Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Verdieping in de ziekteleer (B-KUL-E0G48A)

Rating
-
Sold
-
Pages
194
Uploaded on
18-12-2025
Written in
2025/2026

Dit document is mijn persoonlijke samenvatting van het vak Verdieping in de ziekteleer (B-KUL-E0G48A), gegeven door Katrien De Vusser. Het bevat een overzichtelijke en gestructureerde samenvatting van de theoretische leerstof, gebaseerd op de lessen en gebruikte slides.

Show more Read less
Institution
Course

Content preview

VERDIEPING IN DE ZIEKTELEER
GENETICA

BASISGENETICA

• Verwacht wordt dat genetica een steeds centralere rol zal gaan spelen op alle gebieden van de
geneeskunde en met name in de eerstelijnszorg, naarmate de genetische bijdragen aan
veelvoorkomende aandoeningen meer aandacht krijgen.

GENEN EN HET MENSELIJK GENOOM


STRUCTUUR EN FUNCTIE

• Het gen = basiseenheid van genetische functie. De
chemische basis is het DNA-molecuul.
o DNA bestaat uit een paar strengen van een
suiker-fosfaatruggengraat waaraan een reeks
pyrimidine- en purinebasen is gekoppeld.
Strengen bij elkaar gehouden door
waterstofbruggen tussen adenine- en
thyminebasen en tussen guanine- en
cytosinebasen.
o Strengen vormen samen een dubbele helix.
• Tijdens de DNA-replicatie scheiden de strengen à basenvolgorde van de nieuw gesynthetiseerde
streng wordt bepaald door complementariteit van adenine met thymine en guanine met cytosine
à DNA bevat in zijn structuur informatie nodig voor zijn replicatie.
• Volgorde van basen in DNA levert de code die de structuur van de eiwitten bepaalt.
o Eiwiten bestaan uit ketens van aminozuren à specifieke volgorde van aminozuren
bepaalt unieke eigenschappen van elk eiwit.
o Aminozuurvolgorde van eiwit wordt bepaald door
volgorde van basen in het stuk DNA dat het eiwit
codeert.
o Elk aminozuur wordt in DNA weergegeven door een 3-tal
basen (codon).
o Basenvolgorde van 1 DNA-streng wordt gekopieerd naar
complementair RNA (mRNA) = transcriptie. Het mRNA
wordt op zijn beurt op het ribosoom vertaald naar een eiwit =translatie.
• Sequentie = opeenvolging van elementen, waarbij de volgorde van belang is.
• Triplet van basen= een reeks van drie opeenvolgende basen in het genetische materiaal (DNA).




1

, • Controle genexpressie:
o Genexpressie is sterk gereguleerd:
§ Promotoren en enhancers in het DNA
bepalen of een gen aan of uit staat.
§ Tijdens transcriptie bindt RNA-polymerase
aan de startplaats van het gen en maakt
een RNA-kopie.
§ mRNA krijgt een 5’-cap en vaak een poly-A-
staart, die het molecuul stabiliseren en
helpen bij transport naar het cytoplasma.
§ DNA van genen bestaat vaak uit exons (coderende delen) en introns (niet-
coderende delen). Tijdens de RNA-processing worden introns verwijderd en
exons samengevoegd (splicing).
o Door alternatieve splicing kunnen verschillende eiwitten ontstaan uit één enkel gen. Dit
verhoogt de diversiteit van eiwitten aanzienlijk.


MENSELIJK GENOOM

• De sequencing van het menselijk genoom leverde enkele verrassende inzichten op:
o Het aantal menselijke genen is veel lager dan gedacht: ongeveer 30.000, niet 100.000.
o Slechts ongeveer 5% van het genoom codeert voor eiwitten. Ongeveer de helft bestaat
uit herhalende sequenties zonder coderende functie.
o Sommige genen coderen voor RNA dat niet in eiwitten wordt vertaald, zoals transfer-
RNA, ribosomaal RNA en regulerende RNA’s.
o Genen liggen niet gelijkmatig verspreid, maar in clusters: sommige gebieden zijn rijk aan
genen, andere arm.
• Sequencing= het proces van het combineren van dingen in een bepaalde volgorde, of het
ontdekken van de volgorde waarin ze worden gecombineerd
• Daarnaast werd duidelijk dat variatie in basenvolgorde tussen individuen zeer gebruikelijk is
(=polymorfismen).
o De meest voorkomende zijn single nucleotide polymorphisms (SNPs): veranderingen
van één enkele base.
o SNPs spelen een belangrijke rol bij genmapping en het opsporen van genen die bijdragen
aan complexe eigenschappen en ziekten.


GENMUTATIE

• Een mutatie is een verandering in de DNA-sequentie van een gen. Dit kan leiden tot:
o Verlies van genexpressie,
o Verstoring van regulatie, of
o Een afwijkende eiwitfunctie.
• Soorten mutaties:
o Deleties: verlies van DNA-segmenten, variërend van één base tot een heel gen.
o Inserties: toevoeging van extra DNA.
o Rearrangementen: inversies of translocaties van DNA-segmenten.
o Puntmutaties: verandering van één base.
• Gevolgen van mutaties kunnen zijn:
o Stille mutatie: aminozuur blijft hetzelfde.




2

, o Conservatieve mutatie: een aminozuur wordt vervangen door een chemisch vergelijkbaar
aminozuur.
o Missense mutatie: leidt tot een aminozuurvervanging die de eiwitfunctie verandert.
o Nonsense mutatie: leidt tot een stopcodon en dus voortijdige beëindiging van de
translatie.
o Frameshift: verschuiving in het leesraam door een insertie/deletie die geen veelvoud van
drie basen is, vaak leidend tot inactieve eiwitten.
• Mutaties kunnen ook voorkomen in regulatoire gebieden of introns, waardoor bijvoorbeeld
splicing verstoord wordt. Dit kan leiden tot exon-skip of opname van intronsequenties in het
mRNA.
• Inversie= omkering, translocatie= verplaatsing van een deel van een chromosoom naar een ander
• Stopcodon= specifieke reeks van drie basen in mRNA die het einde van de eiwitsynthese
markeert
• Deletie= verlies van een stukje erfelijk materiaal van een chromosoom, insertie= aanhechting of
invoeging

PATRONEN VAN GENETISCHE OVERERVING

• Een individu erft twee kopieën van elk gen (behalve de genen op de geslachtschromosomen), één
van elke ouder. De kopieën van een bepaald gen heten allelen. Het specifieke paar allelen op een
locus vormt het genotype, en het waarneembare kenmerk dat hieruit voortkomt heet het
fenotype. (Locus= plaats)
o Elke menselijke cel bevat 46 chromosomen: 22 paar autosomen en 2
geslachtschromosomen (XX bij vrouwen, XY bij mannen).


ENKEL-GEN OVERERVING


AUTOSOMAAL RECESSIEF

• Een recessieve eigenschap wordt alleen tot uitdrukking
gebracht wanneer iemand twee gemuteerde allelen erft (één
van elke ouder).
o Persoon is homozygoot voor het gen.
§ Homozygoot = een organisme dat van beide
ouders twee identieke allelen heeft geërfd voor
een bepaaldgen.
o Ouders die ieder één mutant allel dragen zijn dragers
(heterozygoot) en tonen het kenmerk niet (want je moet 2 zieke allelen hebben).
• Twee dragers hebben bij elke zwangerschap 25% kans op een getroffen kind.
• Bv. mucoviscidose


AUTOSOMAAL DOMINANT

• Een dominant kenmerk wordt tot uitdrukking gebracht als
er slechts één mutant allel aanwezig is, ongeacht of de
andere kopie normaal is.
• Een getroffen heterozygote ouder heeft bij elke
zwangerschap 50% kans om het mutant allel door te
geven.



3

, • Komt vaak bij hele families voor.
• Bij veel dominante ziekten zijn de homozygote vormen ernstig of zelfs niet levensvatbaar.
• Auto-inflammatoire aandoeningen (soms met maar 1 ziek gen toch autosomaal dominant ziek,
zonder dat de ouders dit gen hadden – kan een de novo mutatie zijn).
• Penetrantie verwijst naar de mate waarin een specifiek genotype tot expressie komt in het
fenotype van een individu. Het is een belangrijk concept in de genetica dat helpt om te begrijpen
waarom sommige genen mogelijk niet altijd leiden tot de verwachte eigenschappen of
aandoeningen. De penetrantie van een gen kan variëren om verschillende redenen, en deze
variaties kunnen worden onderverdeeld in een aantal factoren:
o Genetische achtergrond : De interactie van een gen met andere genen in het genoom
(epistasis) kan de penetrantie beïnvloeden. Determinanten zoals andere genen die de
expressie van het doelgen kunnen moduleren, spelen een cruciale rol.
o Omgevingsfactoren : De omgeving waarin een individu zich bevindt, zoals dieet,
blootstelling aan toxines of andere externe factoren, kan invloed hebben op de
genexpressie en daardoor op de penetrantie. Bijvoorbeeld, de penetrantie van genen
gerelateerd aan stofwisselingsziekten kan variëren afhankelijk van voedingsgewoonten.
o Leeftijd : Sommige genen kunnen pas op latere leeftijd tot expressie komen. Dit
fenomeen is vaak zichtbaar bij aandoeningen zoals Huntington's ziekte, waar
symptomen meestal pas in de volwassenheid optreden.
§ Penetrantie per leeftijd bv. Huntington: bepaalde repeats à probleem is dat als
het vaak wordt overgeschreven à 1 iemand in de familie kan 40, iemand anders
50 en iemand anders 60 repeats hebben.
o Mosaicisme : In sommige gevallen kan een genotype niet uniform aanwezig zijn in alle
cellen van een individu, wat leidt tot variaties in fenotype en daardoor een lagere
penetrantie.
o Mutaties : Specifieke mutaties in een gen kunnen de functionaliteit ervan beïnvloeden,
wat leidt tot variatie in de penetrantie. Soms kan een wijziging of een combinatie van
wijzigingen in een gen hetEffect van dat gen op het fenotype versterken of verminderen.
• Er zijn verschillende manieren om penetrantie te meten, vaak met behulp van statistische
methoden en gezondheidsstudies. Bij aandoeningen met een dominante overervingseenheid is
het gebruikelijk om penetrantie te kwantificeren door het percentage individuen met het gen die
daadwerkelijk het fenotype vertonen. Dit helpt onderzoekers en clinici om de complexiteit van
genetische aandoeningen beter te begrijpen en maakt het mogelijk om nauwkeuriger
risicobeoordelingen te maken.
• Deze variabiliteit benadrukt de complexiteit van genexpressie en laat zien dat genotypen niet
altijd leiden tot uniforme fenotypen, afhankelijk van verschillende interne en externe factoren.


X-GEBONDEN OVERERVING

• Bij X-gebonden recessieve eigenschappen:
o Mannen (XY) worden getroffen als zij één mutant allel op
hun X-chromosoom erven.
o Vrouwen (XX) zijn meestal draagsters en tonen het
kenmerk niet, omdat het tweede X-chromosoom
compenseert.
o Een draagster moeder geeft de mutatie door aan 50%
van haar zonen (getroffen) en 50% van haar dochters
(draagsters).




4

, o Een aangedane vader geeft de mutatie door aan al zijn
dochters (draagsters) maar niet aan zijn zonen.
• Bij X-gebonden dominante eigenschappen:
o Zowel mannen als vrouwen kunnen getroffen zijn.
o Soms zijn de mutaties dodelijk voor mannen, waardoor alleen
vrouwen de ziekte vertonen.

MUTATIES EN EXPRESSIE

• Mutaties die recessieve ziekten veroorzaken zijn meestal verlies-van-functie-mutaties
(stopcodons, frameshifts, ernstige missense-mutaties).
• Dominante ziekten kunnen ontstaan door zowel verlies-van-functie (wanneer 50% van de
normale hoeveelheid niet genoeg is) als door gain-of-function (te veel activiteit of verkeerde
activiteit van een eiwit).


VARIATIES IN EXPRESSIE

• Zelfs bij dezelfde mutatie kunnen uitingsvormen verschillen:
o Niet-penetrantie: een persoon heeft de mutatie, maar geen symptomen. Dit kan
verklaren waarom een dominante ziekte soms een generatie overslaat.
o Leeftijdsafhankelijke penetrantie: de ziekte ontwikkelt zich pas later in het leven.
o Variabele expressiviteit: dezelfde mutatie kan leiden tot mildere of ernstigere
symptomen bij verschillende personen.
o Anticipatie: sommige ziekten (vaak neurologische) worden ernstiger en beginnen vroeger
bij volgende generaties. Dit wordt veroorzaakt door uitbreiding van herhalende DNA-
sequenties (triplet repeat expansions).


BIJZONDERE OVERERVINGSPATRONEN


IMPRINTING

• Sommige genen zijn geïmprint, wat betekent dat alleen het maternale of paternale allel tot
expressie komt.
o Bij een gemuteerd geïmprint gen hangt het effect dus af van van welke ouder het defecte
allel afkomstig is.


MITOCHONDRIALE OVERERVING

• Mitochondriën hebben hun eigen DNA (mtDNA), dat bijna volledig maternale oorsprong heeft.
o Een moeder geeft mitochondriale mutaties door aan al haar kinderen, komt altijd van de
moeder door.
§ Zoon kan de ziekte hebben, maar zal de ziekte niet doorgeven omdat het weer
van de moeder zal doorgegeven worden.
o Een vader geeft ze nooit door.
o Vaak is er sprake van heteroplasmie: een mengsel van normale en mutante
mitochondriën in één cel. Dit kan leiden tot grote verschillen in ernst van de ziekte, zelfs
binnen dezelfde familie.




5

,MULTIFACTORIËLE OVERERVING

• De meeste zeldzame ziekten worden veroorzaakt door één gen, maar veel veelvoorkomende
ziekten zijn het gevolg van de interactie van meerdere genen en omgevingsfactoren. Dit heet
multifactoriële overerving.
• Voorbeelden: hoge bloeddruk, diabetes, hart- en vaatziekten.
• Kenmerken:
o Familiale clustering: komt vaker voor in families, maar volgt geen strikt Mendeliaans
patroon.
o Tweelingonderzoek: hogere overeenkomst (concordantie) bij identieke tweelingen dan bij
gewone broers/zussen.
o Polygeen model: meerdere genen dragen elk een klein beetje bij aan het risico.
o Drempelmodel: de ziekte komt pas tot uiting wanneer een bepaalde risicodrempel wordt
overschreden.
• Het identificeren van genen die bijdragen aan multifactoriële ziekten kan belangrijke gevolgen
hebben voor diagnostiek en behandeling.

GENETISCHE EPIDEMIOLOGIE

• Het gebruik van genetica in de geneeskunde is grotendeels gebaseerd op het idee van genetische
variatie.
o Aan de ene kant zijn er mutaties die ernstige ziekten veroorzaken, zoals sikkelcelanemie
of cystische fibrose.
o Aan de andere kant zijn er variaties die geen medisch effect hebben, maar die
bijvoorbeeld haarkleur of oogkleur bepalen.
o Daartussen liggen variaties die het risico verhogen op veelvoorkomende aandoeningen
zoals hoge bloeddruk of diabetes.
• Deze varianten komen in verschillende frequenties voor in verschillende bevolkingsgroepen, wat
gedeeltelijk verklaart waarom sommige ziekten vaker voorkomen in bepaalde etnische of
regionale populaties.


ALLELFREQUENTIE EN POLYMORFISME

• De relatie tussen allelfrequentie en genotypefrequentie wordt weergegeven door de Hardy-
Weinberg-vergelijking.
o Voor twee allelen, A en a:
§ Frequentie A = p
§ Frequentie a = q
§ Genotypefrequenties:
• AA = p²
• Aa = 2pq
• aa = q²
o Deze vergelijking maakt het mogelijk om de frequentie van een allel te berekenen op
basis van de ziektefrequentie.
o Bv. cystische fibrose komt voor bij ongeveer 1 op de 2.500 mensen van Noord-Europese
afkomst.
§ q² = 1/2500 → q ≈ 1/50 → dus 1 op de 25 mensen is drager (2pq).
• Een locus heet polymorf als het meerdere allelen kent en het minst voorkomende allel een
frequentie van ≥1% heeft.



6

, • Soorten polymorfismen:
o SNPs (single nucleotide polymorphisms): variatie van één enkele base. Dit is de meest
voorkomende vorm en vaak functioneel relevant, vooral als het in een coderende
sequentie voorkomt.
o Herhalingen: blokken DNA van enkele of honderden basen die meerdere keren
voorkomen, of korte repeats van 2–4 basen. Deze zijn nuttig voor genetische analyses,
maar vaak zonder directe functionele betekenis.


MUTATIE EN SELECTIE

• Genetische variatie is het resultaat van de opeenstapeling van mutaties in de loop van de
evolutie.
o Veel mutaties hebben geen effect, bijvoorbeeld als ze in niet-coderende regio’s
plaatsvinden.
o Sommige zijn dodelijk en verdwijnen dus direct uit de populatie.
o Toch blijven er veel schadelijke mutaties bestaan.
• Verklaringen:
o Balans tussen mutatie en selectie: hoewel mutaties zeldzaam zijn, kan het verlies van
een allel door selectie worden gecompenseerd door nieuwe mutaties.
o Heterozygoot voordeel: soms biedt een mutatie in heterozygote toestand een voordeel,
ook al is de homozygote vorm schadelijk.
§ Bv. sikkelcelanemie.
• Homozygoten (twee mutaties) hebben ernstige anemie.
• Heterozygoten zijn beter beschermd tegen malaria.
o Historische voordelen: mutatie kan in het verleden voordelig zijn geweest, maar in de
huidige omgeving schadelijk.
§ Bv. hemochromatose (ijzerstapelingsziekte), extra ijzeropname was vroeger
nuttig, nu veroorzaakt het toxische schade.


FOUNDER EFFECT

• Sommige mutaties komen vaker voor in specifieke populaties door het stichterseffect.
o Als een kleine populatie ontstaat met één of enkele dragers van een mutatie, kan die
mutatie relatief vaak blijven voorkomen.
o Voorbeelden:
§ Ashkenazi-joden: bepaalde erfelijke ziekten, zoals Tay-Sachs en de ziekte van
Gaucher, komen hier vaker voor door het stichterseffect in combinatie met
culturele huwelijkspraktijken.
§ Amish: omdat deze gemeenschap geïsoleerd is en huwelijken vaak binnen de
groep plaatsvinden, zien we een hogere frequentie van erfelijke aandoeningen
zoals Ellis-van Creveld-syndroom (dwerggroei + hartafwijkingen).
§ Bepaalde Noord-Europese groepen: ook hier zijn specifieke mutaties (zoals bij
cystische fibrose of hemochromatose) vaker aanwezig door beperkte genetische
vermenging in de voorgeschiedenis.




7

,GENETISCHE KOPPELING EN ASSOCIATIE

• Een grote uitdaging is om de ~30.000 menselijke genen te koppelen aan specifieke effecten op
gezondheid en ziekte.
• Koppeling (linkage analysis):
o Genen liggen in een vaste lineaire volgorde op chromosomen.
o Wanneer genen dicht bij elkaar liggen, worden ze meestal samen doorgegeven bij
overerving.
o Recombination events (crossovers) kunnen de koppeling doorbreken.
o Door te analyseren welke DNA-markers samen met een ziekte in families voorkomen,
kan de locatie van een ziektegen worden opgespoord.
o Deze methode is vooral nuttig voor ziekten die worden veroorzaakt door één gen.
• Associatie (association studies):
o Geschikt voor complexe, multifactoriële ziekten.
o Hierbij wordt gekeken of bepaalde genetische varianten vaker voorkomen bij patiënten
dan bij gezonde controles.
o Vaak gaat het om SNP’s in kandidaatgenen (genen waarvan gedacht wordt dat ze
betrokken zijn bij de ziekte).
o Als een variant vaker voorkomt bij zieken, kan dat betekenen:
§ Dat de variant zelf bijdraagt aan de ziekte
§ Dat hij in de buurt ligt van de werkelijke ziekteveroorzakende variant (linkage
disequilibrium).
o Nadeel: vaak zijn de effecten klein, waardoor grote onderzoeksgroepen nodig zijn.
o Toekomst: de mogelijkheid om het hele genoom systematisch te onderzoeken op
associaties (genoom-brede associatiestudies, GWAS).

INFORMATIEBRONNEN

• Het menselijk genoom kan worden gezien als een enorme informatiebron. De 30.000 genen,
meer dan 100.000 eiwitten en hun complexe interacties met elkaar en met metabolieten vormen
een dataset van ongekende omvang. Het begrijpen van deze informatie vereist nieuwe disciplines
zoals bio-informatica.
• Ook in de klinische praktijk is er behoefte aan toegankelijke genetische informatie bij het nemen
van beslissingen. Hieronder staan enkele belangrijke bronnen die openbaar beschikbaar zijn.


OMIM

• Online Mendelian Inheritance in Man.
o Begon in de jaren 1960 als een database en werd lange tijd in boekvorm gepubliceerd.
o Bevat meer dan 10.000 ingangen met informatie over:
§ menselijke genetische eigenschappen,
§ enkel-gen aandoeningen,
§ individuele genen.
o Elke ingang bevat:
§ Een uitgebreide literatuurreview,
§ Een klinische samenvatting,
§ Links naar andere databanken met genetische sequenties, eiwitstructuren en
bekende mutaties.




8

, • Daarnaast is OMIM doorzoekbaar op klinische kenmerken, zodat het kan helpen bij het opstellen
van een genetische differentiaaldiagnose.


GENEREVIEWS

• GeneReviews begon als een directory van genetische testlaboratoria.
o Het laboratoriumgedeelte maakt het mogelijk te zoeken naar klinische of
onderzoeks¬laboratoria die testen aanbieden voor specifieke genetische aandoeningen.
o Daarnaast bevat GeneReviews een groeiend aantal peer-reviewed artikelen met:
beschrijvingen van genetische ziekten, diagnostiek, testmogelijkheden, behandeling,
genetische counseling.
• Ook is er een geïllustreerde woordenlijst opgenomen waarin veel genetische termen (ook die in
het artikel cursief staan) worden uitgelegd.

SAMENVATTING

• Genetica ontwikkelt zich razendsnel van een vakgebied dat ooit aan de randen van de medische
praktijk stond, naar een centraal onderdeel van de geneeskunde.
o Deze overgang zal geleidelijk plaatsvinden, maar vrijwel alle fasen van het medische
besluitvormingsproces zullen in toenemende mate gebruikmaken van genetische en
genomische informatie.
o Een basiskennis van genetica is daarom essentieel voor artsen om deze middelen
verstandig en effectief te gebruiken.
o Naast onderwijs aan toekomstige artsen blijft er een grote uitdaging om ook artsen die nu
in de praktijk werken bij te scholen, zodat zij de komende grote vooruitgangen in de
genetica goed kunnen benutten.

INLEIDING

EVOLUTIE VAN ZIEKTE IN DE WESTERSE WERELD

• WHO (wereldgezondheidsorganisatie):
o Levensverwachting +5 jaar tussen 2010-2015.
§ Snelste ooit.
§ Veroudering (‘vergrijzing van de bevolking’). In de VS is dat niet zo à levenstijl
o Meer en meer geconfronteerd met chronische ziekte
§ Multiepele onderzoeken
§ Multiepele behandelingen
§ Langdurige chemotherapeutische schema’s
§ Pijnproblematiek
§ Maatschappelijke zorg voor minder-valide patiënten
§ Belangrijke lichamelijke-psychische belasting voor patiënten
§ Nieuwe uitdagingen voor het medisch team
• Reactie
o Zorgprogramma’s
o Accreditering
o Multidisciplinaire benadering van problemen
§ Ook ikv toenemende mogelijkheden (vb. levertransplantatieprogramma).
• Veranderde relatie arts-patiënt



9

, o Paternalistisch naar patient-centered model
o Ook hier is een multidisciplinaire (‘holistische’) approach primordiaal
• Basisbegrippen
o Mortaliteit: sterfte binnen een bepaalde periode binnen een bepaalde populatie.
o Morbiditeit:
§ Fractie die lijdt aan bepaalde ziekte
§ Maat voor ‘invaliditeit’ die een ziekte met zich meebrengt
o DALY: disability-adjusted life years (WHO)
§ Aantal mensen dat sterft aan een aandoening + aantal mensen dat mensen
leven met een beperking door ziekte
§ DALY = YLL (Years of Life Lost) + YLD (Years Lived with Disabilities)
§ Vb. psychiatrische ziekte: treft jonge mensen met hoge mortaliteit en
morbiditeit: hoge DALY!!! iemand die suïcide pleegt op jonge leeftijd verliest veel
jaren, iemand die Alzheimer heeft en daar aan sterft, verliest niet veel jaren…
bepaalde ziektebeelden hebben meer impact dan anderen.

• DALY risicofactoren wereldwijd (bron: WHO)




ONTSTAAN EN TYPES VAN ZIEKTE


INFECTIEUS

• Bacterieel
o Eencellig organisme
o Acuut (vb urineweginfectie) 90% van de gevallen of chronisch (vb tuberculose).
o Behandeling hetzij ‘symptomatisch,’ meestal met antibiotica
o Transmissie
§ Aerogeen (vb. Meningokokken)
§ Faeco-oraal (vb. Salmonella)
§ Seksueel (vb. Neisseria gonorrhoe)
o Diagnose door kweken, door detectie van antistoffen in het bloed (serologie: IgM, IgG) of
door antigenen in lichaamsvochten.
§ Kweek: bloedkweek (hemocultuurflessen), urinecultuur, sputumcultuur.
o Bij virale infectie nemen we geen kweken, je kan het onderscheid maken door vragen te
stellen over hoe het komt of beeldvorming.
o Bij transplant patiënten zeker kweek nemen, niet breed spectrum AB… Heel belangrijk!
Zelfs bij UWI.




10

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
December 18, 2025
File latest updated on
January 15, 2026
Number of pages
194
Written in
2025/2026
Type
SUMMARY

Subjects

$15.28
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF


Also available in package deal

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
NurseMasterNotes Katholieke Universiteit Leuven
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
28
Member since
6 months
Number of followers
1
Documents
16
Last sold
1 day ago
The NurseMaster's Notes

Dé ultieme samenvatting voor het Schakeljaar & de Master Verpleegkunde en Vroedkunde Op zoek naar duidelijke, gestructureerde en resultaatgerichte samenvattingen? Ik heb mijn NurseMaster’s Notes volledig zelf ontwikkeld, gebaseerd op de lessen, slides en cursusinhoud, en ik weet uit ervaring precies wat écht belangrijk is voor het examen. Dankzij deze samenvattingen behaalde ik consequent hoge cijfers in eerste zit. Succes!

Read more Read less
3.0

1 reviews

5
0
4
0
3
1
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions