Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 2 out of 7 pages
Summary

Verkorte samenvatting van blok 4 van Master Orthopedagogiek: statistiek

Document preview thumbnail
Preview 2 out of 7 pages

Samenvatting van alles wat je moet weten om je tentamen ruimschoots te halen. Het is een korte samenvatting van de stof van het blok statistiek in de master orthopedagogiek.

Content preview

Central limit theorie = als de sample size groter dan 30 is, dan is de sampling distributie
van de sample means een normaalverdeling met gemiddelde μ en standaarddeviatie σ X́ . De
s
standaarddeviatie wordt geschat met SE X́ =
√N
Met de power bepaal je hoeveel data je nodig hebt om een bepaalde kans op het effect te
vinden.

Hoe meer tests je doet, hoe dichter je bij de true mean van de populatie komt, MITS die tests
onafhankelijk zijn. Anders heb je steeds meer kans op type I error.

Outlier detectie:
- afstand tot lijn = Residuen binnen -3 en 3
- Afstand tot puntenwolk = Mahalanobis <20-25 (N=500), <15 (N=100) of <11 (N=30)
- Invloed op het model = Cooks <1




Mahalanobis is alleen handig als je >2 onafhankelijke variabelen hebt, Cook’s is altijd handig
want die kijkt naar je hele model.

De correlatiecoëfficiënt ligt tussen -1 en 1, de regressiecoëfficiënt/slope heeft units of
measurement. Intercept = als X 0 is, wat is Y dan? Slope = als je 1 unit gaat op X, hoeveel
verandert Y dan?

Sum of squares:
- SStotaal = afstand van punt naar mean
- SSmodel = afstand van punt naar model
- SSresidu = afstand van observed naar predicted

F=MSM/MSR = hoeveel vaker er verklaarde dan onverklaarde variantie is.

R2 wordt niet geheel gegeven door de beta’s, want beta geeft alleen de unieke bijdrage en
niet de overlap. Ongecorreleerde predictoren geven minder variantie in je scatterplot
(residuals vs. predicted) dan gecorreleerde predictoren.
Als R2 hoger wordt, hoeft je model niet beter te zijn. De verklaarde variantie per predictor kan
namelijk lager zijn geworden.

Bij hiërarchische regressie doe je blokken en test je wat het verschil is in R2 als je een
predictor weghaalt of toevoegt.

Partial correlation is iets anders dan part correlation (of semi-partial correlation). Het is
allebei unieke bijdrage, maar dan anders.

, - Partial = alleen ten opzichte van wat overblijft als je andere verklaarde delen
weghaalt (controleert voor effect van andere variabelen, je negeert de rest.
- Semi-partial = ten opzichte van alle variantie in Y. Houdt rekening met de rest.

Significantie gaat over de populatie: het maakt niet uit hoe groot of hoe klein je verandering
is, het is de kans dat deze waarde of extremer ook in de populatie bestaat, wanneer H0 waar
is.

Bij regressie met dummies is de voorspelde score voor iemand in de referentiegroep gelijk
aan Y=b0, voor groep 1 geldt Y=b0 + b1, voor groep 2 geldt Y=b0 + b2.
Hypotheses hierbij zijn:
- H0: R2 = 0
- H0: β1 = β2 = 0
Je gebruikt dit als je geen ANOVA kan doen, omdat je meerdere andere variabelen ook wil
toevoegen (continu).

Moderatie = het effect van predictor X op afhankelijke variabele T hangt af van de waarde
van moderator M.
 Je test voor externe validiteit: hoe universeel/generaliseerbaar is de relatie tussen X
en Y?
 Regressie: Yi =b0 + b1Xi + b2Xi + b3XMi + error
 De constante is de intercept, als de moderator nul is.
Als je hebt gecentreerd vertelt het je het effect van X op het gemiddelde effect van de
moderator. Dit doe je als je schaal geen nulpunt heeft dat betekenisvol is. Heb je groepen of
wel een betekenisvol nulpunt, dan centreer je niet.

Mediatie = het effect van predictor X op afhankelijek variabele Y kan verklaard worden door
derde variabele M (mediator).
 Dit is een causaal model. Hierbij voer je aparte regressieanalyses uit om het
mediatie-effect te testen. Je meet dit eigenlijk altijd met bootstrapping, want je kan het
niet direct meten.
 Totaal effect = originele relatie tussen X en Y
 In Venn diagram is het overlappende deel het indirecte effect
 De R2 voor het indirecte effect is deel 2.




Bij een ANOVA vergelijk je groepsgemiddeldes. H0 : µ1=µ2=µ3. Je moet p niet
interpreteren als waarschijnlijkheid van de hypothese, maar als waarschijnlijkheid van de
data. Als je een verschil vindt en je gaat pairwise comparisons doen, dan moet je rekening
houden met het multiple testing probleem (type I error). Beter is dan t-tests (planned
contrasts), waarbij je specifieke hypotheses test.

Document information

Study
Uploaded on
September 28, 2020
Number of pages
7
Written in
2019/2020
Type
Summary
$7.13

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
esmeecoppoolse
3.6
(31)
Sold
164
Followers
111
Items
94
Last sold
2 months ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions