1. Welke stelling over immunosuppressiva is fout?
A. Sirolimus is een antagonist van mTOR
B. Cyclosporine is een Calcineurine inhibitor
C. Infliximab is een IL-2 receptor antagonist
D. ?
Oplossing:
A. Correct: Sirolimus (rapamycine) remt mTOR.
B. Correct: Cyclosporine remt calcineurine.
C. Fout: Infliximab is een TNF-α antagonist, niet IL-2 receptor antagonist.
👉 Antwoord: C is fout.
2. Welke stelling over Domperidon is fout?
A. Domperidon is een D2 antagonist
B. Een nevenwerking van Domperidon is EPS
C. Domperidon heeft geneesmiddelinteracties met anticholinergica
D. Domperidon werkt gastroprokinetisch
Oplossing:
A. Correct.
B. Fout – Domperidon gaat niet door de bloed-hersenbarrière → minder
EPS.
C. Correct.
D. Correct.
👉 Antwoord: B is fout.
3. Welke stelling is juist? (CYP interacties & farmacokinetiek)
A. Het verdelingsvolume gaat stijgen als de dosis stijgt
B. Als de klaring van twee stoffen gelijk is dan gaat de stof met het hoogste
verdelingsvolume de laagste halfwaardetijd hebben
C. Als een geneesmiddel bindt aan een plasma-eiwit dan gaat het sneller
hepatisch geklaard worden
D. De eerste orde kinetiek van een geneesmiddel is onafhankelijk van de dosis
Oplossing:
A. Niet correct: verdelingsvolume is een parameter die niet per se
toeneemt met dosis.
B. Fout: Hoger Vd betekent langzamere eliminatie → hogere
halfwaardetijd.
C. Fout: Gebonden medicatie wordt minder snel geklaard.
, D. Correct: bij eerste orde kinetiek is de klaring proportioneel aan de
dosis.
👉 Antwoord: D is juist.
4. Er is een antagonist A en een agonist B met pA2 van 8. Wat is juist?
A. EC50 van B gaat verlagen bij toevoegen van 10µM A
B. EC50 van B gaat verhogen bij toevoegen van 10µM A
C. pA2 van B gaat verlagen bij toevoegen van A
D. pA2 van B gaat verhogen bij toevoegen van A
Oplossing:
Een antagonist verhoogt de EC50 van de agonist (je hebt meer agonist
nodig). 👉 Antwoord: B is juist.
5. Wat is juist? (signaaltransductie)
A. Tyrosine kinase → guanylyl cyclase → stijging cAMP
B. Fosfolipase C → IP3 → stijging intracellulair calcium
C. PDE3 → stijging van cAMP
D. ?
Oplossing:
A. Fout: guanylyl cyclase → cGMP, niet cAMP.
B. Correct.
C. Fout: PDE3 breekt cAMP af. 👉 Antwoord: B is juist.
6. Welke stelling over digoxine is FOUT?
A. Plasmaconcentratie daalt bij combinatie met amiodaron
B. Digoxine inhibeert de Na+/K+ pomp
C. Digoxine verlaagt hartfrequentie
D. Intoxicatie kan bigeminie veroorzaken
Oplossing:
A. FOUT: Amiodaron inhibeert P-gp, dus hogere digoxineconcentratie.
👉 Antwoord: A is fout.
7. Welke stelling rond diuretica is FOUT?
A. Thiaziden werken thv proximale tubulus
B. Kaliumsparende diuretica werken thv verzamelbuizen
C. Lisdiuretica samen met spironolacton bij ascites
D. Amiloride blokt Na+ kanalen
Oplossing:
, A. Fout: thiaziden werken distale tubulus, niet proximale.
👉 Antwoord: A is fout.
8. Welke stelling rond anti-aritmica is FOUT?
A. Disopyramide verkort de duur van actiepotentiaal
B. Amiodaron verlengt de duur
C. Flecainide is negatief inotroop
D. Verapamil is negatief chronotroop
Oplossing:
A. Fout – Disopyramide verlengt actiepotentiaal (klasse IA). 👉
Antwoord: A is fout.
9. Wat is NIET juist?
A. Thiaziden zorgen voor verlies van Ca, Mg, K
B. Hypochloor is vasodilatator
C. Sartaan → hyperkaliëmie
D. Verapamil → lage cardiale output
Oplossing:
A. Fout: Thiaziden behouden calcium, verlies Mg en K. 👉 Antwoord: A
is niet juist.
10. Wat is niet juist? (levodopa)
A. Levodopa + metoclopramide voor perifere effecten
B. Levodopa mag samen met selegiline
C. Levodopa voor rigiditeit en tremor
Oplossing:
B. Niet juist: combinatie met MAO-B remmers zoals selegiline moet
voorzichtig → kans op hypertensieve crisis. 👉 Antwoord: B is fout.
11. Wat is niet juist? (dihydropyridines)
A. Werken op T-type calciumkanalen
B. Mogen bij stabiele angina
C. Zorgen voor enkeloedeem
D. Amlodipine → reflectoire tachycardie
Oplossing:
A. Fout: werken op L-type calciumkanalen. 👉 Antwoord: A is fout.
12. Wat is NIET juist? (bromocriptine/sumatriptan)
A. Sirolimus is een antagonist van mTOR
B. Cyclosporine is een Calcineurine inhibitor
C. Infliximab is een IL-2 receptor antagonist
D. ?
Oplossing:
A. Correct: Sirolimus (rapamycine) remt mTOR.
B. Correct: Cyclosporine remt calcineurine.
C. Fout: Infliximab is een TNF-α antagonist, niet IL-2 receptor antagonist.
👉 Antwoord: C is fout.
2. Welke stelling over Domperidon is fout?
A. Domperidon is een D2 antagonist
B. Een nevenwerking van Domperidon is EPS
C. Domperidon heeft geneesmiddelinteracties met anticholinergica
D. Domperidon werkt gastroprokinetisch
Oplossing:
A. Correct.
B. Fout – Domperidon gaat niet door de bloed-hersenbarrière → minder
EPS.
C. Correct.
D. Correct.
👉 Antwoord: B is fout.
3. Welke stelling is juist? (CYP interacties & farmacokinetiek)
A. Het verdelingsvolume gaat stijgen als de dosis stijgt
B. Als de klaring van twee stoffen gelijk is dan gaat de stof met het hoogste
verdelingsvolume de laagste halfwaardetijd hebben
C. Als een geneesmiddel bindt aan een plasma-eiwit dan gaat het sneller
hepatisch geklaard worden
D. De eerste orde kinetiek van een geneesmiddel is onafhankelijk van de dosis
Oplossing:
A. Niet correct: verdelingsvolume is een parameter die niet per se
toeneemt met dosis.
B. Fout: Hoger Vd betekent langzamere eliminatie → hogere
halfwaardetijd.
C. Fout: Gebonden medicatie wordt minder snel geklaard.
, D. Correct: bij eerste orde kinetiek is de klaring proportioneel aan de
dosis.
👉 Antwoord: D is juist.
4. Er is een antagonist A en een agonist B met pA2 van 8. Wat is juist?
A. EC50 van B gaat verlagen bij toevoegen van 10µM A
B. EC50 van B gaat verhogen bij toevoegen van 10µM A
C. pA2 van B gaat verlagen bij toevoegen van A
D. pA2 van B gaat verhogen bij toevoegen van A
Oplossing:
Een antagonist verhoogt de EC50 van de agonist (je hebt meer agonist
nodig). 👉 Antwoord: B is juist.
5. Wat is juist? (signaaltransductie)
A. Tyrosine kinase → guanylyl cyclase → stijging cAMP
B. Fosfolipase C → IP3 → stijging intracellulair calcium
C. PDE3 → stijging van cAMP
D. ?
Oplossing:
A. Fout: guanylyl cyclase → cGMP, niet cAMP.
B. Correct.
C. Fout: PDE3 breekt cAMP af. 👉 Antwoord: B is juist.
6. Welke stelling over digoxine is FOUT?
A. Plasmaconcentratie daalt bij combinatie met amiodaron
B. Digoxine inhibeert de Na+/K+ pomp
C. Digoxine verlaagt hartfrequentie
D. Intoxicatie kan bigeminie veroorzaken
Oplossing:
A. FOUT: Amiodaron inhibeert P-gp, dus hogere digoxineconcentratie.
👉 Antwoord: A is fout.
7. Welke stelling rond diuretica is FOUT?
A. Thiaziden werken thv proximale tubulus
B. Kaliumsparende diuretica werken thv verzamelbuizen
C. Lisdiuretica samen met spironolacton bij ascites
D. Amiloride blokt Na+ kanalen
Oplossing:
, A. Fout: thiaziden werken distale tubulus, niet proximale.
👉 Antwoord: A is fout.
8. Welke stelling rond anti-aritmica is FOUT?
A. Disopyramide verkort de duur van actiepotentiaal
B. Amiodaron verlengt de duur
C. Flecainide is negatief inotroop
D. Verapamil is negatief chronotroop
Oplossing:
A. Fout – Disopyramide verlengt actiepotentiaal (klasse IA). 👉
Antwoord: A is fout.
9. Wat is NIET juist?
A. Thiaziden zorgen voor verlies van Ca, Mg, K
B. Hypochloor is vasodilatator
C. Sartaan → hyperkaliëmie
D. Verapamil → lage cardiale output
Oplossing:
A. Fout: Thiaziden behouden calcium, verlies Mg en K. 👉 Antwoord: A
is niet juist.
10. Wat is niet juist? (levodopa)
A. Levodopa + metoclopramide voor perifere effecten
B. Levodopa mag samen met selegiline
C. Levodopa voor rigiditeit en tremor
Oplossing:
B. Niet juist: combinatie met MAO-B remmers zoals selegiline moet
voorzichtig → kans op hypertensieve crisis. 👉 Antwoord: B is fout.
11. Wat is niet juist? (dihydropyridines)
A. Werken op T-type calciumkanalen
B. Mogen bij stabiele angina
C. Zorgen voor enkeloedeem
D. Amlodipine → reflectoire tachycardie
Oplossing:
A. Fout: werken op L-type calciumkanalen. 👉 Antwoord: A is fout.
12. Wat is NIET juist? (bromocriptine/sumatriptan)