Agro & Biotechnologie: Plant
protection
Iets recenter in de geschiedenis:
1000 v.Chr.: De Ilias en De Odyssee → melding van gebruik van
anorganisch zwavel tegen luizen.
Bijbelse tijd: de 7 plagen van Egypte als vroege beschrijving
van ziekten en plagen in de landbouw/omgeving.
Neolithische revolutie (≈ 10.000 v.Chr.): begin van landbouw
en domesticatie van planten → overgang van jager-
verzamelaar naar boer.
DUS: van oude remedies en mythische plagen naar de
landbouwrevolutie die de basis legde voor ons voedselsysteem.
Natuurlijk ecosysteem:
Heterogeen (veel variatie).
Hoge biodiversiteit (veel soorten planten en dieren).
Lagere dichtheid van één enkele soort.
Planten & dieren leven samen in balans
Soorten verbinden & ondersteunen elkaar
Agrarisch ecosysteem:
Homogeen (weinig variatie, vaak monocultuur).
Hogere dichtheid van gewassoorten (veel van één soort op een klein
oppervlak).
De mens kiest specifieke planten (voor voedsel of veevoer).
Die groeien in grote hoeveelheden op klein oppervlak
(monocultuur).
Gevolg: minder biodiversiteit, meer kwetsbaar voor ziekten en
plagen.
Waarom hebben gecultiveerde planten bescherming nodig?
Ze groeien in een vreemd biotoop (niet hun natuurlijke omgeving).
Ze hebben vaak minder concurrentiekracht en
aanpassingsvermogen.
, Ze zijn aantrekkelijker voor plagen (veel voedsel van één soort
bij elkaar).
Ze staan in een homogeen biotoop (monocultuur → weinig
natuurlijke bescherming).
Waarom gecultiveerde planten kwetsbaarder zijn:
= Veel planten zijn door veredeling veranderd om voor de mens
aantrekkelijker te worden (meer eetbaar, minder bitter, mooier). Maar
daardoor verloren ze soms hun natuurlijke bescherming.
Vb:
1. Haren (morfologisch kenmerk):
o Wilde planten hebben vaak veel haren → beschermen tegen
herbivoren (dieren eten ze minder graag).
o Bij gecultiveerde varianten zijn die haren wegveredeld →
aantrekkelijker voor de mens, maar minder beschermd.
2. Alkaloïden (bitterstoffen, chemische verdediging):
o In wilde planten zorgen ze voor een bittere smaak, waardoor
insecten ze niet eten.
o Maar: mensen lusten bitter minder → dus bij veredeling zijn die
stoffen verminderd of verwijderd.
o Gevolg: planten zijn lekkerder voor de mens, maar ook
kwetsbaarder voor insecten.
Hoe terug minder intensieve landbouw?
1. Mengteelt (twee gewassen samen telen):
Voordelen:
o Meer biodiversiteit.
o Minder plagen en ziekten.
o Sterker ecosysteem.
Nadelen/moeilijkheden:
o Verschillende soorten (monocot/dicot) hebben andere
zaaimomenten, oogsttijden en bemesting nodig.
o Lastiger in een modern agro-systeem.
, 2. Botanisch grasland:
Eerste maaifase: goed voor opbrengst en kwaliteit.
Tweede en derde maaifase: minder goed (lagere kwaliteit).
= DUS: Door mengteelt en botanisch grasland kan landbouw duurzamer
en biodiverser worden, maar de praktische uitvoering (teeltplanning,
maaifasen) blijft uitdagend.
Food Security vs. Food Safety (Geschiedenis & uitdagingen)
1. Food Security (voldoende voedsel)
Na WOII: honger → focus op meer productie.
Groene Revolutie (na 1956): nieuwe technieken, kassen, efficiëntere
landbouw, kunstmest, pesticiden, medicijnen.
Resultaat: meer eten, minder honger, overschotten.
Maar ook veel voedselverlies: van veld tot bord gaat veel verloren.
Consumentenrol: wij bepalen met onze aankopen → wat slecht oogt,
wordt vaak niet gekocht.
2. Food Safety (veilig en duurzaam voedsel)
Altijd een balans nodig met milieu en gezondheid.
De oplossingen van toen veroorzaakten nieuwe problemen:
o Watervervuiling
o Minder biodiversiteit
o Meer broeikasgassen
Focus verschoof naar: gezond voedsel én veilig voor mens en milieu.
= DUS: Eerst was de uitdaging genoeg voedsel (security), nu is de
uitdaging veilig en duurzaam voedsel (safety).
External inputs:
Food security: meer productie → minder honger.
Food safety: maar ook vervuiling, minder biodiversiteit, meer
uitstoot.
protection
Iets recenter in de geschiedenis:
1000 v.Chr.: De Ilias en De Odyssee → melding van gebruik van
anorganisch zwavel tegen luizen.
Bijbelse tijd: de 7 plagen van Egypte als vroege beschrijving
van ziekten en plagen in de landbouw/omgeving.
Neolithische revolutie (≈ 10.000 v.Chr.): begin van landbouw
en domesticatie van planten → overgang van jager-
verzamelaar naar boer.
DUS: van oude remedies en mythische plagen naar de
landbouwrevolutie die de basis legde voor ons voedselsysteem.
Natuurlijk ecosysteem:
Heterogeen (veel variatie).
Hoge biodiversiteit (veel soorten planten en dieren).
Lagere dichtheid van één enkele soort.
Planten & dieren leven samen in balans
Soorten verbinden & ondersteunen elkaar
Agrarisch ecosysteem:
Homogeen (weinig variatie, vaak monocultuur).
Hogere dichtheid van gewassoorten (veel van één soort op een klein
oppervlak).
De mens kiest specifieke planten (voor voedsel of veevoer).
Die groeien in grote hoeveelheden op klein oppervlak
(monocultuur).
Gevolg: minder biodiversiteit, meer kwetsbaar voor ziekten en
plagen.
Waarom hebben gecultiveerde planten bescherming nodig?
Ze groeien in een vreemd biotoop (niet hun natuurlijke omgeving).
Ze hebben vaak minder concurrentiekracht en
aanpassingsvermogen.
, Ze zijn aantrekkelijker voor plagen (veel voedsel van één soort
bij elkaar).
Ze staan in een homogeen biotoop (monocultuur → weinig
natuurlijke bescherming).
Waarom gecultiveerde planten kwetsbaarder zijn:
= Veel planten zijn door veredeling veranderd om voor de mens
aantrekkelijker te worden (meer eetbaar, minder bitter, mooier). Maar
daardoor verloren ze soms hun natuurlijke bescherming.
Vb:
1. Haren (morfologisch kenmerk):
o Wilde planten hebben vaak veel haren → beschermen tegen
herbivoren (dieren eten ze minder graag).
o Bij gecultiveerde varianten zijn die haren wegveredeld →
aantrekkelijker voor de mens, maar minder beschermd.
2. Alkaloïden (bitterstoffen, chemische verdediging):
o In wilde planten zorgen ze voor een bittere smaak, waardoor
insecten ze niet eten.
o Maar: mensen lusten bitter minder → dus bij veredeling zijn die
stoffen verminderd of verwijderd.
o Gevolg: planten zijn lekkerder voor de mens, maar ook
kwetsbaarder voor insecten.
Hoe terug minder intensieve landbouw?
1. Mengteelt (twee gewassen samen telen):
Voordelen:
o Meer biodiversiteit.
o Minder plagen en ziekten.
o Sterker ecosysteem.
Nadelen/moeilijkheden:
o Verschillende soorten (monocot/dicot) hebben andere
zaaimomenten, oogsttijden en bemesting nodig.
o Lastiger in een modern agro-systeem.
, 2. Botanisch grasland:
Eerste maaifase: goed voor opbrengst en kwaliteit.
Tweede en derde maaifase: minder goed (lagere kwaliteit).
= DUS: Door mengteelt en botanisch grasland kan landbouw duurzamer
en biodiverser worden, maar de praktische uitvoering (teeltplanning,
maaifasen) blijft uitdagend.
Food Security vs. Food Safety (Geschiedenis & uitdagingen)
1. Food Security (voldoende voedsel)
Na WOII: honger → focus op meer productie.
Groene Revolutie (na 1956): nieuwe technieken, kassen, efficiëntere
landbouw, kunstmest, pesticiden, medicijnen.
Resultaat: meer eten, minder honger, overschotten.
Maar ook veel voedselverlies: van veld tot bord gaat veel verloren.
Consumentenrol: wij bepalen met onze aankopen → wat slecht oogt,
wordt vaak niet gekocht.
2. Food Safety (veilig en duurzaam voedsel)
Altijd een balans nodig met milieu en gezondheid.
De oplossingen van toen veroorzaakten nieuwe problemen:
o Watervervuiling
o Minder biodiversiteit
o Meer broeikasgassen
Focus verschoof naar: gezond voedsel én veilig voor mens en milieu.
= DUS: Eerst was de uitdaging genoeg voedsel (security), nu is de
uitdaging veilig en duurzaam voedsel (safety).
External inputs:
Food security: meer productie → minder honger.
Food safety: maar ook vervuiling, minder biodiversiteit, meer
uitstoot.