Volkenrecht zelfstudie
Bronnen
Canada (Supreme court), Nevsun summary (2020)
De Canadese Hoge Raad heeft beslist dat een rechtszaak tegen het
Canadese bedrijf Nevsun kan doorgaan. Het bedrijf wordt beschuldigd van
het schenden van internationaal gewoonterecht in Eritrea.
Partijen en achtergrond:
o Eisers: Drie Eritrese arbeiders die via het nationale dienstprogramma
van Eritrea gedwongen werden te werken in zware omstandigheden
bij de Bisha-mijn tussen 2008 en 2010. Ze moesten lange uren
werken in extreme hitte en werden mishandeld. Ze zijn later
gevlucht en werden vluchtelingen.
o Verdediger: Nevsun Resources Ltd., een Canadees bedrijf gevestigd
in British Columbia, dat eigenaar is van de Bisha Mining Share
Company.
De arbeiders beschuldigden Nevsun van slavernij, dwangarbeid,
mishandeling en misdaden tegen de menselijkheid, en stelden dat deze
handelingen in strijd zijn met peremptoire normen binnen het
internationaal gewoonterecht (regels die nooit geschonden mogen
worden).
Belangrijke rechtsvragen:
1. Kan Nevsun verantwoordelijk worden gehouden voor schendingen van
internationaal gewoonterecht?
2. Is de "act of state doctrine" van toepassing, waarbij Canadese
rechtbanken niet mogen oordelen over de handelingen van een andere
staat?
Uitspraak:
o De Hoge Raad oordeelde dat de **act of state doctrine** geen deel
uitmaakt van het Canadese recht, waardoor Nevsun zich hier niet op
kan beroepen.
o Het Hof bevestigde dat **internationaal gewoonterecht automatisch
deel uitmaakt van het Canadese recht**, zonder dat hiervoor
goedkeuring van het parlement nodig is. Canadese rechtbanken
kunnen dus bedrijven verantwoordelijk houden voor schendingen
van dit recht in passende gevallen.
Beslissing:
De zaak kan verdergaan. De lagere rechtbank moet beslissen of Nevsun
daadwerkelijk het internationaal gewoonterecht heeft geschonden en, zo
ja, welke verantwoordelijkheid het bedrijf daarvoor draagt.
, De uitspraak benadrukt het belang van het bestrijden van ernstige
schendingen van mensenrechten, zoals slavernij en dwangarbeid, en
creëert een precedent voor aansprakelijkheid van bedrijven in
vergelijkbare gevallen.
US (Department of State), Guidance on non-binding documents
Regeringen leggen vaak afspraken vast in schriftelijke documenten die
geen juridisch bindende verplichtingen onder internationaal recht creëren.
Hoewel deze niet-bindende instrumenten geen wettelijke kracht hebben,
kunnen ze wel een grote morele of politieke waarde hebben en worden ze
vaak gebruikt in internationale relaties om politieke toezeggingen te
formaliseren.
Essentie en richtlijnen:
1. Vermijden van ambiguïteit: Het is belangrijk om te voorkomen
dat onduidelijkheid ontstaat over de juridische status van een
document. Onderhandelende partijen moeten expliciet bevestigen
dat een instrument niet juridisch bindend is onder internationaal
recht.
2. Taal en stijl:
o Vermijd titels zoals “verdrag” of “overeenkomst” voor niet-
bindende documenten. Termen zoals “Memorandum of
Understanding” (MOU) worden vaak gebruikt, maar dit
betekent niet automatisch dat het document niet-bindend is.
o Gebruik termen zoals “deelnemers” in plaats van “partijen” en
vermijd dwingende formuleringen zoals “zullen” of “gaan
akkoord.” Kies eerder voor termen zoals “zouden moeten” of
“van plan zijn.”
o Vermijd juridische formuleringen zoals “ondertekend op” of
“van kracht worden.” Gebruik in plaats daarvan termen zoals
“activiteiten starten” of “operationeel worden.”
o Vermeld niet dat verschillende taalversies “gelijke
authenticiteit” hebben, wat typisch is voor bindende
documenten.
o Voeg indien mogelijk een disclaimer toe waarin expliciet staat
dat het document niet juridisch bindend is.
Deze richtlijnen zijn bedoeld om duidelijkheid te scheppen en
misverstanden te voorkomen bij het opstellen van niet-bindende
documenten in internationale onderhandelingen.
Verdragen
ICJ, Gabcikovo Nagymaros Project (Hungary v Slovakia) (1997) (Lex
Animate Video 2022) zie video BB
Bronnen
Canada (Supreme court), Nevsun summary (2020)
De Canadese Hoge Raad heeft beslist dat een rechtszaak tegen het
Canadese bedrijf Nevsun kan doorgaan. Het bedrijf wordt beschuldigd van
het schenden van internationaal gewoonterecht in Eritrea.
Partijen en achtergrond:
o Eisers: Drie Eritrese arbeiders die via het nationale dienstprogramma
van Eritrea gedwongen werden te werken in zware omstandigheden
bij de Bisha-mijn tussen 2008 en 2010. Ze moesten lange uren
werken in extreme hitte en werden mishandeld. Ze zijn later
gevlucht en werden vluchtelingen.
o Verdediger: Nevsun Resources Ltd., een Canadees bedrijf gevestigd
in British Columbia, dat eigenaar is van de Bisha Mining Share
Company.
De arbeiders beschuldigden Nevsun van slavernij, dwangarbeid,
mishandeling en misdaden tegen de menselijkheid, en stelden dat deze
handelingen in strijd zijn met peremptoire normen binnen het
internationaal gewoonterecht (regels die nooit geschonden mogen
worden).
Belangrijke rechtsvragen:
1. Kan Nevsun verantwoordelijk worden gehouden voor schendingen van
internationaal gewoonterecht?
2. Is de "act of state doctrine" van toepassing, waarbij Canadese
rechtbanken niet mogen oordelen over de handelingen van een andere
staat?
Uitspraak:
o De Hoge Raad oordeelde dat de **act of state doctrine** geen deel
uitmaakt van het Canadese recht, waardoor Nevsun zich hier niet op
kan beroepen.
o Het Hof bevestigde dat **internationaal gewoonterecht automatisch
deel uitmaakt van het Canadese recht**, zonder dat hiervoor
goedkeuring van het parlement nodig is. Canadese rechtbanken
kunnen dus bedrijven verantwoordelijk houden voor schendingen
van dit recht in passende gevallen.
Beslissing:
De zaak kan verdergaan. De lagere rechtbank moet beslissen of Nevsun
daadwerkelijk het internationaal gewoonterecht heeft geschonden en, zo
ja, welke verantwoordelijkheid het bedrijf daarvoor draagt.
, De uitspraak benadrukt het belang van het bestrijden van ernstige
schendingen van mensenrechten, zoals slavernij en dwangarbeid, en
creëert een precedent voor aansprakelijkheid van bedrijven in
vergelijkbare gevallen.
US (Department of State), Guidance on non-binding documents
Regeringen leggen vaak afspraken vast in schriftelijke documenten die
geen juridisch bindende verplichtingen onder internationaal recht creëren.
Hoewel deze niet-bindende instrumenten geen wettelijke kracht hebben,
kunnen ze wel een grote morele of politieke waarde hebben en worden ze
vaak gebruikt in internationale relaties om politieke toezeggingen te
formaliseren.
Essentie en richtlijnen:
1. Vermijden van ambiguïteit: Het is belangrijk om te voorkomen
dat onduidelijkheid ontstaat over de juridische status van een
document. Onderhandelende partijen moeten expliciet bevestigen
dat een instrument niet juridisch bindend is onder internationaal
recht.
2. Taal en stijl:
o Vermijd titels zoals “verdrag” of “overeenkomst” voor niet-
bindende documenten. Termen zoals “Memorandum of
Understanding” (MOU) worden vaak gebruikt, maar dit
betekent niet automatisch dat het document niet-bindend is.
o Gebruik termen zoals “deelnemers” in plaats van “partijen” en
vermijd dwingende formuleringen zoals “zullen” of “gaan
akkoord.” Kies eerder voor termen zoals “zouden moeten” of
“van plan zijn.”
o Vermijd juridische formuleringen zoals “ondertekend op” of
“van kracht worden.” Gebruik in plaats daarvan termen zoals
“activiteiten starten” of “operationeel worden.”
o Vermeld niet dat verschillende taalversies “gelijke
authenticiteit” hebben, wat typisch is voor bindende
documenten.
o Voeg indien mogelijk een disclaimer toe waarin expliciet staat
dat het document niet juridisch bindend is.
Deze richtlijnen zijn bedoeld om duidelijkheid te scheppen en
misverstanden te voorkomen bij het opstellen van niet-bindende
documenten in internationale onderhandelingen.
Verdragen
ICJ, Gabcikovo Nagymaros Project (Hungary v Slovakia) (1997) (Lex
Animate Video 2022) zie video BB