🦠
2 Virussen
= obligaat intracellulaire parasiet
kunnen aangetoond worden door plaquevorming bij lysevorming
nucleocapside = gen + structurele en nucl bindende eiwitten (ez)
naakt met enveloppe
vrij via lyse vrij via afsnoering
stabiel membraan met glycoproteïnen, deel viraal en deel cellulair
infectie makkelijker labiel
acuut chronisch
gevolgen gevolgen
verspreiden makkelijker verspreidt niet makkelijk: grote druppels, bloed,
blijven infectieus bij uitdrogen seksueel
overleeft passage dr oa maag, riolen niet meer infectieus bij uitdrogen
humorale immuniteit kan volstaan overleven GI niet
humorale en cellulaire immuniteit nodig
zeep beschadigt membranen van de viri in
bleodeiwitten, dus zo gemakkelijk oa. HIV behandelen
virale genomen kunnen tss 5 en 200 eiwitten coderen (in gastheercel) / 3 - 600 kb (RNA viri kleiner) // virus filtreren enkel
met nanofiltratie
RNA viri kleiner, muteren makkelijker en dus meer quasispecies dan DNA viri
Virale levenscyclus
adsorptie
via R-L interactie: R is de restrictiefactor
→ meeste antivirale vaccins werken op de structuur van het virus dat op de R bindt bv. hepatitis B vaccin bevat
recombinant HBs antigen
penetratie
genoom in cel geïnjecteerd/nucleocapside via endocytose of membraanfusie
Influenza A virus
Adsorptie: x siaalzuur residues op opp, membraan//gastheer → neuroaminidase (*) verhindert aan elkaar plakken (→
behandeling met neuroaminidase inh)
Intrede: endocytose → aanzurend milieu
Uncoating: via M2 kanaal komen protonen binnen die maturatie hemagglutinine induceren wat de fusie van de
enveloppe met het endosoom membraan induceerd → capside valt in cytoplasma (→ behandeling met M2 kanaal
blokkerende medicatie)
virion productie
genoom auto verpakt in capside en maturatie
release
budding of lyse
Kan blijven hangen aan: de R → downrefulatie of afknippen (*); of tetherin, een interferon induceerbare cellulaire R
2 Virussen 1
2 Virussen
= obligaat intracellulaire parasiet
kunnen aangetoond worden door plaquevorming bij lysevorming
nucleocapside = gen + structurele en nucl bindende eiwitten (ez)
naakt met enveloppe
vrij via lyse vrij via afsnoering
stabiel membraan met glycoproteïnen, deel viraal en deel cellulair
infectie makkelijker labiel
acuut chronisch
gevolgen gevolgen
verspreiden makkelijker verspreidt niet makkelijk: grote druppels, bloed,
blijven infectieus bij uitdrogen seksueel
overleeft passage dr oa maag, riolen niet meer infectieus bij uitdrogen
humorale immuniteit kan volstaan overleven GI niet
humorale en cellulaire immuniteit nodig
zeep beschadigt membranen van de viri in
bleodeiwitten, dus zo gemakkelijk oa. HIV behandelen
virale genomen kunnen tss 5 en 200 eiwitten coderen (in gastheercel) / 3 - 600 kb (RNA viri kleiner) // virus filtreren enkel
met nanofiltratie
RNA viri kleiner, muteren makkelijker en dus meer quasispecies dan DNA viri
Virale levenscyclus
adsorptie
via R-L interactie: R is de restrictiefactor
→ meeste antivirale vaccins werken op de structuur van het virus dat op de R bindt bv. hepatitis B vaccin bevat
recombinant HBs antigen
penetratie
genoom in cel geïnjecteerd/nucleocapside via endocytose of membraanfusie
Influenza A virus
Adsorptie: x siaalzuur residues op opp, membraan//gastheer → neuroaminidase (*) verhindert aan elkaar plakken (→
behandeling met neuroaminidase inh)
Intrede: endocytose → aanzurend milieu
Uncoating: via M2 kanaal komen protonen binnen die maturatie hemagglutinine induceren wat de fusie van de
enveloppe met het endosoom membraan induceerd → capside valt in cytoplasma (→ behandeling met M2 kanaal
blokkerende medicatie)
virion productie
genoom auto verpakt in capside en maturatie
release
budding of lyse
Kan blijven hangen aan: de R → downrefulatie of afknippen (*); of tetherin, een interferon induceerbare cellulaire R
2 Virussen 1