Samenvatting DP
Hoorcollege 1: Fundamentals of developmental psychopathology
Wat is developmental psychopathology?
Developmental psychopathology onderzoekt hoe psychische stoornissen bij kinderen en jongeren ontstaan,
zich ontwikkelen en behandeld kunnen worden (steeds in relatie tot normale ontwikkeling)
Het gaat om intense, frequente of aanhoudende maladaptieve patronen van emoties, cognitie of gedrag die
leiden tot beperkingen in functioneren.
Tegenwoordig spreken we liever over typisch vs atypisch gedrag dan normaal vs abnormaal, om
oordelen te vermijden.
Belangrijke uitgangspunten
Ontwikkeling is dynamisch: kinderen hebben sterke en zwakke kanten die zich uiten bij
leeftijdsgebonden uitdagingen.
Wat als normaal geldt, verschilt per cultuur, gezin en samenleving.
Atypische ontwikkeling kan worden gezien als een verstoring of vertraging binnen een normaal
ontwikkelingsproces.
Leeftijdsgebonden ontwikkelingsuitdagingen
1. Infancy (babyfase) 3. Preschool Period 5. Adolescence (adolecentie)
(kleuterfase)
Belangrijkste uitdaging: Het vormen Belangrijkste uitdaging: Belangrijkste uitdaging: Individuatie (zichzelf
van een veilige en effectieve Zelfregulatie. onderscheiden als individu).
hechting.
Aanvullende uitdagingen: Aanvullende uitdagingen:
Aanvullende uitdagingen: Zelfstandigheid met steun Autonomie in verbinding met anderen.
Regulatie van basisstaat en arousal (agency). Identiteitsontwikkeling.
(slaap, voeding, prikkels). Zelfmanagement. Sociale competentie binnen vriendenkring.
Ontwikkeling van wederkerigheid Vergroting van de sociale Coördineren van school, werk en sociaal leven.
(geven en ontvangen in interacties). wereld.
Dyadische emotieregulatie Internaliseren van regels en
(gezamenlijke regulatie met waarden.
verzorger).
2. Toddler Period (peuterfase) 4. School Years (schooljaren) 6. Transition to Adulthood (overgang naar
volwassenheid)
Belangrijkste uitdaging: Begeleide Belangrijkste uitdaging: Belangrijkste uitdaging: Emancipatie
zelfregulatie. Competentie. (zelfstandig worden en eigen leven vormgeven).
Aanvullende uitdagingen: Aanvullende uitdagingen: Aanvullende uitdagingen:
Toenemende autonomie. Persoonlijke effectiviteit Starten van een levensloop (opleiding, werk,
Groeiende zelfbewustheid en (gevoel iets te kunnen gezin).
bewustzijn van anderen. bereiken). Financiële verantwoordelijkheid.
Bewustzijn van gedragsnormen. Zelfintegratie (gevoel van een Sociale volwassenheid.
Zelfbewuste emoties (zoals samenhangend zelf). Balans vinden tussen werk, opleiding, carrière
schaamte of trots). Competentie in omgang met en privéleven.
leeftijdsgenoten.
Competentie op school.
, Hoe definiëren we typisch vs atypisch gedrag?
1. Statistical deviance: hoe ver gedrag afwijkt van het gemiddelde.
→ probleem: waar ligt de grens?
2. Socioculturele normen: gedrag t.o.v. verwachtingen in de groep.
→ probleem: waarden zijn cultureel bepaald.
3. Mental health criteria: gebaseerd op welzijn en functioneren.
→ probleem: subjectiviteit van experts.
Hoe ontstaat psychopathologie?
Psychopathologie ontwikkelt zich in de context van groei:
Ontwikkeling = continu proces tussen aanpassing en maladaptatie.
Problemen ontstaan door vertragingen, verstoringen of disbalans tussen kind en omgeving.
Continuïteit en stabiliteit
Homotypisch: zelfde symptomen door de tijd (bv. angst blijft angst).
Heterotypisch: symptoom verandert met leeftijd (bv. driftbuien → depressie).
Cumulatief: omgeving bevestigt en bestendigt probleemgedrag.
Verandering blijft mogelijk, maar eerdere ervaringen bepalen wat haalbaar is.
Risico- en beschermende factoren
Risico’s:
Nonspecifiek (armoede, ouderlijke psychopathologie).
Specifiek (verstoord lichaamsbeeld → eetstoornis).
Timing en intensiteit bepalen de impact.
Beschermende/veerkrachtige factoren:
Promotief: bevorderen gezonde ontwikkeling (bv. hoge eigenwaarde).
Protectief: beschermen tegen risico’s (bv. steunfiguren).
Ze werken door:
1. Invloed van risico verminderen.
2. Negatieve kettingreacties doorbreken.
3. Zelfvertrouwen en competentie versterken.
4. Nieuwe kansen openen.
Veerkracht (resilience) is dynamisch en multisystemisch, het komt voort uit interacties tussen kind, gezin,
school en gemeenschap.
Hoe verklaren we psychopathologie? – Theoretische modellen
“All models are wrong, but some are useful.” – George Box
Theorieën helpen om observaties, onderzoek en behandeling te ordenen. Modellen vullen elkaar
aan, ze sluiten elkaar niet uit.
Modellen:
1.Fysiologische model Alle psychologische processen hebben een lichamelijke basis (hersenen, zenuwstelsel).
(Physiological model) Genotype × omgeving: genen beïnvloeden gedrag, maar omgeving bepaalt expressie
(epigenetica).
Neurale plasticiteit: hersenen blijven veranderbaar; ervaringen “verankeren” zich
biologisch.
Sensitieve (kritieke) periodes hebben krachtige en blijvende gevolgen
Behandeling: medicatie, neurobiologische interventies
2.Psychodynamische model Nadruk op onbewuste cognitieve, affectieve en motivationele processen.
(Psychodynamic model) Psychopathologie ontstaat uit onopgeloste innerlijke conflicten of verstoorde relaties.
, Mentale representaties van zelf en anderen bepalen latere relaties (bv. hechtingstheorie,
mentalization).
Behandeling: psychotherapie, speltherapie of mentalization-based therapy gericht op
inzicht en verwerking.
3.Gedrags- en cognitief Gedrag is aangeleerd via conditionering en observatie.
model -Klassieke conditionering: associatief leren (Pavlov).
(Cognitive behavioural -Operante conditionering: gedrag wordt gevormd door beloning en straf (Skinner).
model) -Sociaal leren: leren door observatie en imitatie (Bandura).
Cognitieve modellen richten zich op denkpatronen en informatieverwerking die emoties
en gedrag beïnvloeden.
Behandeling: gedragstherapie of cognitieve gedragstherapie (exposure, herstructurering
van gedachten).
4.Humanistisch/positieve De mens is van nature gemotiveerd tot groei en zelfverwezenlijking.
psychologie model Psychopathologie = belemmering van persoonlijke ontwikkeling of verlies van zelfgevoel.
(Humanistic/Positive Focus op positieve ontwikkeling, kracht, en zingeving i.p.v. stoornissen.
Psychology Models) Behandeling: stimuleren van zelfbewustzijn, persoonlijke groei en veerkracht.
5.Gezins- of systeemmodel Problemen weerspiegelen interactiepatronen in het gezin (niet alleen individuele
(Family Models) stoornis).
Belangrijke factoren: ouderlijke psychopathologie, gezinssamenstelling, opvoedstijl,
warmte/conflict.
Behandeling: systeemtherapie of gezinsinterventies; focus op communicatie, rollen en
relaties.
6.Sociaal-cultureel model Aanpassing of maladaptatie wordt beïnvloed door culturele, maatschappelijke en sociale
(Sociocultural Model) factoren.
Variabelen: geslacht, etniciteit, sociaaleconomische status, cultuurwaarden, discriminatie.
Individuen en cultuur beïnvloeden elkaar wederzijds (microsysteem ↔ macrosysteem).
Behandeling: cultureel sensitieve zorg, aandacht voor context (bv. migratie, armoede,
genderrollen).
Voorbeeld: Bronfenbrenner’s ecologisch model – ontwikkeling vindt plaats in meerdere
omgevingslagen (micro, meso, exo, macro).
Hoe diagnosticeren we psychopathologie?
Classificatie vs Diagnostiek
Classificatie: systeem voor indeling in categorieën.
Diagnose: individu toewijzen aan categorie.
Modellen:
Dimensional model: graduele overgang typisch → klinisch (kwantitatief).
Categorical model: duidelijk onderscheid tussen normaal en stoornis (kwalitatief).
DSM-5
Medisch, beschrijvend, categoriegericht systeem (1952–heden).
Sinds DSM-5 meer aandacht voor continuüm en ontwikkeling.
ICD-11 (WHO) = internationaal alternatief.
ASEBA-systeem (Achenbach)
Dimensioneel: vragenlijsten voor ouders, leerkrachten, kinderen.
Classificatie op basis van statistische patronen → externaliserend vs internaliserend gedrag.
Hoorcollege 1: Fundamentals of developmental psychopathology
Wat is developmental psychopathology?
Developmental psychopathology onderzoekt hoe psychische stoornissen bij kinderen en jongeren ontstaan,
zich ontwikkelen en behandeld kunnen worden (steeds in relatie tot normale ontwikkeling)
Het gaat om intense, frequente of aanhoudende maladaptieve patronen van emoties, cognitie of gedrag die
leiden tot beperkingen in functioneren.
Tegenwoordig spreken we liever over typisch vs atypisch gedrag dan normaal vs abnormaal, om
oordelen te vermijden.
Belangrijke uitgangspunten
Ontwikkeling is dynamisch: kinderen hebben sterke en zwakke kanten die zich uiten bij
leeftijdsgebonden uitdagingen.
Wat als normaal geldt, verschilt per cultuur, gezin en samenleving.
Atypische ontwikkeling kan worden gezien als een verstoring of vertraging binnen een normaal
ontwikkelingsproces.
Leeftijdsgebonden ontwikkelingsuitdagingen
1. Infancy (babyfase) 3. Preschool Period 5. Adolescence (adolecentie)
(kleuterfase)
Belangrijkste uitdaging: Het vormen Belangrijkste uitdaging: Belangrijkste uitdaging: Individuatie (zichzelf
van een veilige en effectieve Zelfregulatie. onderscheiden als individu).
hechting.
Aanvullende uitdagingen: Aanvullende uitdagingen:
Aanvullende uitdagingen: Zelfstandigheid met steun Autonomie in verbinding met anderen.
Regulatie van basisstaat en arousal (agency). Identiteitsontwikkeling.
(slaap, voeding, prikkels). Zelfmanagement. Sociale competentie binnen vriendenkring.
Ontwikkeling van wederkerigheid Vergroting van de sociale Coördineren van school, werk en sociaal leven.
(geven en ontvangen in interacties). wereld.
Dyadische emotieregulatie Internaliseren van regels en
(gezamenlijke regulatie met waarden.
verzorger).
2. Toddler Period (peuterfase) 4. School Years (schooljaren) 6. Transition to Adulthood (overgang naar
volwassenheid)
Belangrijkste uitdaging: Begeleide Belangrijkste uitdaging: Belangrijkste uitdaging: Emancipatie
zelfregulatie. Competentie. (zelfstandig worden en eigen leven vormgeven).
Aanvullende uitdagingen: Aanvullende uitdagingen: Aanvullende uitdagingen:
Toenemende autonomie. Persoonlijke effectiviteit Starten van een levensloop (opleiding, werk,
Groeiende zelfbewustheid en (gevoel iets te kunnen gezin).
bewustzijn van anderen. bereiken). Financiële verantwoordelijkheid.
Bewustzijn van gedragsnormen. Zelfintegratie (gevoel van een Sociale volwassenheid.
Zelfbewuste emoties (zoals samenhangend zelf). Balans vinden tussen werk, opleiding, carrière
schaamte of trots). Competentie in omgang met en privéleven.
leeftijdsgenoten.
Competentie op school.
, Hoe definiëren we typisch vs atypisch gedrag?
1. Statistical deviance: hoe ver gedrag afwijkt van het gemiddelde.
→ probleem: waar ligt de grens?
2. Socioculturele normen: gedrag t.o.v. verwachtingen in de groep.
→ probleem: waarden zijn cultureel bepaald.
3. Mental health criteria: gebaseerd op welzijn en functioneren.
→ probleem: subjectiviteit van experts.
Hoe ontstaat psychopathologie?
Psychopathologie ontwikkelt zich in de context van groei:
Ontwikkeling = continu proces tussen aanpassing en maladaptatie.
Problemen ontstaan door vertragingen, verstoringen of disbalans tussen kind en omgeving.
Continuïteit en stabiliteit
Homotypisch: zelfde symptomen door de tijd (bv. angst blijft angst).
Heterotypisch: symptoom verandert met leeftijd (bv. driftbuien → depressie).
Cumulatief: omgeving bevestigt en bestendigt probleemgedrag.
Verandering blijft mogelijk, maar eerdere ervaringen bepalen wat haalbaar is.
Risico- en beschermende factoren
Risico’s:
Nonspecifiek (armoede, ouderlijke psychopathologie).
Specifiek (verstoord lichaamsbeeld → eetstoornis).
Timing en intensiteit bepalen de impact.
Beschermende/veerkrachtige factoren:
Promotief: bevorderen gezonde ontwikkeling (bv. hoge eigenwaarde).
Protectief: beschermen tegen risico’s (bv. steunfiguren).
Ze werken door:
1. Invloed van risico verminderen.
2. Negatieve kettingreacties doorbreken.
3. Zelfvertrouwen en competentie versterken.
4. Nieuwe kansen openen.
Veerkracht (resilience) is dynamisch en multisystemisch, het komt voort uit interacties tussen kind, gezin,
school en gemeenschap.
Hoe verklaren we psychopathologie? – Theoretische modellen
“All models are wrong, but some are useful.” – George Box
Theorieën helpen om observaties, onderzoek en behandeling te ordenen. Modellen vullen elkaar
aan, ze sluiten elkaar niet uit.
Modellen:
1.Fysiologische model Alle psychologische processen hebben een lichamelijke basis (hersenen, zenuwstelsel).
(Physiological model) Genotype × omgeving: genen beïnvloeden gedrag, maar omgeving bepaalt expressie
(epigenetica).
Neurale plasticiteit: hersenen blijven veranderbaar; ervaringen “verankeren” zich
biologisch.
Sensitieve (kritieke) periodes hebben krachtige en blijvende gevolgen
Behandeling: medicatie, neurobiologische interventies
2.Psychodynamische model Nadruk op onbewuste cognitieve, affectieve en motivationele processen.
(Psychodynamic model) Psychopathologie ontstaat uit onopgeloste innerlijke conflicten of verstoorde relaties.
, Mentale representaties van zelf en anderen bepalen latere relaties (bv. hechtingstheorie,
mentalization).
Behandeling: psychotherapie, speltherapie of mentalization-based therapy gericht op
inzicht en verwerking.
3.Gedrags- en cognitief Gedrag is aangeleerd via conditionering en observatie.
model -Klassieke conditionering: associatief leren (Pavlov).
(Cognitive behavioural -Operante conditionering: gedrag wordt gevormd door beloning en straf (Skinner).
model) -Sociaal leren: leren door observatie en imitatie (Bandura).
Cognitieve modellen richten zich op denkpatronen en informatieverwerking die emoties
en gedrag beïnvloeden.
Behandeling: gedragstherapie of cognitieve gedragstherapie (exposure, herstructurering
van gedachten).
4.Humanistisch/positieve De mens is van nature gemotiveerd tot groei en zelfverwezenlijking.
psychologie model Psychopathologie = belemmering van persoonlijke ontwikkeling of verlies van zelfgevoel.
(Humanistic/Positive Focus op positieve ontwikkeling, kracht, en zingeving i.p.v. stoornissen.
Psychology Models) Behandeling: stimuleren van zelfbewustzijn, persoonlijke groei en veerkracht.
5.Gezins- of systeemmodel Problemen weerspiegelen interactiepatronen in het gezin (niet alleen individuele
(Family Models) stoornis).
Belangrijke factoren: ouderlijke psychopathologie, gezinssamenstelling, opvoedstijl,
warmte/conflict.
Behandeling: systeemtherapie of gezinsinterventies; focus op communicatie, rollen en
relaties.
6.Sociaal-cultureel model Aanpassing of maladaptatie wordt beïnvloed door culturele, maatschappelijke en sociale
(Sociocultural Model) factoren.
Variabelen: geslacht, etniciteit, sociaaleconomische status, cultuurwaarden, discriminatie.
Individuen en cultuur beïnvloeden elkaar wederzijds (microsysteem ↔ macrosysteem).
Behandeling: cultureel sensitieve zorg, aandacht voor context (bv. migratie, armoede,
genderrollen).
Voorbeeld: Bronfenbrenner’s ecologisch model – ontwikkeling vindt plaats in meerdere
omgevingslagen (micro, meso, exo, macro).
Hoe diagnosticeren we psychopathologie?
Classificatie vs Diagnostiek
Classificatie: systeem voor indeling in categorieën.
Diagnose: individu toewijzen aan categorie.
Modellen:
Dimensional model: graduele overgang typisch → klinisch (kwantitatief).
Categorical model: duidelijk onderscheid tussen normaal en stoornis (kwalitatief).
DSM-5
Medisch, beschrijvend, categoriegericht systeem (1952–heden).
Sinds DSM-5 meer aandacht voor continuüm en ontwikkeling.
ICD-11 (WHO) = internationaal alternatief.
ASEBA-systeem (Achenbach)
Dimensioneel: vragenlijsten voor ouders, leerkrachten, kinderen.
Classificatie op basis van statistische patronen → externaliserend vs internaliserend gedrag.