VIROLOGIE
Hoofdstuk 1: inleiding
1. Geef 2 voorbeelden van een virus met ssDNA, dsDNA, ssRNA, dsRNA.
ssDNA: Parvovirus B19, Transfusion Transmitted Virus (TTV)
dsDNA: Epstein-Barrvirus, Humaan Papilloma Virus 1/5/8/… (circulair)
ssRNA: Influenzavirus (gesegmenteerd), Mazelenvirus (lineair), Humaan
immunodecifiency virus (HIV), Hepatitis A virus (HAV)
dsRNA: Rotavirus, Cystovirus (bacteriofaag)
2. Hoe kunnen nieuwe viruspartikels de cel verlaten?
Dit kan op 2 verschillende manieren
1) De celvriendelijke manier = budding.
Constante vrijzetting van viruspartikels door knopvorming
Neemt telkens stukjes celwand mee, dus als dit sneller gaat dan de
membraansynthese, dan sterft de cel
Het is niet de bedoeling van het virus om de gastheercel te doden, hoe langer
deze leeft, hoe langer het virus zelf leeft
2) Aggresieve manier = cytolyse
Productie van virussen tot de cellen ontploffen
Plots worden veel virussen tegelijk vrijgezet wat aanleiding geeft tot acutere
symptomen
3. Welke virussen hebben een gesegmenteerd genoom en welke voordelen biedt dat voor
hen?
Er zijn enkele virussen met een gesegmenteerd genoom: Rotavirus (11 segmenten
dsRNA) – Influenzavirus (8 segmenten ssRNA) – Hantavirus (3 segmenten ssRNA)
Gesegmenteerde virussen hebben meerdere virale chromosomen waardoor ze in
staat zijn voor genetische variabiliteit. Indien een cel door meerdere virussen wordt
geïnfecteerd, kan er reassortement optreden waarbij partikels met een
nieuw/gecombineerd genoom gevormd worden. Maar dit is uiterst zeldzaam.
Cave: De meeste partikels verdwijnen wegens een fout aantal. Er worden soms
echter nieuwe varianten uitgeselecteerd, meestal is dit een verslechtering, maar het
kan het virus in sommige gevallen ook versterken.
Reassortment heeft een groot potentieel. Toename in variabiliteit kan voordelige
effecten hebben (behandeling & vaccinatie wordt bemoeilijkt)
,4. Wat is het verschil tussen vroege en late eiwitten in de virale replicatiecyclus?
Vroege eiwitten
Worden vroeg in de replicatiecyclus tot expressie gebracht, meestal direct na infectie
van de gastheercel.
Ze zijn verantwoordelijk voor het reguleren van de virale genexpressie en het
manipuleren van de gastheercel om gunstige omstandigheden te creëren voor de
replicatie van het virus.
Omvatten vaak enzymen die betrokken zijn bij het repliceren van het virale genoom,
zoals polymerasen die het virale DNA of RNA kopiëren, evenals transcriptiefactoren
die de transcriptie van virale genen reguleren.
Kunnen ook de gastheercel-antivirale respons onderdrukken en de celcyclus van de
gastheercel beïnvloeden om deze gunstiger te maken voor de virusreplicatie.
Late eiwitten:
Late eiwitten worden tot expressie gebracht na de vroege fase van de
replicatiecyclus, vaak nadat het virale genoom is gerepliceerd.
Ze zijn verantwoordelijk voor de assemblage van nieuwe virale deeltjes en het
verpakken van het virale genoom in deze deeltjes.
Late eiwitten omvatten structurele eiwitten die deel uitmaken van het virale
omhulsel of de virale capsiden.
Deze eiwitten zorgen voor de vorming van volledige virale deeltjes en bereiden ze
voor op vrijlating uit de geïnfecteerde cel.
→ Over het algemeen kunnen vroege eiwitten worden geassocieerd met de replicatie en
regulatie van het virale genoom, terwijl late eiwitten worden geassocieerd met de
assemblage en verspreiding van volledige virale deeltjes. Beide soorten eiwitten zijn
essentieel voor een succesvolle virale replicatiecyclus.
5. Verschillende capsides + voorbeelden.
We kunnen de capsiden opdelen in 2 soorten en een rest
Helicaal: spiraalsgewijs eenzelfde molecule rond het DNA/RNA in een soort van
dakpanstructuur. Dit is een economische manier van bescherming (slechts 1 EW
nodig). Voorbeelden zijn tabaksmozaïekvirus (zeer rigide kapsel) & ebolavirus (zeer
soepel kapsel).
Icosahedraal: typische vorm voor virussen. Deze structuur is ook de meest stabiele
structuur in de natuur (hoe groter, hoe stabieler). Wordt gevormd door een
opeenvolging van 5- en 6-hoeken. Voorbeelden: adeno-, herpes- en
papillomavirussen.
Complex: een voorbeeld van een complex capside is de bacteriofaag (= virussen die
bacteriën gaan infecteren). Zij hebben een capsidehoofd (genetisch materiaal), een
lange nek en een landingsplaat met tail fibers die zorgen voor een zachte landing.
Eens geland gaat de faag zijn genetisch materiaal inspuiten.
, Hoofdstuk 2: diagnostiek
6. Hoe werkt seroneutralisatie en waarvoor wordt het gebruikt?
Seroneutralisatie is een manier van onrechtstreekse diagnose door het aantonen van
antistoffen.
Een virus gaat normaal gezien de cellen in een celcultuur doen lyseren, waardoor de
afgebroken cellen naar bovendrijven. Hierdoor is de bodem niet kleurbaar.
Als men een staal heeft waarin antistoffen tegen het virus zitten, zullen de antistoffen met
het virus binden en gaan de cellen niet afgebroken worden. Hierdoor is het staal wel
kleurbaar.
7. Welke labotesten bestaan voor detectie van antilichamen?
Immunofluorescentie: Hierbij wordt een antigeen gebonden aan een specifieke
marker, een fluorescerende stof. De mate van de fluorescentie geeft aan met welke
antistof u te maken hebt.
Hemaglutinatie-inhibitie: virus toevoegen aan een bloedstaal. Indien antistoffen
aanwezig zijn, interageren ze met de virussen en vindt er geen agglutinatie plaats.
Indien er geen antistoffen aanwezig zijn, binden de virussen met RBC en vindt er wel
agglutinatie plaats.
Complementfixatie: Bij complementfixatie wordt het antigeen-antilichaamcomplex
gevormd in een oplossing gefixeerd met complementeiwitten. Als er geen antistoffen
zijn, gaan de complementfactoren de RBC lyseren waardoor het buisje rood kleurt.
Indien er wel antistoffen zijn, gaan de antistoffen binden aan de virussen, bindt het
complement aan het Ag-As-complex en is er geen lysis van RBC, dit geeft een hoopje
op de bodem.
ELISA (enzyme-linked immuno sorbent assay): Het opsporen gebeurt door binding
van de eiwitten met antilichamen die gelabeld zijn. Dit wil zeggen dat ze chemisch
gekoppeld worden aan een enzym zoals peroxidase dat via een of meer
tussenstappen een kleurstof doet ontstaan. Hoe meer van de te detecteren stof
aanwezig was, hoe meer enzymwerking gebonden wordt en hoe meer kleurstof er
uiteindelijk ontstaat.
Seroneutralisatie: Een virus gaat normaal gezien de cellen in een celcultuur doen
lyseren, waardoor de afgebroken cellen naar bovendrijven. Hierdoor is de bodem niet
kleurbaar. Als men een staal heeft waarin antistoffen tegen het virus zitten, zullen de
antistoffen met het virus binden en gaan de cellen niet afgebroken worden. Hierdoor
is het staal wel kleurbaar.
8. Bespreek: complementfixatietest.
Bij complementfixatie wordt het antigeen-antilichaamcomplex gevormd in een oplossing
gefixeerd met complementeiwitten. Als er geen antistoffen zijn, gaan de complementfactoren
de RBC lyseren waardoor het buisje rood kleurt. Indien er wel antistoffen zijn, gaan de
antistoffen binden aan de virussen, bindt het complement aan het Ag-As-complex en is er
geen lysis van RBC, dit geeft een hoopje op de bodem.
Hoofdstuk 1: inleiding
1. Geef 2 voorbeelden van een virus met ssDNA, dsDNA, ssRNA, dsRNA.
ssDNA: Parvovirus B19, Transfusion Transmitted Virus (TTV)
dsDNA: Epstein-Barrvirus, Humaan Papilloma Virus 1/5/8/… (circulair)
ssRNA: Influenzavirus (gesegmenteerd), Mazelenvirus (lineair), Humaan
immunodecifiency virus (HIV), Hepatitis A virus (HAV)
dsRNA: Rotavirus, Cystovirus (bacteriofaag)
2. Hoe kunnen nieuwe viruspartikels de cel verlaten?
Dit kan op 2 verschillende manieren
1) De celvriendelijke manier = budding.
Constante vrijzetting van viruspartikels door knopvorming
Neemt telkens stukjes celwand mee, dus als dit sneller gaat dan de
membraansynthese, dan sterft de cel
Het is niet de bedoeling van het virus om de gastheercel te doden, hoe langer
deze leeft, hoe langer het virus zelf leeft
2) Aggresieve manier = cytolyse
Productie van virussen tot de cellen ontploffen
Plots worden veel virussen tegelijk vrijgezet wat aanleiding geeft tot acutere
symptomen
3. Welke virussen hebben een gesegmenteerd genoom en welke voordelen biedt dat voor
hen?
Er zijn enkele virussen met een gesegmenteerd genoom: Rotavirus (11 segmenten
dsRNA) – Influenzavirus (8 segmenten ssRNA) – Hantavirus (3 segmenten ssRNA)
Gesegmenteerde virussen hebben meerdere virale chromosomen waardoor ze in
staat zijn voor genetische variabiliteit. Indien een cel door meerdere virussen wordt
geïnfecteerd, kan er reassortement optreden waarbij partikels met een
nieuw/gecombineerd genoom gevormd worden. Maar dit is uiterst zeldzaam.
Cave: De meeste partikels verdwijnen wegens een fout aantal. Er worden soms
echter nieuwe varianten uitgeselecteerd, meestal is dit een verslechtering, maar het
kan het virus in sommige gevallen ook versterken.
Reassortment heeft een groot potentieel. Toename in variabiliteit kan voordelige
effecten hebben (behandeling & vaccinatie wordt bemoeilijkt)
,4. Wat is het verschil tussen vroege en late eiwitten in de virale replicatiecyclus?
Vroege eiwitten
Worden vroeg in de replicatiecyclus tot expressie gebracht, meestal direct na infectie
van de gastheercel.
Ze zijn verantwoordelijk voor het reguleren van de virale genexpressie en het
manipuleren van de gastheercel om gunstige omstandigheden te creëren voor de
replicatie van het virus.
Omvatten vaak enzymen die betrokken zijn bij het repliceren van het virale genoom,
zoals polymerasen die het virale DNA of RNA kopiëren, evenals transcriptiefactoren
die de transcriptie van virale genen reguleren.
Kunnen ook de gastheercel-antivirale respons onderdrukken en de celcyclus van de
gastheercel beïnvloeden om deze gunstiger te maken voor de virusreplicatie.
Late eiwitten:
Late eiwitten worden tot expressie gebracht na de vroege fase van de
replicatiecyclus, vaak nadat het virale genoom is gerepliceerd.
Ze zijn verantwoordelijk voor de assemblage van nieuwe virale deeltjes en het
verpakken van het virale genoom in deze deeltjes.
Late eiwitten omvatten structurele eiwitten die deel uitmaken van het virale
omhulsel of de virale capsiden.
Deze eiwitten zorgen voor de vorming van volledige virale deeltjes en bereiden ze
voor op vrijlating uit de geïnfecteerde cel.
→ Over het algemeen kunnen vroege eiwitten worden geassocieerd met de replicatie en
regulatie van het virale genoom, terwijl late eiwitten worden geassocieerd met de
assemblage en verspreiding van volledige virale deeltjes. Beide soorten eiwitten zijn
essentieel voor een succesvolle virale replicatiecyclus.
5. Verschillende capsides + voorbeelden.
We kunnen de capsiden opdelen in 2 soorten en een rest
Helicaal: spiraalsgewijs eenzelfde molecule rond het DNA/RNA in een soort van
dakpanstructuur. Dit is een economische manier van bescherming (slechts 1 EW
nodig). Voorbeelden zijn tabaksmozaïekvirus (zeer rigide kapsel) & ebolavirus (zeer
soepel kapsel).
Icosahedraal: typische vorm voor virussen. Deze structuur is ook de meest stabiele
structuur in de natuur (hoe groter, hoe stabieler). Wordt gevormd door een
opeenvolging van 5- en 6-hoeken. Voorbeelden: adeno-, herpes- en
papillomavirussen.
Complex: een voorbeeld van een complex capside is de bacteriofaag (= virussen die
bacteriën gaan infecteren). Zij hebben een capsidehoofd (genetisch materiaal), een
lange nek en een landingsplaat met tail fibers die zorgen voor een zachte landing.
Eens geland gaat de faag zijn genetisch materiaal inspuiten.
, Hoofdstuk 2: diagnostiek
6. Hoe werkt seroneutralisatie en waarvoor wordt het gebruikt?
Seroneutralisatie is een manier van onrechtstreekse diagnose door het aantonen van
antistoffen.
Een virus gaat normaal gezien de cellen in een celcultuur doen lyseren, waardoor de
afgebroken cellen naar bovendrijven. Hierdoor is de bodem niet kleurbaar.
Als men een staal heeft waarin antistoffen tegen het virus zitten, zullen de antistoffen met
het virus binden en gaan de cellen niet afgebroken worden. Hierdoor is het staal wel
kleurbaar.
7. Welke labotesten bestaan voor detectie van antilichamen?
Immunofluorescentie: Hierbij wordt een antigeen gebonden aan een specifieke
marker, een fluorescerende stof. De mate van de fluorescentie geeft aan met welke
antistof u te maken hebt.
Hemaglutinatie-inhibitie: virus toevoegen aan een bloedstaal. Indien antistoffen
aanwezig zijn, interageren ze met de virussen en vindt er geen agglutinatie plaats.
Indien er geen antistoffen aanwezig zijn, binden de virussen met RBC en vindt er wel
agglutinatie plaats.
Complementfixatie: Bij complementfixatie wordt het antigeen-antilichaamcomplex
gevormd in een oplossing gefixeerd met complementeiwitten. Als er geen antistoffen
zijn, gaan de complementfactoren de RBC lyseren waardoor het buisje rood kleurt.
Indien er wel antistoffen zijn, gaan de antistoffen binden aan de virussen, bindt het
complement aan het Ag-As-complex en is er geen lysis van RBC, dit geeft een hoopje
op de bodem.
ELISA (enzyme-linked immuno sorbent assay): Het opsporen gebeurt door binding
van de eiwitten met antilichamen die gelabeld zijn. Dit wil zeggen dat ze chemisch
gekoppeld worden aan een enzym zoals peroxidase dat via een of meer
tussenstappen een kleurstof doet ontstaan. Hoe meer van de te detecteren stof
aanwezig was, hoe meer enzymwerking gebonden wordt en hoe meer kleurstof er
uiteindelijk ontstaat.
Seroneutralisatie: Een virus gaat normaal gezien de cellen in een celcultuur doen
lyseren, waardoor de afgebroken cellen naar bovendrijven. Hierdoor is de bodem niet
kleurbaar. Als men een staal heeft waarin antistoffen tegen het virus zitten, zullen de
antistoffen met het virus binden en gaan de cellen niet afgebroken worden. Hierdoor
is het staal wel kleurbaar.
8. Bespreek: complementfixatietest.
Bij complementfixatie wordt het antigeen-antilichaamcomplex gevormd in een oplossing
gefixeerd met complementeiwitten. Als er geen antistoffen zijn, gaan de complementfactoren
de RBC lyseren waardoor het buisje rood kleurt. Indien er wel antistoffen zijn, gaan de
antistoffen binden aan de virussen, bindt het complement aan het Ag-As-complex en is er
geen lysis van RBC, dit geeft een hoopje op de bodem.