al., 2020)
Hoofdstuk 3 De diagnostische cyclus
Een diagnostische hulpvraag van de cliënt wordt geherformuleerd tot vraagstelling. Door de
vraagstelling op te vatten als onderzoeksvraag legt de diagnosticus een verbinding tussen type
vraagstelling en type (diagnostisch) onderzoek.
Hulpvraag (cliënt) type diagnostische hulpvraag (diagnosticus) type vraagstelling (cliënt en
diagnosticus) type onderzoek (diagnosticus)
Voorbeeld Type vraagstelling Type onderzoek Code
diagnostische
hulpvraag
Hoe moet ik Verheldering Verhelderend VHD
verwoorden wat ik /
dit kind ervaar(t)?
Wat is er met mij/dit Onderkenning Onderkennend ODK
kind aan de hand?
Waarom is dit met Verklaring Verklarend VKR
mij / dit kind aan de
hand?
Hoe kan ik / dit kind Indicatie Indicerend IDC
het best geholpen
worden?
Als er combinaties van hulpvragen voorkomen is er altijd een bepaalde volgorde waarin die
hulpvragen beantwoordt worden diagnostisch scenario
1. Verheldering
2. Onderkenning
3. Verklaring
4. Indicatie
0-scenario: na het verhelderend onderzoek is geen verder onderzoek nodig
1-scenario: 0-scenario uitgebreid met 1 type onderzoek
2-scenario: 0-scenario uitgebreid met 2 typen onderzoek
3-scenario: 0-scenario uitgebreid met 3 typen onderzoek
Onderzoekstype Stap Component Code
(activiteiten die in
deze stap worden
uitgevoerd)
Verhelderend 1 Klachtenanalyse KA
Onderkennend 2 Probleemanalyse PA
Verklarend 3 Verklaringsanalyse VA
Indicerend 4 Indicatieanalyse IA
,Er bestaan verhelderende, onderkennende, verklarende en indicerende hypothesen (voor elke stap).
Bij een ‘hypothesetoetsend model’ wordt in de praktijk vaak een diagnostische werkwijze bedoeld
waarbij verklarend hypothesen worden getoetst.
Het diagnostisch beslissingsproces verloopt over het algemeen cyclisch verschillende stappen
worden herhaald om tot een zekere beslissing te komen.
Bij onvoldoende zekerheid wordt de bron van de onzekerheid achterhaald. Deze bron kan in de
betrokken stap zelf liggen, dan moet die stap herhaald worden. Ligt de bron in een of meerdere van
de voorafgaande stappen, dan moet daar naar worden teruggegaan.
Het onderzoek start bij de aanmelding en eindigt bij het advies.
Aanmelding klachtenanalyse probleemanalyse verklaringsanalyse indicatieanalyse
advies
Waarbij dus elke keer terug kan worden gegaan naar een eerder stap waar nodig, of eventueel een
stap wordt overgeslagen het is niet verplicht een geheel diagnostisch scenario te doorlopen (als
dit niet nodig is).
Klachtanalyse:
- Klachten verzamelen
- Nagaan of verwoording van klachten door cliënt overeenkomt met wat ze daadwerkelijk
bedoelt
- Nagaan met cliënt welke diagnostische hulpvraag reëel is
- Uitkomst: verhelderende diagnose ordening van klachten die door de cliënt
onderschreven en herkend worden en waarop diens hulpvragen betrekking hebben
Klachten: uitspraken die aangeven dat de situatie of het gedrag van de cliënt, of de gevolgen
daarvan, door de cliënt als negatief beleefd worden. Klachten weerspiegelen ervaringen en
belevingen. ‘Geeft aan dat..’; ‘Zich zorgen maken om…’
Problemen: situaties of gedragingen van de cliënt waarover de diagnosticus op empirische of
theoretische gronden kan aannemen dat er sprake is van een voor de cliënt ongunstige toestand
(ontwikkeling van cliënt is of dreigt verstoord te worden). Concreet waarneembare gedragingen.
“Wanneer hij in de rij voor de schommel moet wachten, duwt of bijt hij het kind voor hem.”
Probleemanalyse
- Verband leggen tussen klachten en problemen
- Groeperen en benoemen van problemen
- Taxeren van ernst van de problemen
- Uitkomst: onderkennende diagnose benoeming van probleem/problemen in een
terminologie die door het forum van diagnostici onderschreven kan worden.
Verklaringsanalyse
- Hypothesen genereren
- Empirisch toetsbare voorspellingen herleiden uit hypothesen
- Voorspellingen toetsen
- Integratief beeld opstellen
- Uitkomst: verklarende diagnose één of meerdere condities gelden (met bepaalde mate
van waarschijnlijkheid) als verklaring voor het probleem.
Indicatieanalyse
- Diagnosticus en cliënt formuleren samen een globaal interventiedoel
- Inventariseren van in aanmerking komende typen interventie
, - Kijken wat de alternatieven zijn en het nut van de alternatieven
- Onderzoeken of indicatiecriteria (criteria/aanbevelingen voor interventies) van toepassing
zijn
- Kans van slagen inschatten van mogelijke keuzes
- Uitkomst: indicerende diagnose een lijst van indicaties in de zin van aanbevelingen voor
mogelijke interventies
Klinische cyclus = diagnostische cyclus + therapiecyclus (ook wel: behandelingscyclus)
Therapiecyclus:
- Planning
- Uitvoering
- Beoordeling van het effect
Indicatieanalyse is scharnierpunt tussen diagnose en interventie.
De gehele (klinische) cyclus bevat ook nog een evaluatie.
Alle onderdelen van de cyclus liggen met elkaar in verband bijvoorbeeld: een evaluatie van het
interventie-effect is eveneens een evaluatie van de diagnostiek het advies (de uitkomst van de
diagnostische cyclus) heeft de vorm van een voorwaardelijke voorspelling die middels een correct
uitgevoerd interventie op zijn geldigheid getoetst kan worden.
Pas als de verklarende diagnose en de indicerende diagnose correct gesteld zijn, kan
beoordeeld worden of de interventie effectief is; pas als de interventie correct uitgevoerd is,
kan beoordeeld worden of de voorafgaande diagnosen correct gesteld waren.
Klinisch oordeel: oordeel die op grond van eigen overwegingen tot stand komt en niet door
empirische evidentie of statisch-methodologische interpretatie. Kan leiden tot een vertekend
oordeel.
De volgende heuristieken (cognitieve vuistregels) kunnen een rol spelen in de diagnostische cyclus:
Heuristiek Wat is het? Fase in DC waar het voor kan
komen
Causale (actor-observator) De persoon die handelt (actor) KA, VA, IA
attributie verklaart zijn gedrag doorgaans
vanuit externe, situationele
omstandigheden, terwijl de
observator het handelen van
de actor verklaart vanuit
interne, stabiele disposities.
Gedragsconfirmatie Het door eigen gedag (van de KA, Pa, VA
diagnosticus) uitlokken van
informatie die de eigen
denkbeelden ondersteunt (bijv.
instemmend knikken als cliënt
iets vertelt wat hoort bij een
angststoornis).
Beschikbaarheid Beschikbaarheid van PA, VA, IA
(theoretische) kennis over
bepaald verschijnsel, zorgt
ervoor dat diagnosticus zich
sneller richt op dat verschijnsel
en voorbeelden daarbij
bedenkt