Structuuropzet probleem 4 Leeftijdequivalenten (ontwikkelingsleeftijd).
Standaardscores en betrouwbaarheidsgrenzen.
Leerdoel: Welke aandachtspunten zijn van belang bij het diagnostisch testen van (jonge) kinderen?/ Deviatie-IQ en klassiek-IQ.
Hoe verricht je diagnostiek bij jonge kinderen? Ruwe scores.
Tak H2 (4.1.1 t/m 4.1.6) Profiel- en betekenisanalyse.
Traditie van de psychiatrie Observaties.
- Samenhangend beeld van een ‘ziekte’. - Criteriumtoetsen.
- Ziekte/stoornis/syndroom. - Communication-referenced tests.
- Classificatie vs. diagnose. Synthese
- Classificatiesystemen: 2 gevaren (onder- en overinterpretatie).
DSM-V. belangrijk: systeemdenken en triangulatie.
ICD.
betrouwbaarheid classificatiesystemen. Onderdelen verslag over ITO.
CAP-J (voor lichtere problematiek).
DC: 0-3. Hurks et al. (2020)
o 5 assen. Screening en diagnostiek van sociaal-emotionele problemen:
o Beoordeling van bepaald sociale en emotionele vaardigheden (rijtje). screening.
- Comorbiditeit. diagnostiek.
- Aandachtspunten onderzoekbaarheid jonge kinderen
specifieke vaardigheden die een onderzoeker nodig heeft bij jonge kinderen. Vragenlijsten voor screening en diagnostiek.
- Voordelen classificatiesystemen.
- 3 kwesties rondom ‘labelen’. Gebruik van spel.
Tak H7 (par. 6 t/m 9) Artikel Visser (2018)
Aandachtspunten bij het afnemen van tests: DC: 0-5.
- Het samenstellen van de testbatterij en praktische voorbereidingen. redenen apart classificatiesysteem.
- Introductie van de testsituatie bij een kind. bij elke stoornis diagnostisch algoritme + aanvullende informatie (rijtje).
- Het contact in de onderzoekssituatie. 5 assen:
- Nadere structurering van de testsituatie. - As I: klinische stoornissen.
- - As II: relationele context.
observaties bij een testafname (validiteit/sociaal-emotionele bijzonderheden). - As III: medisch-somatische aandoeningen en overwegingen.
Aandachtspunten bij een observatie: - As IV: psychosociale stressoren.
- Fysieke verschijning. - As V: ontwikkeling van competenties.
- Contactname. nieuwe classificaties:
- Socialisatie. - Vroege atypische ASS, hyperactiviteit van de peuterleeftijd.
- Taakgericht werken en voorwaarden daarvoor. - Relatiepsepcifieke stoornis.
- Situatiebegrip, oriëntatie en adaptatie. - Stoornis van ontregelde woede en agressie).
- Gok- en vermijdingsangst en faalangst.
- Zintuigelijk functioneren (gehoor, gezichtsvermogen, nabijheidszintuigen). Leerdoel: Welke psychiatrische stoornissen kun je bij jonge kinderen diagnosticeren en hoe?
- Grove, fijne en mondmotoriek. Artikel Wichstrom et al. (2011)
- Spraak en taal. Argumenten + weerleggingen voor DSM-diagnoses bij jonge kinderen.
- Neuropsychologische problemen. Redenen om wel onderzoek te doen naar prevalentie van psychiatrische stoornissen bij jonge
na observaties navraag doen, belangrijke observaties noteren in verslag. kinderen.
Analyseren van testuitslagen: Doel onderzoek: prevalentie psychiatrische stoornissen bij jonge kinderen onderzoeken.
- Genormeerde tests (statistische maat):
, conclusie: veelvoorkomende psychiatrische stoornissen kunnen al op jonge leeftijd - Afwijkend neurocognitief functioneren, afwijkende taalontwikkeling en verminderde
gediagnosticeerd worden. sociale interacties en communicatie.
- Ongewenste zwangerschap, negatieve verwachtingen, negatieve omgang, laag inkomen,
Deth H8 (2018) weinig sociaal netwerk en ouderlijke verschillen.
Gehechtheid, definitie en ontwikkeling ervan. Hurks et al. (2020)
Sociaal-emotionele ontwikkeling 3 elementen.
Hechtingstheorie Bowlby.
Theorieën over sociaal-emotionele ontwikkeling:
3 vormen van gehechtheid (Ainsworth): - Greenspan en Greenspan: 6 ontwikkelingsvaardigheden in emotionele ontwikkeling.
- Veilige gehechtheid. Zoeken van homoeostase.
- Angstig-vermijdend onveilige gehechtheid. Ontwikkeling van hechting.
- Angstig afwerend/ambivalent gehechte kinderen. Somato-psychologische differentiatie.
gedesorganiseerde gehechtheid. Gedragsorganisatie, initiatief nemen en verinnerlijking van behoeften en
vaardigheden.
Interne werkmodel van de ouders speelt ook een rol bij gehechtheid. Ontwikkelen van voorstellen vermogen en emotionele ideeën.
Het emotionele denken.
Hechtingsstoornissen (2 soorten): - Dosen: sociaal-emotionele ontwikkelingsfasen.
- Reactieve hechtingsstoornis. Adaptatiefase.
- Ontremd sociaal contact stoornis. Socialisatiefase.
oorzaak: ontoereikende zorg (of dit leidt dit een hechtingsstoornis hangt af van riscofactoren (op Individualisatiefase.
niveau van kind, ouder/gezin en omgeving). Identificatiefase.
Realisatiefase.
Leerdoel: Hoe stabiel zijn diagnoses/problemen over de tijd?/ Hoe goed voorspellen problemen in - Bowbly: hechtingstheorie.
de vroege kindertijd problemen op latere leeftijd? - Erkison: psychosociale ontwikkeling:
Artikel Giserman-Kiss et al. (2019) Zuigelingenperiode: vertrouwen v. wantrouwen.
Doel onderzoek: kijken in hoeverre ASS-symptomen stabiel blijven over de tijd (bij een diagnose voor Peuterleeftijd: autonomie vs. schaamte/twijfel.
36 maanden). Kleuterleeftijd: initiatief vs. schuldgevoel.
Resultaten: - Piaget: cognitieve ontwikkelingsstadia:
stabiliteit komt overeen met eerdere studies. Sensomotorische stadium.
tijd tussen de metingen, leeftijd waarop de eerste diagnose wordt gesteld een de aanvankelijke Pre-operationele stadium (egocentrisme, animisme, artificalisme, realisme).
ernst van de symptomen houden verband met de ernst van de symptomen bij de follow-up en met
de algemene verandering in ernst van de symptomen. Normaal ontwikkelingsverloop sociaal-emotionele ontwikkeling.
aantal EI-uren hield geen verband met de verbetering in de symptomen en modereerde de relatie eerste jaar.
tussen aanvankelijke symptomen en symptomen bij de follow-up niet. tweede jaar.
sociodemografische factoren houden geen verband met de ernst in de symptomen bij de kinderen
over de tijd. Signaleren van een bedreigde sociaal-emotionele ontwikkeling.
5 signalen.
Artikel Skovgaard et al. (2008)
Doel van het onderzoek: voorspellen welke zaken in de infancy leeftijd voorspellers zijn van Stoornissen waarbij vaak sociaal-emotionele problemen spelen:
psychopathologie bij 1,5 jaar. - ASS.
Resultaten (deze zaken voorspellen bepaalde psychopathologie): - ADHD.
- Afwijkende taalontwikkeling. - VB.
- TOS.
, Probleem 4
Leerdoel: Welke aandachtspunten zijn van belang bij het diagnostisch testen
van (jonge) kinderen?/ Hoe verricht je diagnostiek bij jonge kinderen?
Tak H2 (4.1.1 t/m 4.1.6)
Traditie van de psychiatrie
uitgangspunt is het medische model dat het begrip ‘ziekte’ centraal stelt.
als een arts een ziekte constateert dan ziet hij daarbij in het ideale geval een samenhang
tussen:
- Bepaalde oorzaken, die leiden tot:
- Een bepaalde proces (ziekteproces), wat resulteert in:
- Bepaalde verschijnselen (symptomen), die soms:
- In een bepaalde samenhang optreden (syndroom), en die:
- Een bepaalde ontwikkeling doormaken (beloop), waaromtrent:
- Een voorspelling kan worden gemaakt (prognose), en die:
- Via specifieke interventies te behandelen zijn, die op hun beurt leiden tot:
- Een bepaalde afloop (eindtoestand).
het is in dit ziektemodel dus van belang om onderzoek te doen naar verschijnselen
die het verschil maken tussen het ene en het andere beeld (differentiaaldiagnose).
als het niet lukt om verschijnselen te koppelen aan een bekend proces dan wordt
er deeldiagnose gesteld, BV een symptomatische diagnose waarbij de opgetreden
verschijnselen alleen in samenhang worden beschreven.
Aanvankelijk werd in de psychiatrie het begrip ziekte vervangen door een stoornis (verwijst
naar problemen in het relationele of beroepsmatige functioneren). Het vaststellen van
oorzaken voor specifieke symptomen en het voorspellen van het beloop van een stoornis
werd lastig. Het begrip syndroom kwam toen meer op de voorgrond te staan (een groep
symptomen die min of meer een verband vertonen met elkaar). Een symptoom is hierbij een
beschrijvende term die verwijst naar bepaald gedrag, een beleving, perceptie of cognitie.
psychiatrische classificatie: het ordenen en groeperen van symptomen om tot de
aanwezigheid van een syndroom te kunnen besluiten.
Classificatie: conclusie dat er een bepaald toestandsbeeld aanwezig is bij een persoon.
dit is meestal aanleiding voor verder onderzoek naar de oorzaken, geschiedenis en rol die
het geclassificeerde gedrag speelt in de omgeving.
Diagnose: hiermee formuleert de diagnosticus mogelijke causaliteit (hij stelt bepaalde
samenhang en dynamiek tussen verschijnselen vast), waarbij ook de context wordt
betrokken om vervolgens onderzoek te doen naar mogelijke interventies.
Belangrijke classificatiesystemen:
- DSM (Diagnostic and statistical manual of mental disorders)
DSM-IV werkte met assensysteem, bleek niet voldoende goed te werken.
DSM-5: 22 hoofdstukken (21 met elk aandacht voor bij elkaar horende stoornissen
en 1 hoofdstuk voor condities die geen stoornis zijn maar die bij kunnen dragen aan
stoornissen of op zichzelf aandacht verdienen, zoals ouder-kindproblematiek,
mishandeling en verwaarlozing).
Standaardscores en betrouwbaarheidsgrenzen.
Leerdoel: Welke aandachtspunten zijn van belang bij het diagnostisch testen van (jonge) kinderen?/ Deviatie-IQ en klassiek-IQ.
Hoe verricht je diagnostiek bij jonge kinderen? Ruwe scores.
Tak H2 (4.1.1 t/m 4.1.6) Profiel- en betekenisanalyse.
Traditie van de psychiatrie Observaties.
- Samenhangend beeld van een ‘ziekte’. - Criteriumtoetsen.
- Ziekte/stoornis/syndroom. - Communication-referenced tests.
- Classificatie vs. diagnose. Synthese
- Classificatiesystemen: 2 gevaren (onder- en overinterpretatie).
DSM-V. belangrijk: systeemdenken en triangulatie.
ICD.
betrouwbaarheid classificatiesystemen. Onderdelen verslag over ITO.
CAP-J (voor lichtere problematiek).
DC: 0-3. Hurks et al. (2020)
o 5 assen. Screening en diagnostiek van sociaal-emotionele problemen:
o Beoordeling van bepaald sociale en emotionele vaardigheden (rijtje). screening.
- Comorbiditeit. diagnostiek.
- Aandachtspunten onderzoekbaarheid jonge kinderen
specifieke vaardigheden die een onderzoeker nodig heeft bij jonge kinderen. Vragenlijsten voor screening en diagnostiek.
- Voordelen classificatiesystemen.
- 3 kwesties rondom ‘labelen’. Gebruik van spel.
Tak H7 (par. 6 t/m 9) Artikel Visser (2018)
Aandachtspunten bij het afnemen van tests: DC: 0-5.
- Het samenstellen van de testbatterij en praktische voorbereidingen. redenen apart classificatiesysteem.
- Introductie van de testsituatie bij een kind. bij elke stoornis diagnostisch algoritme + aanvullende informatie (rijtje).
- Het contact in de onderzoekssituatie. 5 assen:
- Nadere structurering van de testsituatie. - As I: klinische stoornissen.
- - As II: relationele context.
observaties bij een testafname (validiteit/sociaal-emotionele bijzonderheden). - As III: medisch-somatische aandoeningen en overwegingen.
Aandachtspunten bij een observatie: - As IV: psychosociale stressoren.
- Fysieke verschijning. - As V: ontwikkeling van competenties.
- Contactname. nieuwe classificaties:
- Socialisatie. - Vroege atypische ASS, hyperactiviteit van de peuterleeftijd.
- Taakgericht werken en voorwaarden daarvoor. - Relatiepsepcifieke stoornis.
- Situatiebegrip, oriëntatie en adaptatie. - Stoornis van ontregelde woede en agressie).
- Gok- en vermijdingsangst en faalangst.
- Zintuigelijk functioneren (gehoor, gezichtsvermogen, nabijheidszintuigen). Leerdoel: Welke psychiatrische stoornissen kun je bij jonge kinderen diagnosticeren en hoe?
- Grove, fijne en mondmotoriek. Artikel Wichstrom et al. (2011)
- Spraak en taal. Argumenten + weerleggingen voor DSM-diagnoses bij jonge kinderen.
- Neuropsychologische problemen. Redenen om wel onderzoek te doen naar prevalentie van psychiatrische stoornissen bij jonge
na observaties navraag doen, belangrijke observaties noteren in verslag. kinderen.
Analyseren van testuitslagen: Doel onderzoek: prevalentie psychiatrische stoornissen bij jonge kinderen onderzoeken.
- Genormeerde tests (statistische maat):
, conclusie: veelvoorkomende psychiatrische stoornissen kunnen al op jonge leeftijd - Afwijkend neurocognitief functioneren, afwijkende taalontwikkeling en verminderde
gediagnosticeerd worden. sociale interacties en communicatie.
- Ongewenste zwangerschap, negatieve verwachtingen, negatieve omgang, laag inkomen,
Deth H8 (2018) weinig sociaal netwerk en ouderlijke verschillen.
Gehechtheid, definitie en ontwikkeling ervan. Hurks et al. (2020)
Sociaal-emotionele ontwikkeling 3 elementen.
Hechtingstheorie Bowlby.
Theorieën over sociaal-emotionele ontwikkeling:
3 vormen van gehechtheid (Ainsworth): - Greenspan en Greenspan: 6 ontwikkelingsvaardigheden in emotionele ontwikkeling.
- Veilige gehechtheid. Zoeken van homoeostase.
- Angstig-vermijdend onveilige gehechtheid. Ontwikkeling van hechting.
- Angstig afwerend/ambivalent gehechte kinderen. Somato-psychologische differentiatie.
gedesorganiseerde gehechtheid. Gedragsorganisatie, initiatief nemen en verinnerlijking van behoeften en
vaardigheden.
Interne werkmodel van de ouders speelt ook een rol bij gehechtheid. Ontwikkelen van voorstellen vermogen en emotionele ideeën.
Het emotionele denken.
Hechtingsstoornissen (2 soorten): - Dosen: sociaal-emotionele ontwikkelingsfasen.
- Reactieve hechtingsstoornis. Adaptatiefase.
- Ontremd sociaal contact stoornis. Socialisatiefase.
oorzaak: ontoereikende zorg (of dit leidt dit een hechtingsstoornis hangt af van riscofactoren (op Individualisatiefase.
niveau van kind, ouder/gezin en omgeving). Identificatiefase.
Realisatiefase.
Leerdoel: Hoe stabiel zijn diagnoses/problemen over de tijd?/ Hoe goed voorspellen problemen in - Bowbly: hechtingstheorie.
de vroege kindertijd problemen op latere leeftijd? - Erkison: psychosociale ontwikkeling:
Artikel Giserman-Kiss et al. (2019) Zuigelingenperiode: vertrouwen v. wantrouwen.
Doel onderzoek: kijken in hoeverre ASS-symptomen stabiel blijven over de tijd (bij een diagnose voor Peuterleeftijd: autonomie vs. schaamte/twijfel.
36 maanden). Kleuterleeftijd: initiatief vs. schuldgevoel.
Resultaten: - Piaget: cognitieve ontwikkelingsstadia:
stabiliteit komt overeen met eerdere studies. Sensomotorische stadium.
tijd tussen de metingen, leeftijd waarop de eerste diagnose wordt gesteld een de aanvankelijke Pre-operationele stadium (egocentrisme, animisme, artificalisme, realisme).
ernst van de symptomen houden verband met de ernst van de symptomen bij de follow-up en met
de algemene verandering in ernst van de symptomen. Normaal ontwikkelingsverloop sociaal-emotionele ontwikkeling.
aantal EI-uren hield geen verband met de verbetering in de symptomen en modereerde de relatie eerste jaar.
tussen aanvankelijke symptomen en symptomen bij de follow-up niet. tweede jaar.
sociodemografische factoren houden geen verband met de ernst in de symptomen bij de kinderen
over de tijd. Signaleren van een bedreigde sociaal-emotionele ontwikkeling.
5 signalen.
Artikel Skovgaard et al. (2008)
Doel van het onderzoek: voorspellen welke zaken in de infancy leeftijd voorspellers zijn van Stoornissen waarbij vaak sociaal-emotionele problemen spelen:
psychopathologie bij 1,5 jaar. - ASS.
Resultaten (deze zaken voorspellen bepaalde psychopathologie): - ADHD.
- Afwijkende taalontwikkeling. - VB.
- TOS.
, Probleem 4
Leerdoel: Welke aandachtspunten zijn van belang bij het diagnostisch testen
van (jonge) kinderen?/ Hoe verricht je diagnostiek bij jonge kinderen?
Tak H2 (4.1.1 t/m 4.1.6)
Traditie van de psychiatrie
uitgangspunt is het medische model dat het begrip ‘ziekte’ centraal stelt.
als een arts een ziekte constateert dan ziet hij daarbij in het ideale geval een samenhang
tussen:
- Bepaalde oorzaken, die leiden tot:
- Een bepaalde proces (ziekteproces), wat resulteert in:
- Bepaalde verschijnselen (symptomen), die soms:
- In een bepaalde samenhang optreden (syndroom), en die:
- Een bepaalde ontwikkeling doormaken (beloop), waaromtrent:
- Een voorspelling kan worden gemaakt (prognose), en die:
- Via specifieke interventies te behandelen zijn, die op hun beurt leiden tot:
- Een bepaalde afloop (eindtoestand).
het is in dit ziektemodel dus van belang om onderzoek te doen naar verschijnselen
die het verschil maken tussen het ene en het andere beeld (differentiaaldiagnose).
als het niet lukt om verschijnselen te koppelen aan een bekend proces dan wordt
er deeldiagnose gesteld, BV een symptomatische diagnose waarbij de opgetreden
verschijnselen alleen in samenhang worden beschreven.
Aanvankelijk werd in de psychiatrie het begrip ziekte vervangen door een stoornis (verwijst
naar problemen in het relationele of beroepsmatige functioneren). Het vaststellen van
oorzaken voor specifieke symptomen en het voorspellen van het beloop van een stoornis
werd lastig. Het begrip syndroom kwam toen meer op de voorgrond te staan (een groep
symptomen die min of meer een verband vertonen met elkaar). Een symptoom is hierbij een
beschrijvende term die verwijst naar bepaald gedrag, een beleving, perceptie of cognitie.
psychiatrische classificatie: het ordenen en groeperen van symptomen om tot de
aanwezigheid van een syndroom te kunnen besluiten.
Classificatie: conclusie dat er een bepaald toestandsbeeld aanwezig is bij een persoon.
dit is meestal aanleiding voor verder onderzoek naar de oorzaken, geschiedenis en rol die
het geclassificeerde gedrag speelt in de omgeving.
Diagnose: hiermee formuleert de diagnosticus mogelijke causaliteit (hij stelt bepaalde
samenhang en dynamiek tussen verschijnselen vast), waarbij ook de context wordt
betrokken om vervolgens onderzoek te doen naar mogelijke interventies.
Belangrijke classificatiesystemen:
- DSM (Diagnostic and statistical manual of mental disorders)
DSM-IV werkte met assensysteem, bleek niet voldoende goed te werken.
DSM-5: 22 hoofdstukken (21 met elk aandacht voor bij elkaar horende stoornissen
en 1 hoofdstuk voor condities die geen stoornis zijn maar die bij kunnen dragen aan
stoornissen of op zichzelf aandacht verdienen, zoals ouder-kindproblematiek,
mishandeling en verwaarlozing).