6.2 Je kunt benoemen en beschrijven met behulp van voorbeelden welke
langlopende problemen Frankrijk kende onder Lodewijk XV en XVI
De opvolgers van Lodewijk XV en Lodewijk XVI geloofden in het idee van
een droit divin. De vorsten vonden dus dat de vorsten alleen
verantwoording af hoefden te leggen aan God. Maar beide koningen
konden geen oplossingen vinden voor de langlopende problemen in
Frankrijk:
De staatskas was leeg en de staatsschuld nam toe.
- Verschillende oorlogen kostten de staatskas veel geld.
- Het luxe hofleven in Versailles moest betaald worden.
- De inkomsten van belastingen vielen tegen.
De adel en geestelijkheid weigerden belastingen te betalen. Adel en
geestelijkheid vonden dat dit de verantwoordelijkheid was van het volk,
dat steeds armer werd. Het volk kon dit ook niet meer opbrengen.
Het bestuur en leger functioneerden slecht.
- Lodewijk XV en XVI hadden geen interesse in het bestuur en namen
daarom vaak verkeerde beslissingen.
- De adel en geestelijken hadden veel politieke macht. Wetten die
door de koning werden opgesteld, werden dus niet overal
doorgevoerd.
- Er waren te weinig goede ambtenaren.
- Het leger raakte verzwakt door te weinig investeringen.
De standenmaatschappij zorgde voor ongelijkheid en onvrede.
De uit de middeleeuwen stammende standenmaatschappij bevoordeelde
de geestelijkheid (Eerste Stand) en de adel (Tweede Stand). Het overgrote
deel van de bevolking (97%) behoorde tot de boeren en stedelingen
(Derde Stand). De Derde Stand werd in welvaart, belastinginning,
rechtspraak en bestuursinspraak achtergesteld. De boeren en burgers
eisten dat daar verandering in zou komen.
,Je kunt uitleggen welke verschillen er tussen de drie standen in Frankrijk
bestonden.
Al eeuwenlang maakten geestelijken en edelen de dienst uit in Frankrijk.
De privileges uit de middeleeuwen golden nog steeds. Zo waren de Eerste
en Tweede Stand vrijgesteld van het betalen van belastingen. Op hun
boerderijen legden edelen wel zware belastingen op aan de boeren. De
herendiensten en belasting in goederen bestonden nog steeds. Ook bij
tegenvallende opbrengsten moesten de kleine pachtboeren grondhuur en
grondbelasting betalen. De ontevredenheid onder de boeren, die 80% van
de bevolking vormden, steeg.
Je kunt uitleggen waarom de bourgeoisie ontevreden is over de
standenmaatschappij.
Niet alleen de onvrede op het platteland nam toe. In de steden werd het
ook onrustiger. De armoede werd groter en de arbeidsomstandigheden
waren slecht. Een ambachtsman werkte lange dagen tegen weinig loon.
Vooral de rijke burgers, de bourgeoisie, begonnen zich uit te spreken
tegen deze ongelijkheden.
Geen inspraak
De handelaren, bankiers, de artsen, maar ook advocaten en notarissen
waren woedend dat zij, als leden van de Derde Stand, geen enkele
zeggenschap hadden in het bestuur. Deze kritiek werd door de koning met
boetes en opsluiting bestraft.
Ongelijke belastingverdeling
De bourgeoisie had geen inspraak in het bestuur, maar betaalde wel een
groot deel van de belastingen. Dit in tegenstelling tot de geestelijkheid en
adel, die geen belasting betaalden, maar wel lokaal en nationaal
bestuursinvloed hadden.
Ongelijke rechtspraak
Burgers en boeren kregen zwaardere straffen opgelegd voor
overtredingen dan edelen en geestelijken.
Geen aandacht voor de handel
De overheid deed geen moeite om de handel te bevorderen, tot grote
ergernis van de kooplieden. De bestuurders, vooral edelen die leefden van
de landbouw op hun grootgrondbezit, hadden geen oog voor de wensen
van handelaren.
, 6.3 Je kunt het verband leggen tussen de wetenschappelijke revolutie en
de verlichting
De wetenschappelijke revolutie is de tijd in de geschiedenis waarin er veel
belangstelling is voor het onderzoeken van de wereld door middel van
experimenten. Hierbij begonnen ze dus erg na te denken over dingen die
ze wilde weten over de natuur.
Verlichting is een denkstroming, met het hoogtepunt in de 18e eeuw,
waarbij het gebruik van het menselijk verstand centraal staat.
Het gaat bij beide om het nadenken.
Je kunt het nieuwe (revolutionaire) wetenschappelijke denken uitleggen
aan de hand van voorbeelden.
Het eerste gebied in de samenleving waar wetenschappers verandering in
wilden brengen, was religie. De invloed van de geestelijkheid op het
dagelijks leven was erg groot. Ook hielden mensen nog vast aan
bijgeloven, zoals wonderen of de duivel, die al ontkracht waren door de
wetenschap. De verlichte denkers verweten de kerkleiders dat de
kerkleiders hun gelovigen met opzet dom en onwetend wilden houden.
- Erasmus (1466 - 1536). Hij stelde – net als Maarten Luther (1483 -
1546) later - dat het christelijk geloof terug naar de oorsprong moest
en moest worden ontdaan van alle rijkdommen. Erasmus stelde dat
de katholieke geestelijkheid geld aftroggelde van de goedgelovige
burger door de verkoop van aflaten. Volgens hem moest het
christelijk geloof terug naar de oorsprong en worden ontdaan van
alle rijkdommen.
- Balthasar Bekker was een van de weinige wetenschappers die zich
openlijk af durfde te vragen of bijgeloof wel rationeel was. Vanuit dat
gedachtegoed was het nog maar een kleine stap naar de vraag of er
wel een rationele gedachte zat achter geloof in het algemeen.
- Een van de eerste filosofen die het geloof in het algemeen durfde te
bekritiseren was de filosoof Spinoza (1632 - 1677), die in de
Republiek woonde. Spinoza stelde dat als God de wereld had
geschapen, God dan dus ook verantwoordelijk was voor de
natuurwetten en wetenschap. God en de natuur zijn in zijn filosofie
haast identiek, dus volgens hem kun je door wetenschap te
beoefenen ook dichterbij God komen. Bijgeloof bestaat in zijn
theorieën niet, omdat dat in strijd is met de natuurwetten - en dus
met God. Spinoza's werk was zo omstreden, dat hij moest vluchten
voor zijn leven.
- Ook de verlichte denker Voltaire (1694 - 1778) moest vluchten
vanwege zijn teksten over religie. Hij stelde God voor als een soort
horlogemaker. De wereld was een door God geschapen uurwerk dat