Hoofdstuk 2 – Ethiek: een terreinverkenning...............................................2
Hoofdstuk 3 – Traditionele benaderingen van ethiek...................................6
Hoofdstuk 4 – Nieuwe benaderingen van ethiek..........................................9
Hoofdstuk 5 – Integriteit.............................................................................12
Hoofdstuk 6 – Ons morele gedrag in de praktijk........................................16
Hoofdstuk 7 – Moreel redeneren................................................................21
Hoofdstuk 12 – Ethiek en fiscaliteit............................................................26
Hoofdstuk 13 – Beroepscontext.................................................................30
,Hoofdstuk 2 – Ethiek: een terreinverkenning
2.1 Inleiding
Voor een (aankomend) financieel professional die zich met ethiek bezig
moet houden, dringen zich drie kernvragen op.
- Ten eerste: wat verstaan we precies onder ethiek? Iedereen heeft
daar een intuïtief beeld bij, maar precieze afbakening is belangrijk.
- Ten tweede: is ethiek wel relevant in een markteconomie, waarin
ondernemingen en mensen in de eerste plaats gedreven worden
door economische motieven?
- En ten derde: in welke mate moet een financieel professional zich
werkelijk zorgen maken over ethiek? Met welke situaties krijgt hij te
maken waarin morele vragen onvermijdelijk zijn, en is het dan nuttig
om over meer kennis te beschikken?
Deze drie vragen vormen de structuur van dit hoofdstuk. Eerst wordt
toegelicht wat ethiek inhoudt en waarom het een lastig vakgebied is (2.2).
Daarna volgt de verhouding tussen economie en ethiek (2.3). Tot slot
wordt ingegaan op de specifieke positie van de financieel professional
(2.4).
2.2 Ethiek – wat is dat?
2.2.1 Casus: twijfel bij de assistent-controller
Ethiek houdt zich niet bezig met feiten – zoals of een transactie werkelijk
heeft plaatsgevonden – maar met de normatieve vraag: wat zou ik moeten
doen? Dat blijkt uit een casus: een assistent-controller ontdekt mogelijke
corruptie bij een treasurer, maar wordt door zijn leidinggevende
ontmoedigd dit te melden. De feiten zijn het terrein van bijvoorbeeld
accountants of opsporingsinstanties; de vraag wat je in zo’n situatie
behoort te doen, is een ethische vraag.
2.2.2 Smal en breed begrip van ethiek
Ethiek kan smal of breed worden opgevat. In de smalle betekenis draait
het om de vraag hoe je behoort te handelen en hoe mensen met elkaar
moeten omgaan. Daarbij staat het rekening houden met de belangen van
anderen centraal. In de brede betekenis gaat het om de vraag wat voor
mens je wilt zijn, en hoe je een goed en zinvol leven kunt leiden.
2.2.3 Ethiek, moraal en moraliteit
Het is nuttig onderscheid te maken tussen moraal en ethiek. Moraal
verwijst naar de verzameling van waarden en normen die een individu of
gemeenschap daadwerkelijk hanteert. Ethiek daarentegen is de
systematische studie van die moraal en de rechtvaardiging van morele
,regels. Het begrip moraliteit wordt in dit boek als synoniem voor moraal
gebruikt.
2.2.4 De eerste kernvraag: wat is de morele norm?
Binnen de ethiek staat allereerst de vraag centraal: wat is de morele
norm? Op grond waarvan bepalen we of een handeling goed of fout is?
Voor sommige zaken bestaat brede consensus (liegen, bedriegen,
frauderen zijn verkeerd), maar in veel gevallen zijn normen betwist of
botsen morele plichten met elkaar. Sartre illustreerde dit met de keuze
tussen het leger ingaan om het vaderland te verdedigen, of thuisblijven
om voor je moeder te zorgen. Ook in de praktijk van de financieel
professional kunnen zulke dilemma’s spelen, zoals de vraag of een
assistent-controller een vermoeden van fraude moet melden, ook al zet hij
daarmee zijn baan en gezin op het spel.
Een veelgebruikt antwoord is dat we ons laten leiden door onze morele
intuïties – een soort innerlijke kennis die ontstaat door levenservaring en
reflectie. Filosofen zoals Plato en Taylor benadrukten dat deze intuïties een
belangrijke toegang vormen tot het goede. Het bezwaar is echter dat
intuïties subjectief zijn; ze leiden niet automatisch tot wederzijds begrip bij
meningsverschillen. Daarom zijn ook argumenten en methoden nodig om
morele oordelen te verantwoorden.
2.2.5 De tweede kernvraag: waarom moreel gedrag?
De tweede centrale vraag is: waarom zou iemand zich moreel gedragen?
Kohlberg onderzocht hoe het morele besef zich ontwikkelt en
onderscheidde drie niveaus
- het preconventionele niveau (gericht op beloning en straf,
eigenbelang),
- het conventionele niveau (gericht op de groep en de wet),
- het postconventionele niveau (gebaseerd op eigen, bewust gekozen
principes).
Niet iedereen bereikt het hoogste niveau, en onder druk vallen mensen
vaak terug. Toegepast op organisaties helpt dit model verklaren waarom
iemand bijvoorbeeld geen valse declaratie indient: uit angst voor straf
(niveau 1), omdat het niet past binnen de groep of de wet (niveau 2), of
omdat het strijdt met zijn eigen principes (niveau 3).
2.3 Ethiek en onze markteconomie
Een cruciale vraag is hoe ethiek zich verhoudt tot een economie waarin
winstmaximalisatie vaak de dominante drijfveer is. Het klassieke debat
gaat tussen de shareholderbenadering en de
stakeholderbenadering. Milton Friedman stelde dat ondernemingen
, maar één sociale verantwoordelijkheid hebben: het maken van winst voor
aandeelhouders, zolang ze binnen de wet blijven en geen fraude plegen. In
deze benadering is eigenbelang de kern van economisch handelen.
Daartegenover staat Edward Freeman met zijn stakeholderbenadering.
Volgens hem moet een onderneming rekening houden met de belangen
van alle stakeholders, dus ook werknemers, klanten en de samenleving.
Dit past beter bij de notie dat ethiek gaat om het meewegen van
andermans belangen. Schandalen zoals Enron en de Volkswagen-
dieselzaak laten zien dat een eenzijdige focus op winst grote
maatschappelijke schade kan veroorzaken.
Schwartz en Carroll onderscheiden drie verantwoordelijkheden van
ondernemingen:
1. Economische verantwoordelijkheid: waarde creëren voor de
aandeelhouder. Hierbij speelt reputatie een sleutelrol: bedrijven
investeren in hun reputatie omdat dit aandeelhouders, klanten en
werknemers aantrekt. Reputatiemanagement werkt echter alleen als
gedrag en communicatie overeenstemmen. Window dressing leidt
onvermijdelijk tot reputatieschade.
2. Juridische verantwoordelijkheid: naleving van de wet. Dit kan
passief zijn (toevallig in lijn met de wet), restrictief (onder druk van
wetgeving) of opportunistisch (gebruikmaken van mazen en
jurisdicties; formeel legaal maar strijdig met de geest van de wet).
Het fiscale domein is een klassiek voorbeeld. Wetgeving biedt
houvast, maar kan nooit alle situaties afdekken en loopt vaak achter
de feiten aan.
3. Morele verantwoordelijkheid: rekening houden met belangen van
alle stakeholders, direct en indirect, in het heden en in de toekomst.
Dit vormt de kern van maatschappelijk verantwoord ondernemen.
De conclusie is dat ethiek onmisbaar is in de markteconomie. Bedrijven
hebben, ook zonder juridische dwang, een morele plicht om zich
fatsoenlijk te gedragen. Het idee van de Triple Bottom Line (People,
Planet, Profit) benadrukt dat duurzame bedrijfsvoering altijd een
combinatie van economische, sociale en ecologische verantwoordelijkheid
inhoudt.
2.4 Ethiek en de financieel professional
De financieel professional (accountant, controller, fiscaal adviseur of
financieel adviseur) werkt in een context waarin morele dilemma’s
structureel aanwezig zijn. Een accountant bijvoorbeeld dient in het
maatschappelijk verkeer zekerheid te geven over de betrouwbaarheid van
financiële cijfers. Zijn primaire verantwoordelijkheid is dus publieke