Het kauwstelsel bestaat uit een vast gedeelte en bewegend gedeelte (mandibula). Positie van
onderkaak wordt bepaald door tanden, kaakgewricht (condylus), ligamenten en kauwspieren
(allemaal ten opzichte van zwaartekracht).
Verhoudingen tussen maxilla en mandibula
Ter hoogte van kaakgewricht is er een verband (relatie) tussen bovenkaak en onderkaak.
Ter hoogte van tandbogen zijn de posities van onderkaak en bovenkaak.
Tandcontacten: 1 occlusie of statisch contact (sluiten van de mond)
Hoe je tanden op elkaar passen als mond gesloten is.
2 articulatie of dynamisch contact (sluiten na verplaatsing)
Hoe je tanden op elkaar passen en glijden over elkaar als je onderkaak
beweegt voordat je je mond sluit.
Anatomie van kaakgewricht
K: kaakkopje
D: discus articularis
F: fossa mandibularis
E: eminentia articularis (benige verhoging op os temporale)
(direct voor de fossa mandibularis)
P: musculus pterygoideus lateralis
Hoofdstuk 1: statische en centrische occlusale verhoudingen
1. Neuromusculaire fysiologie (de onderkaak kan bewegingen uitvoeren)
We hebben zowel een neurologische (uitgevoerd door hersenen) als een musculaire activiteit
(uitgevoerd door spieren).
De mandibula kan ten opzichte van de schedel veel posities innemen. De begrenzing van die posities
bepaald door anatomische structuren (tanden, kaakgewricht, ligamenten en spieren).
Ter hoogte van tandenspreken we over: occlusie (statisch contact) en articulatie (dynamisch contact).
Ter hoogte van kaak spreken we over: kaakrelaties.
,Enkele belangrijke begrippen:
1 spieren van kauwstelsel (musculaire kenmerken)
Dit zijn dwarsgestreepte of willekeurige skeletspieren.
Ze contraheren 1 isotonisch (constante spanning) met verkorting (met gelijke kracht)
2 isometrisch (veranderende kracht) zonder verkorting (met gelijke lengte)
m. masseter en m. temporalis kunnen per vezel 7 tot 9 gram kracht uitoefenen (normaal 40 gram).
Maar kunnen nog steeds grote krachten uitoefenen.
Kauwspieren
1 m. masseter
2 m. temporalis
3 m. pterygoideus medialis
4 m. pterygoideus lateralis
5 suprahyoïdale spieren: 1 digastricus 2 mylohyoideus
3 stylohyoideus
Een spier is opgebouwd uit spiervezels of myofibrillen bestaande uit spiercellen. Een vezel is omgeven
door bindweefselschede.
Meerdere vezels samen vormen een spierbundel.
Spiercellen voorzien van zenuwen (1 zenuwcel of 1 neuron), noemen we een motor unit. Hoe meer
vezels per neuron, hoe krachtiger de spier.
Motor unit bestaat uit neuron en spiervezels die het activeert
(behoren tot PZS en sturen info naar CZS) (activatie door hetzelfde
neuron).
Tussen de spiervezels liggen spierspoelen (is een mechanoreceptor)
(voelen hoeveel spier uitrekt) (reageren om overrekking te
voorkomen) (meten spierlengte) (snelle reactie). Deze zintuigen detecteren zowel veranderingen in
spierlengte als de actuele spierlengte.
Ze hebben lage drempelwaarde en reageren snel. De golgi peeslichaampjes (is een mechanoreceptor)
(op overgang tussen spier en pees) (meten spanning of kracht) hebben een hoge drempelwaarde en
detecteren spanningen (signalen naar hersenen over rek van pezen) (trage reactie).
2 neuron of zenuwcel (verwerken neurologische info) (ontvangen, geleiden en sturen signalen door)
, Bestaat uit een cellichaam en zenuwvezels (dendrieten of afferentia) (neurieten of efferentia).
We onderscheiden deze 3 aan een neuron: 1 receptief (opvangend) (ontvangend) deel
2 conductief (geleidend) deel
3 transmissief deel (maakt deel uit van synaps of
motorische eindplaat)
We hebben afferente (ontvangen info en sturen door naar CZS) en dan
ook efferente (versturen info van CZS) (voeren een effect uit).
3 receptoren of sensoren (vb. mechano en pijnreceptoren) (typisch voor kaakstelsel)
Deze behoren tot het perifeer zenuwstelsel (PVS) (netwerk van zenuwen). Ze transformeren interne
en externe stimuli (gevoel) tot zenuwimpulsen (elektrische signalen).
Deze zenuwimpulsen worden langs zenuwbanen naar CZS geleid.
Men onderscheid verschillende sensoren: 1 mechanosensoren (overal te vinden) (gevoelig voor
druk)
2 thermosensoren (aan lichaamsoppervlak)
3 chemosensoren (in smaakpapillen van tong en
verhemelte)
4 pijnsensoren (overal te vinden)
5 motorneuronen (activeren de spieren en
bewegingen)
4 synaps of motorische eindplaat (toegankelijk in 1 richting) (overgangen tussen zenuwcellen voor
doorsturen van info tussen CZS en PZS).
Hierdoor wordt informatie tussen zenuwcellen overgedragen. Oppervlak van 1 neuron voor 40%
bedekt met synapsen.
Het kaakstelsel is een bewegend stelsel (er is neurale regeling).
3 bewegingen van het kaakstelsel: 1 reflexen (ongewild)
2 stereotiepe bewegingen (doen we elke dag)
(voorgeprogrammeerd maar onbewust) (vb. kauwen)
3 geïntensioneerde bewegingen (gewild) (via cortex
aangezet) (kies je zelf om uit te voeren)
5 reflexen (3 basisreflexen) (3 beschermende reflexen)