7.1 Je kunt kenmerken van liberalisme, socialisme en nationalisme uitleggen.
Liberalisme: Politieke stroming waarbij de persoonlijke vrijheid voorop staat.
Socialisme: groep die streeft naar een betere positie van de arbeiders en armen.
Nationalisme: liefde voor het eigen land of volk.
De ideeën uit de achttiende eeuw over meer inspraak in het bestuur werden in de
negentiende eeuw niet vergeten. Daarom verenigden de arbeiders zich in socialistische
organisaties en pleitten de liberalen voor meer vrijheid. In deze periode werden de eerste
stappen gezet voor de uitbreiding van de rechten voor burgers en arbeiders.
Je kunt het modern-imperialisme koppelen aan de industriële revolutie.
Industriële revolutie: Deze revolutie zette langzaam maar zeker de samenleving volledig op
zijn kop, zowel op cultureel, politiek, maatschappelijk als economisch gebied.
Modern-imperialisme: Aan de andere kant namen de West-Europese landen overzeese
gebieden in voor hun eigen gewin. (Proces waarbij landen hun macht in andere delen van de
wereld uitbreiden voor hun eigen economische en politieke gewin.)
De economie en welvaart groeide snel en meer mensen werden machtiger. Ze hadden meer
invloed en ze hadden meer macht op Europese landen om ze te vergroten. Zo konden ze
overzeese gebieden ontdekken en kolonies maken.
7.2 Je kunt verschillende 18e-eeuwse vernieuwingen in de landbouw noemen.
In Engeland gingen de landeigenaren al snel met deze vernieuwingen aan de slag. De rijksten
kochten nog meer stukken land op, vaak rondom het gebied wat ze al in bezit hadden. Dit
wordt ook wel schaalvergroting genoemd. Door het uitbreiden van een landbouwgebied kon
het efficiënter worden bewerkt. Landeigenaren hadden daar het grootste belang bij, omdat
landeigenaren zo meer landbouwproductie voor minder geld konden realiseren. Rond 1800
steeg inderdaad de productie van voedsel in Engeland. Voedselschaarste kwam haast niet
meer voor, waardoor er minder mensen stierven. Engeland was daarnaast niet zo betrokken
bij de oorlogen met Napoleon als veel andere landen van Europa. Plotseling groeide de
bevolking explosief en dat had grote gevolgen.
, Je kunt de belangrijkste kenmerken van de industriële revolutie uitleggen.
In de achttiende eeuw groeide de vraag naar kleding door de bevolkingsgroei en de
economische groei. Ook op dit terrein gingen uitvinders aan de slag. Uitvinders wilden de
productie van kleding makkelijker maken. In 1733 presenteerde John Kay een vernieuwing in
het weven: de schietspoel. Hierdoor ging het weven twee keer zo snel! Door het succes van
de schietspoel kwam er meer vraag naar draad om mee te weven. Vanaf 1764 kon
vervolgens het traditionele spinnenwiel worden ingeruild voor de Spinning Jenny, een
uitvinding van James Hargreaves. Dit met de hand aangedreven apparaat was zo klein dat
het in een huiskamer of schuurtje kon staan. Maar de ontwikkelingen gingen snel, want
slechts een paar jaar later verbeterde Richard Arkwright deze machine met een waterrad
voor de aandrijving. Het waterframe zorgde voor een nog grotere productie van draad, maar
had een groot nadeel: het had stromend water en veel ruimte nodig. Zo maakte de
huisnijverheid langzaam plaats voor fabrieken. In deze gebouwen konden namelijk de grote
machines voor textielproductie staan.
Het gaat er dus om dat ze een machine voor het product uitvonden waardoor er meer vraag
was naar dat product. Daardoor gingen ze meer machines uitvinden.
Je kunt verschillende uitvinders én hun uitvindingen noemen die leidden tot de industriële
revolutie.
- Thomas Newcomen paste in 1709 voor het eerst stoom toe. Stoom kon in elk seizoen
van het jaar worden gebruikt en was betrouwbaarder dan de veranderlijke wind of
paardenkracht. Maar voor stoomproductie heb je wel brandstof nodig.
- In 1765 lukte het James Watt om de stoommachine zo te verbeteren dat de
stoommachine op grote schaal kon worden gebruikt voor de aandrijving van allerlei
machines. Dit had veel positieve gevolgen voor de textielindustrie. Grotere en betere
machines betekenden dat er meer en sneller kon worden geproduceerd. En meer
productie betekende meer geld. Daarom besloten de rijke burgers dat zij geld wilden
investeren in de industrie.
- Toen Richard Trevithick in 1804 een manier bedacht om wielen onder een
stoommachine te zetten, was binnen de kortste keren de stoomtrein uitgevonden.