Motorische controle en motorisch leren HFST 1
= ‘de wetenschap die de fysieke, gedragsmatige en neurale kenmerk v bewegen beter tracht
te begrijpen’ – Richard Schmidt
Vragen binnen deze wetenschapstak:
§ Hoe ontstaat menselijk motorisch gedrag?
§ Hoe informatie aangewend om bewegingen te sturen?
§ Op welke manier gebeurt het aanleren v nieuwe motorische taken? (wat verandert er in
het gedrag als er een probleem is bij de hersenen? ... conceptueel bekijken)
Motorische controle <—> Motorisch leren
§ Omvat alle processen (neurofysiologisch, § Omvat de manier waarop intrinsieke en
gedragsmatig en fysiek) die een rol extrinsieke factoren inspelen op de
spelen om te komen tot actie controle v bewegingen
§ Momentopname § Relatief permanente gedrags-
§ Hoe komt beweging tot stand (nu, op dit verandering door ervaring(en)
moment)? § Hoe een beweging(s)patroon
beïnvloed?
Motorische ontwikkeling
§ Veranderingen in motorisch gedrag
§ Processen
Groei
Maturatie
Ervaring
Motorisch gedrag
= het gedrag dat tot stand w gebracht door het uitoefenen v spierkrachten die inwerken op
de ledematen of andere lichaamsdelen
Bv. springen, lopen, gitaar spelen
§ Adaptief
§ Doelgericht , je wil iets bereiken
§ Motorische taken bestaan uit verschillende deeltaken
o Elementaire actie: kan niet opgedeeld worden in componenten, is bouwsteen
voor complexe acties
o Elementaire actie < doelgerichte motorische actie < motorische gedrag
Bv. het zetten ve kop thee: water in de koker, kopje klaarzetten, theezakje nemen, water
inschenken (allemaal elementaire acties)
Motorische equivalentie en motorische fit
§ Een motorische actie is nt hetzelfde als een combinatie v spiercontracties/ bewegingen
§ In verschillende omstandigheden is er een verschillend motorisch gedrag vereist om
dezelfde motorische actie succesvol uit te voeren = motorische fit
Bv. het openen ve deur: verschil in o.a. lichaamslengte —> vereist andere spiercontractie
en bewegingen voor het uitvoeren v dezelfde actie = motorische equivalentie
, Positieve kijk: veelheid v vrijheidsgraden maakt dat we adaptief zijn
Vrijwillige en doelgerichte bewegingen
Vrijwillig, doelgericht gedrag
Bewuste intentie om doel bereiken (adaptief)
Doelgericht
Bv. kindje ziet iets en wilt het hebben → gaat er naar grijpen
Onvrijwillig/ nt bewust gedrag
Gn bewuste intentie (reflexmatige bewegingen -> nt adaptief, wel stereotiep en niet
doelgericht
Bv. pupilreflex: pupil gaat zich aanpassen aan de lichtsterkte → bescherming
Doelgerichte bewegingen:
1. Gericht op het bereiken vh doel
2. Adaptief
3. ‘persistance in response to failure’ (volharding tot het doel bereikt is)
§ Te steunen op:
Interne referentie uit de interne representatie: kijken of we het doel
bereikt hebben en welke aanpassingen we moeten doen wnr het doel
nog nt bereikt is
o Interne representatie door info in CZS of zintuigen
Sensori-motorische principe: zintuigelijke informatie is essentieel voor
het uitvoeren v doelgerichte bewegingen (huidige toestand vergelijken
met de gewenste toestand)
Perceptie = waarnemen v en betekenis geven aan zintuigelijke informatie -> bew
aanpassen aan omstandigheden
Wijze waarop sensorische en motirische processen samengaan om veroorzaken en
controleren
2 extreme standpunten:
o Perifere benadering: feedback uit zintuigen en proprioceptie (spieren en
gewrichten)
o Centrale benadering: bewegingen zijn voorgeprogrammeerd
Hoe komt beweging tot stand?
nadruk CZS
Dynamische Systeem Theorie: verscheidenheid factoren intrinsiek en extrinsiek
Centrale Patroon generatoren (CPG) in ruggenmerg -> cyclische bew
Hoe komt beweging tot stand?
Een beweging start met de intentie om te bewegen. De intentie om te bewegen zet
verschillende neurale processen in gang, die zullen leiden tot fysieke processen zoals het
genereren v spierkrachten door a-vezels te stimuleren.
Samenspel tss spierkrachten, externe en interne krachten die bewegingspatroon
bepalen
Bewegingen omvatten altijd combi v posturale controle en bewegingscontrole
= ‘de wetenschap die de fysieke, gedragsmatige en neurale kenmerk v bewegen beter tracht
te begrijpen’ – Richard Schmidt
Vragen binnen deze wetenschapstak:
§ Hoe ontstaat menselijk motorisch gedrag?
§ Hoe informatie aangewend om bewegingen te sturen?
§ Op welke manier gebeurt het aanleren v nieuwe motorische taken? (wat verandert er in
het gedrag als er een probleem is bij de hersenen? ... conceptueel bekijken)
Motorische controle <—> Motorisch leren
§ Omvat alle processen (neurofysiologisch, § Omvat de manier waarop intrinsieke en
gedragsmatig en fysiek) die een rol extrinsieke factoren inspelen op de
spelen om te komen tot actie controle v bewegingen
§ Momentopname § Relatief permanente gedrags-
§ Hoe komt beweging tot stand (nu, op dit verandering door ervaring(en)
moment)? § Hoe een beweging(s)patroon
beïnvloed?
Motorische ontwikkeling
§ Veranderingen in motorisch gedrag
§ Processen
Groei
Maturatie
Ervaring
Motorisch gedrag
= het gedrag dat tot stand w gebracht door het uitoefenen v spierkrachten die inwerken op
de ledematen of andere lichaamsdelen
Bv. springen, lopen, gitaar spelen
§ Adaptief
§ Doelgericht , je wil iets bereiken
§ Motorische taken bestaan uit verschillende deeltaken
o Elementaire actie: kan niet opgedeeld worden in componenten, is bouwsteen
voor complexe acties
o Elementaire actie < doelgerichte motorische actie < motorische gedrag
Bv. het zetten ve kop thee: water in de koker, kopje klaarzetten, theezakje nemen, water
inschenken (allemaal elementaire acties)
Motorische equivalentie en motorische fit
§ Een motorische actie is nt hetzelfde als een combinatie v spiercontracties/ bewegingen
§ In verschillende omstandigheden is er een verschillend motorisch gedrag vereist om
dezelfde motorische actie succesvol uit te voeren = motorische fit
Bv. het openen ve deur: verschil in o.a. lichaamslengte —> vereist andere spiercontractie
en bewegingen voor het uitvoeren v dezelfde actie = motorische equivalentie
, Positieve kijk: veelheid v vrijheidsgraden maakt dat we adaptief zijn
Vrijwillige en doelgerichte bewegingen
Vrijwillig, doelgericht gedrag
Bewuste intentie om doel bereiken (adaptief)
Doelgericht
Bv. kindje ziet iets en wilt het hebben → gaat er naar grijpen
Onvrijwillig/ nt bewust gedrag
Gn bewuste intentie (reflexmatige bewegingen -> nt adaptief, wel stereotiep en niet
doelgericht
Bv. pupilreflex: pupil gaat zich aanpassen aan de lichtsterkte → bescherming
Doelgerichte bewegingen:
1. Gericht op het bereiken vh doel
2. Adaptief
3. ‘persistance in response to failure’ (volharding tot het doel bereikt is)
§ Te steunen op:
Interne referentie uit de interne representatie: kijken of we het doel
bereikt hebben en welke aanpassingen we moeten doen wnr het doel
nog nt bereikt is
o Interne representatie door info in CZS of zintuigen
Sensori-motorische principe: zintuigelijke informatie is essentieel voor
het uitvoeren v doelgerichte bewegingen (huidige toestand vergelijken
met de gewenste toestand)
Perceptie = waarnemen v en betekenis geven aan zintuigelijke informatie -> bew
aanpassen aan omstandigheden
Wijze waarop sensorische en motirische processen samengaan om veroorzaken en
controleren
2 extreme standpunten:
o Perifere benadering: feedback uit zintuigen en proprioceptie (spieren en
gewrichten)
o Centrale benadering: bewegingen zijn voorgeprogrammeerd
Hoe komt beweging tot stand?
nadruk CZS
Dynamische Systeem Theorie: verscheidenheid factoren intrinsiek en extrinsiek
Centrale Patroon generatoren (CPG) in ruggenmerg -> cyclische bew
Hoe komt beweging tot stand?
Een beweging start met de intentie om te bewegen. De intentie om te bewegen zet
verschillende neurale processen in gang, die zullen leiden tot fysieke processen zoals het
genereren v spierkrachten door a-vezels te stimuleren.
Samenspel tss spierkrachten, externe en interne krachten die bewegingspatroon
bepalen
Bewegingen omvatten altijd combi v posturale controle en bewegingscontrole