Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Class notes

Samenvatting Onderzoekspracticum 1

Rating
-
Sold
-
Pages
23
Uploaded on
05-01-2021
Written in
2020/2021

Samenvatting boek en colleges Onderzoekspracticum 1

Institution
Course

Content preview

1. Wetenschappelijk onderzoek
Wat is wetenschappelijk?
- Systematisch: dit betekent dat er goed over nagedacht is
- Navolgbaar: zijn de stappen goed gerapporteerd en volgend in wat er gedaan is
- Kritisch: niet alleen kijken of er eerder onderzoek naar gedaan is, maar ook kritisch
kijken naar het eigen onderzoek. Is er een bepaalde relatie etc. Je moet kritisch kunnen
kijken naar je bevindingen. Iedereen heeft namelijk altijd een mening ergens over.

Doelen van een onderzoek: patronen en fenomenen
- Beschrijven: wat is er aan de hand en hoe is de verdeling op een bepaald kenmerk.
- Voorspellen: Zijn er twee dingen die gelijktijdig voorkomen. Een relatie leggen met
een ander kenmerk. Bijvoorbeeld SES en stemmen welke politieke partij.
- Verklaren: veroorzaakt het een het ander? In dit deel ga je op zoek naar de oorzaken
waarom iets zo is.

 Theorieën ontwikkelen en toetsen. Alle 3 zijn de doelen even belangrijk en hebben ze hun
doel. Je kan niet verklaren zonder iets te kunnen beschrijven.

Soorten onderzoek:
1. Beschrijvend: kijken naar wat er bestaat in een bepaalde groep
2. (cor)relationeel: relaties, komen ze tegelijk voor.
3. Experimenteel: verklaren: oorzaak van bepaald gedrag. Twee groepen moeten
hetzelfde zijn. Je manipuleert een variabele om iets te onderzoeken. Indeling van
groepen gaat volledig op toeval.
4. Quasi-experimenteel: Je kunt niet random mensen in groepen verdelen (rokende
jongeren). Heel moeilijk hierbij om goede conclusies te trekken. Je hebt te maken met
structurele verschillen.
 3&4 hebben beide hetzelfde doel, maar bij drie heb je veel beter een oorzaak gevolg om te
vertellen en bij 4 meer variabele. Dat weet je vaak al van tevoren.

Niet elke methode kan je gebruiken voor een onderzoek. Oorzaken kan alleen met een
experimenteel onderzoek.

Het is belangrijk niet altijd alleen naar de conclusie te kijken, maar ook vooral naar de
methode/opzet van een onderzoek.

Definities:
- Conceptuele definitie: wat betekent iets theoretisch gezien
- Operationele definitie: hoe meet je iets?

Begrip zoals bedoeld (je wilt iets meten)  operationalisatie  begrip zoals bepaald.
Als je het goed doet kunnen ze veel op elkaar lijken. Hierin worden vaak veel fouten gemaakt.

Hoe werkt sociale wetenschap?
- Theorie: combinatie van ideeën over de werkelijkheid.
- Hypothese: toetsbare afgeleide van theorie: idee afgeleid uit de theorie die je wilt gaan
toetsen.

,Bewijzen van de theorie is logisch onmogelijk. Je kunt altijd iets missen. Falsificeren van de
theorie is logisch mogelijk, maar praktisch onmogelijk. Je kunt het niet bewijzen maar ook
niet bewijzen of het niet waar is. Manier om te meten is lastig.

Van elke theorie kun je verschillende hypotheses afleiden. Je kunt niet definitief ontkrachten.
Wel door 1 tegenvoorbeeld. Het probleem is dat er vaak meerdere factoren zijn. We hebben
vaak een meetinstrument gebruikt, maar vaak kan je daar altijd fouten mee maken. Is niet
precies. Daarom kan je niet precies weten en kan je iets ontkrachten. Je maakt fouten als je
meet.

- Wanneer hebben we voldoende bewijs? Herhaald onderzoek. Steeds opnieuw dezelfde
dingen onderzoeken en als er steeds hetzelfde antwoord komt is het aannemelijk dat
iets ook zo is. Herhaald onderzoek werkt niet als je elke keer een ander antwoord
krijgt. Lastige positie want herhaald onderzoek is nodig, maar tijdschriften willen vaak
nieuwe dingen. Precies hetzelfde onderzoek doen is vaak ook moeilijk door de
omgeving en omstandigheden.

Onderzoek in de praktijk:
- Vragen: onderzoeksvraag waarover je iets wilt weten
- Theorie, hypothesen: hoe kan ik die vraag onderzoeken
- Ontwerpen
- Meten en analyseren
- Concluderen.
Welke methode je kiest verschilt. De stappen zijn altijd hetzelfde.

Opzet artikel schrijven:
- Inleiding: literatuuroverzicht (wat is er al bekent), onderzoeksvragen (revelantie) en
hypothesen (koppeling wat al bekent is en wat ga je doen.
- Methoden: steekproefbeschrijving (wat gedaan, hoe benaderen), procedure,
meetinstrumenten voor elke variabele, analysemethoden.
- Resultaten: uitkomsten van analyses, geen gevolgtrekkingen nog
- Discussie: algemene samenvatting/conclusie, link naar literatuur, beperkingen
onderzoek (sterke en minder sterke punten), suggesties vervolg onderzoek, implicaties
voor de praktijk (hoe belangrijk is dit voor de praktijk.

, 2. Meten van variabelen
Wat gaan we meten?
- Variabele  kenmerk dat je meet in een onderzoek en dat varieert.
- Typen variabelen: onafhankelijk (oorzaak), afhankelijk (gevolg), onderscheid is niet
altijd te maken
- Samengestelde variabele: theoretisch interessant

Meetniveaus: wat zijn de kenmerken van de variabele en wat kun je ermee.
Niveau Vaste volgorde Gelijke afstanden Absoluut nulpunt
Nominaal - - -
Ordinaal + - -
Interval + + -
Ratio + + +

Nominaal: deel mensen in groepen. Geen vaste volgorde. Iets is niet groter of beter
Ordinaal: wel een volgorde, maar de afstand kan variëren (bijv opleiding).
 dit zijn categorische variabele. Hierbij kan je wel getallen gebruiken maar dat zijn labels

Interval: bijvoorbeeld temperatuur. Vaste volgorde, gelijke afstanden, absoluut nulpunt
Ratio: bijvoorbeeld leeftijd. Hiermee kan je alle berekeningen doen. Er is geen negatief. Het
punt waar 0 ligt is ook echt niks. Iemand bestaat niet of er is geen leeftijd. Iets kan niet
negatief zijn bij ratio.
 dit zijn numerieke variabele: getallen die echte getallen representeren en waar je mee kunt
rekenen.

- Discreet: categorieën waar niets tussen zit (opleidingen of hoeveelheid kinderen). Je
kan niet 1,5 kind hebben.
- Continu: in theorie oneindig aantal waarden mogelijk (leeftijd)
 variabele altijd discreet gemeten (soms continu van aardig). Discreet is niet hetzelfde
als categorisch.
- Absoluut meetniveau: tellingen.

Grafieken en tabellen:
- Histogram (continu/numerieke variabele), staafdiagram (ordinaal/nominaal),
taartdiagram, stemplot, boxplot etc.
- Wanneer gebruik je welk type? Dat is afhankelijk van het meetniveau en de vorm van
de verdeling. Is iets symmetrisch, scheef en zijn er eventueel uitbijters?

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
January 5, 2021
Number of pages
23
Written in
2020/2021
Type
Class notes
Professor(s)
M.linting
Contains
All classes

Subjects

$8.38
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Get to know the seller
Seller avatar
charlottekolder

Get to know the seller

Seller avatar
charlottekolder Universiteit Leiden
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
-
Member since
5 year
Number of followers
0
Documents
1
Last sold
-

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions