige persoon? De Nederlandse rechtbanken hebben zich hier
verschillend over uitgesproken.
Een normaal zorgvuldig persoon zou niet tegen een tak schoppen.
Contra argument: Van Hee dacht dat de tak een paar meter verder zou
belanden.
➢ Hij kon niet redelijkerwijze wijze weten dat de tak zou zwiepen
➢ Hij behoorde het wél te weten dat de tak zou zwiepen
1
,ARRAHMOUNI I. 2025-2026
Het is niet omdat je een fout begaat, dat je aansprakelijk bent. We begaan
allemaal fouten zonder daarmee schade te hebben veroorzaakt, bv. door
rood licht rijden. Dit is een strafrechtelijke overtreding en een fout, maar
er is geen schade uit voortgevloeid dus je bent niet (burgerrechtelijk)
aansprakelijk.
Het HvB in NL heeft geoordeeld dat meneer Van Hee een fout is begaan.
De Hoge Raad heeft dit arrest vernietigd. Zij zeiden hierbij dat een van de
essentiële elementen van het foutbegrip de voorzienbaarheid is van de
schade, we zien dit in boek 6. Je begaat maar een fout als je dit
redelijkerwijs kon voorzien en/of je niet de mogelijke maatregelen neemt
om het te voorkomen, dit is een mogelijke definitie van fout. De Hoge
Raad stelde vast dat het niet voorzienbaar was dat de tak terug zou
zwiepen, waardoor hij geen fout heeft begaan en ook niet aansprakelijk
kan worden gesteld. We kunnen dit dus niet oplossen met het
aansprakelijkheidsrecht.
De regel is: the loss lies where it falls = de schade blijft liggen waar zij
geleden is.
Wie schade lijdt, moet die in principe zelf dragen. Het is maar als u een
derde zou kunnen aanspreken, gekoppeld aan een aanknopingsfactor (bv.
fout) dat iemand uw schade zou moeten dekken.
Welke vergoedingsbron zou mevr. Boukachar kunnen aanspreken?
Mevr. Boukachar zou nog steeds de sociale zekerheid kunnen raadplegen.
Ze dekken echter niet alles, het dekt maar een deel van de ziektekosten.
Wat scheelt er nog over?
- Eigen verzekering → moest mr. Van Hee aansprakelijk gesteld zijn,
dan zou zijn familiale verzekering het dekken (BA-privéleven). 85%
van de Belgen heeft een BA-privéleven verzekering, maar het is niet
verplicht (kost 100 euro/maand ongeveer). Komt enkel tussen als er
een aansprakelijkheid is, dus die zou hier niet tussenkomen.
- Ongevallenverzekering: mevr. Boukachar had ook een
ongevallenverzekering kunnen sluiten, waarbij zij een vergoeding
krijgt voor ongevallen die haar voorkomen. Hier moet je geen
aansprakelijkheid bewijzen, louter het feit dat je een ongeval hebt
gehad volstaat. Komt niet zo vaak voor.
- Schadevergoedingsfondsen: BE kent veel fondsen, het is een soort
solidariteitsmechanisme.
2
,ARRAHMOUNI I. 2025-2026
Het “schadevergoedingsrecht” (BCA recht) kent 4 pijlers.
1) Sociale zekerheid (de basis, zeer laagdrempelig, bijna iedereen is
sociaal verzekerd, je moet er niets voor bewijzen, maar niet alles
wordt vergoed)
2) Aansprakelijkheid (fout, schade en causaal verband moet worden
aangetoond, integrale schadevergoeding, hoge drempel)
3) Verzekering (kan men soms een beroep op doen)
4) Fonds (eventueel):
a. Slachtofferfonds (bij opzettelijke gewelddaden)
b. Rampenfonds
c. Gemeenschappelijke waarborgenfonds: komt tussen bij
vluchtmisdrijf of als iemand niet verzekerd is (deel van de
verzekeringspremie van auto gaat naar dit fonds)
d. Asbestfonds
e. Fonds medische ongevallen
f. …
➢ Ziekenfonds vallen NIET onder deze fondsen, maar vallen onder
sociale zekerheid
Andere verzekeringen? Autoverzekering + hospitalisatieverzekering +
brandverzekering + levensverzekering + schuldsaldoverzekering (wordt
meestal contractueel opgelegd door de bank waar je hypothecair krediet vraagt, de bank
wil zich indekken, stel je voor je overlijdt en je kan de lening niet meer terugbetalen =>
de bank vraagt een schuldsaldoverzekering, zodat de lening (deels of volledig) kan
worden terugbetaald)+ beroepsaansprakelijkheidsverzekering +
reisverzekering + arbeidsongevallenverzekering +
werkloosheidsverzekering (sociaal recht) + rechtsbijstandsverzekering
(prof vindt dit een belangrijke verzekering, er staat een heel hoofdstuk
over in het boek Verzekeringsrecht): is vaak gekoppeld aan een andere
verzekering, bv. aan je brandverzekering: stel dat er waterinsijpeling is en
de buren weigeren te vergoeden → de rechtsbijstandverzekering dekt uw
kosten als eiser of verweerder + gewaarborgd inkomen verzekering: bijna
alle zelfstandigen hebben dit, want de sociale zekerheid van zelfstandigen
is niet goed geregeld.
Verzekeringen hebben bepaalde functies: beschermend, preventief en
sparend.
Verzekeringen hebben een beschermde functie. Ze willen je beschermen
tegen verlies aan fysieke integriteit, verlies aan inkomen etc.
Verzekeringen kunnen ook een preventieve functie hebben. In de 19de
eeuw was er een maatschappelijke tegenbeweging tegen verzekeringen,
aangezien men redeneerde dat als mensen verzekerd waren ze roekelozer
3
,ARRAHMOUNI I. 2025-2026
zouden zijn (moral hasard), ze meer risico-verhogend gedrag zouden
vertonen… Daarom heeft de verzekeraar zorgvuldigheidsprikkels ingelast
in polissen, zo heb je de “franchise” (bv. de eerste 300 euro betaal je
zelf). Op deze manier “let je nog steeds op om geen fout te begaan”,
daarnaast is de opzettelijke fout nooit gedekt door een verzekering.
Er gaat ongeveer 30 miljard euro om in de verzekeringssector, het is dus
een belangrijke sector, maar heeft een minder goede reputatie. De prof
vindt dit ten onrechte omdat verzekeringen een heel belangrijke functie
hebben.
Een verzekering kan ook een spaarfunctie hebben (bv. levensverzekering).
De eerste Verzekeringswet dateert van 1874. Het was een korte wet (40
artikelen) en het was van aanvullend recht, verzekeraars konden dus
allemaal zaken erin schrijven ten nadele van de verzekerden. In 1992
kwam er de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst. En in 2014 kwam
de Verzekeringswet. Het speciale was dat de Wet op de
Landverzekeringsovereenkomst (bijna) ongewijzigd is overgenomen in de
wet van 2014. Om de parlementaire stukken te raadplegen moet je
minder kijken naar de wet van 2014, maar moet je gaan kijken naar de
Wet op de Landverzekeringsovereenkomst van 1992, want die is bijna
ongewijzigd overgenomen als een apart deel in de Verzekeringswet 2014.
De Verzekeringswet telt 350 artikelen. We krijgen dit op het examen. Maar
we concentreren ons op de wet van de landverzekeringsovereenkomst: dit
is bijna allemaal van dwingend recht, tenzij anders blijkt uit de
bewoordingen.
1ste hoofdstuk in het handboek verzekeringsrecht is beschrijvend, er staan
een aantal definities die u een inzicht geven in het verzekeringsrecht. We
gaan het enkel hebben over landverzekeringen, geen zeeverzekeringen of
luchtvaartverzekeringen, deze vallen niet onder de verzekeringswet.
Er zijn wettelijk verplichte verzekeringen en niet verplichte verzekeringen.
Een wettelijk verplichte verzekering is bv. de autoverzekering,
brandverzekering (vroeger legde de verhuurder contractueel de plicht op
aan de huurder om deze verzekering af te sluiten), voor architecten,
vrijwilligers, verzekeringsmakelaars, voor de jacht en voor het uitvoeren
van medische experimenten op mensen…
Het loutere feit om een verzekering wettelijk verplicht te maken, lijkt
billijk tegenover het slachtoffer/de benadeelde (want je kan zeggen: als
de aansprakelijke partij niet vermogend is, kan je nog steeds je geld eisen
bij de verzekeraar), maar het is (volgens de prof) enkel billijk als de
4
,ARRAHMOUNI I. 2025-2026
inhoud van de polis ook door de wetgever wordt geregeld. Wat heb je aan
een wettelijk verplichte verzekering als de verzekeraar de omvang van de
dekking kan beperken? Niet veel, noch als verzekerde, noch als
benadeelde.
De polis = de overeenkomst, dus als de verzekeraar zelf kan bepalen wat
de voorwaarden zijn in je ovk (omvang van de dekking beperken bv.
waarborg (wat is er juist gedekt) of qua verzekerd bedrag (tot hoeveel
euro wordt de schade gedekt)) dan is het niet billijk.
Het is dus best dat de wetgever werkt met minimumgarantievoorwaarden
(zoals bij de beroepsaansprakelijkheidsverzekering bij architecten: dit en
dat moet minimum gedekt zijn + familiale verzekering: het verzekerd
bedrag moet minstens zoveel zijn)
of met een modelovereenkomst (zoals bij de WAM). Pas wanneer de
wetgever ook de inhoud van het verzekeringscontract gaat opleggen, heb
je een echte bescherming zowel als verzekerde of als benadeelde.
Je hebt ook contractuele verzekeringsverplichtingen, zoals de
schuldsaldoverzekering bij hypothecair krediet, opgelegd door de bank.
Daarnaast legt soms de deontologie op dat er een verzekering moet zijn
(bij artsen en advocaten).
De verzekering maakt ook een onderscheid tussen een verzekering tot
vergoeding van schade (bv. aansprakelijkheidsverzekering, de volledige
schade wordt vergoed) en verzekering tot uitkering van een vast bedrag
(bv. levensverzekering).
Een belangrijker onderscheid is een schadeverzekering en een
persoonsverzekering. Bij schadeverzekeringen gaat het om een onzeker
voorgeval dat schade berokkent aan iemands vermogen (bv.
aansprakelijkheidsverzekering), bij een persoonsverzekering gaat het om
een onzeker voorgeval dat iemands fysieke integriteit aantast (bv.
levensverzekering).
Verzekeringstechniek:
Een belangrijk aspect is de zogenaamde segmentatie. De verzekeraar gaat
als ware een groep verzekerden met dezelfde kenmerken onderbrengen in
een bepaald segment, ze gaan ze in bepaalde homogene groepen brengen
om het verzekerd risico beter te kunnen beoordelen. Bepaalde risico’s
gaan door de verzekeraar als goed of slecht worden beoordeeld. Dit gaat
gepaard met premies etc. Risicoselectie: ze gaan dus bekijken “wie een
goed risico is en wie een slecht risico is”.
5
,ARRAHMOUNI I. 2025-2026
De verzekeraar wil dus eigenlijk gewoon weten met wie hij te maken
heeft, hij wil weten wat het risico is dat hij moet dekken, dit gaat hij doen
door bepaalde vragen te stellen die jij beantwoordt, bv. bij een
levensverzekering: rook je? Bij een hospitalisatieverzekering: In hoeveel
verkeersongevallen ben je geweest? Er gaat dus een risico-selectie
doorgevoerd worden. Degenen met een hoger risico, gaan hogere premies
moeten betalen.
Deze segmentaties staan haaks op het discriminatieverbod. We hebben
antidiscriminatiewetgeving van 2007 die iedereen verbiedt om te
discrimineren. Maar de verzekeraar doet niets meer dan discrimineren
(eigenlijk is het differentiëren). Mag dat? Dit mag zolang dit gegrond is
(objectief criterium en met een legitiem doel). Bv. de autoverzekeraar kan
a.d.h.v. statistieken aantonen dat jongere mensen meer dronken
verkeersongevallen begaan en op basis daarvan een hogere premie laten
betalen door jongeren. Dit is de onderhandelingsmacht van de
verzekeraar: “anders moet je maar geen contract sluiten”. Of je hebt 40
jaar gerookt en je wil een levensverzekering aangaan, dan ben je een
slecht risico, ze kunnen je weigeren of je een hoge premie laten betalen.
Er is geen plicht tot verzekeren, er is contractuele vrijheid.
De verzekeraar heeft het recht om het contract te weigeren. Er is
rechtspraak van het HvJ dat zegt dat bij gezondheidsverzekeringen en
WAM-verzekeringen geen onderscheid mag gemaakt worden van geslacht.
Een verzekeraar had dit gedaan en is teruggeroepen geweest, omdat
gelijkheid tussen mannen en vrouwen een fundamenteel beginsel is in de
EU. Maar leeftijd mag je dus wel gebruiken als een onderscheidscriterium.
Het handboek verzekeringsrecht telt 1100 pagina’s, er valt heel wat weg.
Distributiekanalen:
Deel 2, hoofdstuk 1 – pagina 69 HB
BE is een land dat veel werkt met verzekeringstussenpersonen. Je hebt de
keuze: je kan je rechtsreeks verzekeren of met een tussenpersoon werken
(bv. verzekeringsmakelaar of - agent). Tussen de 40 en 60 procent -
afhankelijk van het verzekeringsproduct, de verzekeringspolis - wordt in
België gesloten via een tussenpersoon. Dit is veel.
De verzekeringsmakelaar brengt twee partijen bij elkaar, zonder gebonden
te zijn aan een bepaalde verzekeraar. Deze makelaar moet de beste polis
brengen die op de markt beschikbaar is. Terwijl een verzekeringsagent wél
gebonden is aan één verzekeraar of meer. In essentie doen zij hetzelfde:
partijen samenbrengen om een verzekeringsovereenkomst te sluiten.
Voor verzekeringstussenpersonen is er een verplichte
6
,ARRAHMOUNI I. 2025-2026
beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Je bent vrij in de manier om je te
verzekeren.
Als je met een verzekeringstussenpersoon werkt, komt daar een
commissie bij kijken (dus het kan duurder zijn, hogere premie), maar
daar tegenover staat wel dat je bv. meer info kan krijgen. Een
commerciële geste van de verzekeraar kan je uit de brand slepen.
Valt weg: p123 – p250 (gaat over het publiekrechtelijk toezicht op de
verzekeringsondernemingen) → wat moeten we weten hierover? Er is een
overheidstoezicht op verzekeraars volgens het twin peaks model, nl. er
zijn twee toezichthouders
1. Autoriteit voor financiële diensten en markten (FSMA – Financial
services and Market Authority)
2. De Nationale Bank van België
Deze 2 houden toezicht op het functioneren van verzekeraars.
Het FSMA houdt ook toezicht op banken. Bv. proces over Optimabank in
Gent momenteel (heeft de FSMA voldoende toezicht uitgeoefend en is die
snel genoeg opgetreden?) > ook toezichthouder kan aansprakelijkheid
oplopen.
Controlereglementering: het is goed om te weten dat er
toezichthouders zijn, maar heel de technische regelgeving bekijken we
niet en moeten we niet kennen.
Een verzekeringsovereenkomst moet voldoen, zoals elke ovk, aan vier
voorwaarden:
- Toestemming
- Bekwaamheid
- Voorwerp
- Oorzaak
Belangrijke begrippen:
- De verzekeraar is de onderneming die als contractspartij
verzekeringsovereenkomsten aanbiedt.
- De verzekeringsnemer is de persoon die de
verzekeringsovereenkomst sluit, het ondertekent (synoniem:
onderschrijver)
- De verzekerde (kan samenvallen met de verzekeringsnemer) is de
persoon (bv. de proffen aan de UA) of zaak die beschermd wordt
tegen schade of risico's.
7
,ARRAHMOUNI I. 2025-2026
- De begunstigde is de persoon in wiens voordeel de
verzekeringsprestaties bedongen zijn. (Bv. levensverzekering.)
Er moet bij een verzekeringsovereenkomst altijd sprake zijn van een
onzeker voorgeval, de verzekeringsovereenkomst is een kanscontract
(enkel de levensverzekering is daar een schijnuitzondering op (want
iedereen gaat wel ooit dood, maar hier is het moment waarop onzeker).
Je kan heel je leven premies betalen zonder dat het risico zich voordoet,
bv. nooit een brand maar je hebt wel een brandverzekering.
De premie is de tegenprestatie (betaling) die een verzekeringsnemer aan
de verzekeraar verschuldigd is voor de dekking van risico's.
In principe zijn verzekeraars vrij om hun premie te bepalen. Deze premie
bestaat klassiek uit:
- de zuivere premie
- de onkosten
- een winstmarge van de verzekeraar
- de parafiscale bijdragen
Als er ook een verzekeringstussenkomst is, worden daar de
commissielonen aan toegevoegd. De jaarlijkse verzekeringstaks ligt aan
9,15%.
Qua toestemming en bekwaamheid gelden de algemene regels van het
verbintenissenrecht. Wat het geoorloofd voorwerp betreft, moet dat
bepaald, bepaalbaar zijn en het moet bestaan.
We gaan verder in op iets als we het arrest erover volgende week
bespreken.
Rechten en plichten van de verzekeringsnemer en verzekeraar (p373)
Plichten van de verzekeringsnemer:
Verzekeraars werken vaak met een verzekeringsvoorstel en met een
vragenlijst. De verzekeraar wil weten welk vlees hij in de kuip heeft, hij
kent de verzekerde niet, hij weet dus ook niet wat het risico is dat hij
moet verzekeren en wil dit weten. Hierdoor zegt de verzekeringswet (art.
58 Verzekeringswet) dat er een spontane mededelingsplicht rust op de
verzekeringsnemer. Deze is verplicht bij het sluiten van de overeenkomst
om alle en bekende omstandigheden nauwkeurig mee te delen die hij
redelijkerwijze moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn
op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.
8
,ARRAHMOUNI I. 2025-2026
Analyseren: de verzekeringsnemer moet enkel meedelen wat bekend is en
waarvan hij redelijkerwijze moet aannemen dat ze van invloed kunnen zijn
op de beoordeling van het risico (of wanneer het risico zou veranderen).
De verzekeraar moet er dus niet naar vragen, het moet spontaan worden
meegedeeld door de verzekeringsnemer. Vaak gaat de verzekeraar op safe
willen spelen, waardoor hij een vragenlijst opstelt, maar zelfs dan geldt
nog steeds je spontane mededelingsplicht. Zelfs al zijn niet alle vragen
gesteld die een invloed kunnen hebben op het risico.
Het kan zijn dat in die vragenlijst bepaalde vragen staan die niet worden
beantwoord door de verzekeringsnemer, als de verzekeraar dit zo laat,
dan kan de verzekeraar zich er niet meer op beroepen, op het niet
beantwoorden van de vragen. Het is een zekere vorm van
rechtsverwerking, de verzekeraar sluit het contract toch, hij wordt geacht
zijn recht te hebben verwerkt en kan zich er hierna niet meer op
beroepen.
Een bepaling is maar van belang als er gevolgen of sancties aan zijn
gekoppeld. Wat zijn de sancties als de verzekeringsnemer zijn
mededelingsplicht schendt? Het kan ook zijn dat de verzekeringsnemer
opzettelijk vragen fout beantwoord of dingen verzwijgt. De bewijslast van
de kwade trouw rust bij de verzekeraar. Bv. de vraag is “rookt u?”,
persoon duidt “neen” aan, maar rookt al 40 jaar (opzet is makkelijk te
bewijzen). → in dit geval is de overeenkomst nietig.
Wat als het onopzettelijk was (bv. iets niet zeggen)? Of er is iets onjuist
meegedeeld? De verzekeraar maakt hier een onderscheid tussen:
- Zaken die de verzekeraar ontdekt voordat er een schadegeval heeft
plaatsgevonden (2 mogelijkheden)
o De verzekeraar kan dan bewijzen dat hij het risico nooit zou
hebben gedekt, als hij het had geweten > hij mag de ovk
opzeggen.
o Als hij het niet kan bewijzen > nieuwe ovk met nieuwe
voorwaarden voorstellen aan de verzekeringsnemer, die dan
kan beslissen of hij er wel of niet op ingaat
- Zaken die de verzekeraar ontdekt nadat er een schadegeval heeft
plaatsgevonden
o Als hij kan bewijzen dat hij in die voorwaarden het risico nooit
had gedekt = hij is geen dekking schuldig van het ongeval
o Als hij het niet kan bewijzen (en de verzwijging kan de
verzekeringsnemer niet worden verweten) = hij is tot de
volledige prestatie gehouden
9
, ARRAHMOUNI I. 2025-2026
o Verzwijging de verzekerde wel verweten = verzekeraar
gehouden tot een proportionele prestatie = berekend a.d.h.v.
de verhouding van premie die hij nu heeft betaald tegenover
de premie die hij had moeten betalen als hij het wel had
meegedeeld.
Een zeer genuanceerd sanctiebeleid, maar van belang.
Is er een specifieke (wetsbepaling) behandeling voor medische informatie?
Art. 58 en 61 Verzekeringswet >> medische informatie is heel belangrijk
bij verzekeringen (niet alleen bij een levensverzekering maar bv. ook bij
reisannulatieverzekeringen) en hoe je het kadert.
Altijd de bron, artikel, arrest, auteur etc. (juridische grondslag) geven op
het examen.
Casus: de prof had een reis geboekt, hij kreeg er een gratis
reisannulatieverzekering bij, hij had zeevruchten gekregen bij een etentje
en werd ziek. Hij kon dus niet gaan reizen, maar wilde toch nog verifiëren
wat er in de polis stond. Een van de redenen dat je je reis niet mocht
annuleren (uitgesloten risico) was voedselvergiftiging, hij vertelde de
dokter dit en die schreef dan voor dat hij maagproblemen had (“je bent
als arts nooit zeker van de diagnose, het kan ook iets anders zijn”), hij
kreeg zijn geld terug.
Je medische informatie kan bij alle soorten verzekeringen van belang zijn.
Waarom een specifiek artikel over medische informatie?
Grotendeels omdat er zoiets geldt als beroepsgeheim (gezien bij
strafrecht). Beroepsgeheim is een strafrechtelijke plicht om zaken die
bekend zijn geworden doorheen je functie als arts, advocaat, notaris …
geheim te houden, niet aan derden bekend te maken. Vroeger art. 458
Sw1867, nu art. 352 Sw2024.
Beroepsgeheim speelt een belangrijke rol bij verzekeringen. Normaal
gezien zou je arts deze medische info niet mogen meedelen aan de
verzekeraar, door zijn gebondenheid aan het medisch beroepsgeheim.
Maar heel veel verzekeraars werken met vragenlijsten – bv. bij
levensverzekeringen – en sommige van die vragen zijn zo complex,
moeilijk en medisch, dat de verzekeringsnemers naar de arts gaan en
vragen om dit in te vullen.
Bij bepaalde verzekeringen moet je ook onderzoeken doen (bv. harttesten
bij een schuldsaldoverzekering bij een lening bij de bank). Stel je voor je
hart is slecht, in principe zou een arts zo’n informatie niet mogen delen
(dus de arts mag deze info niet neerschijven op de vragenlijst maar de
verzekeringsnemer mag wel opschrijven wat de arts dicteert), maar de
10