Protozoa
Diagnose
Eencellige eukaryoten
Morfologie - Kolonievormend, weinig of geen differentiatie
- Één of meer kernig
- Zonder endo-/exoskelet, soms een beschermend schaaltje
- Bilaterale / radiale / sferische / geen symmetrie
- Meestal constante celvorm (ovaal, langwerpig, sferisch) maar wisselend
bij sommige soorten, kan veranderen naargelang omgeving & leeftijd
- Alle functies uitgevoerd door organellen
Fysiologie - Verschillende voedingsbronnen
Osmotroof: opname zonder fagocytosis v in milieu opgeloste
organische substanties
Fagotroof: opname door fagocytosis v solide voedselpartikeltjes v
dierlijke/plantaardige oorsprong
Fotosynthese: bij verlies chloroplasten → osmotroof
- Osmoregulatie door kloppende vacuolen
- Produceren vaak resistente cysten / sporen → kunnen overleven in
ongunstige omstandigheden & vergemakkelijking verspreiding
- Flagellen, cilia, pseudopodia (cytoplasmatische stroming)
Voortbeweging
- Aseksueel → binaire fissie / veelvuldige deling / knopvorming
- Seksueel → kernsmelting binnen of tussen individu, of tussen gameten
Voortplanting
- Geen embryonale ontwikkeling
Ontwikkeling
- Vrijgevend (marien, zoetwater, vochtige grond)
Habitat - Endoparasitair
- Microscopisch klein (5-250 µm)
Grootte
- 31.000 recente soorten
- Er zijn vrij levende, commensale, symbiotische & parasitaire Protozoa
Diversiteit
,Bouwplan
Kloppende vacuole
- Zeer dicht onder plasmamembraan
- Nemen progressief & meestal traag in volume toe (=diastole) voor ze plots inhoud naar
buitenwereld storten (=systole)
- Bij Protozoa met sterk gespecialiseerde oppervlakte → vaste plaats
- Gevuld via fijn kanalensysteem & monden uit naar buiten via permanente porus
- Osmoregulatie: concentratie aan opgeloste stof verschilt vaak binnen & buiten organisme,
regelt door osmose concentratie
- De activiteit van deze vacuole zijn aanzienlijk hoger aanwezig in zoetwatervormen dan in
mariene.
Kernen
- Minstens 1, vaak meer
- Meestal blaasvormig / sferisch / ovaal
- Meestal diploïd (soms polyploïd)
- Bevatten 1/> nucleoli: geassocieerd aan 1/> chromosomen
- Grote nucleolaire lichaampjes in centrum bepaalde blaasvormige kernen → karyosomen,
chromatine dan gegroepeerd aan periferie kern
Celomhulling en steunstructuren
- Pellicula & pseudopodia kunnen verstevigd zijn door proteïnevezels/skeletstaafjes v
kiezelachtig materiaal
- Intern tov plasmamembraan gesitueerd
- Veel vormen echte celwand die buiten plasmamembraan gelegen is
o Als celwand organisme nauw omsluit → schaaltje
o Als organisme los kan bewegen binnen omhulling → lorica
- Celomhullingen meestal opgebouwd uit proteïneachtige/mucopolysacharide-achtige
secretie: kunnen instaan voor hele bouw schaal/lorica of kan verstevigd worden met
vreemde materialen uit omgeving
,Voedselopname
- Fagotroof: 2 methodes
o Microfage voedselopname: 2 methodes
▪ Actieve filtering: waterstroom opgewekt door flagellen-/ciliënwerking,
partikels uit water opgenomen in voedselvacuole
▪ Celopp sterk vergroot door aanwezigheid fijne pseudopodia: vangen
prooitjes die toevallig tijdens zwemmen/drijven door water in aanraking
komen, prooi blijft kleven & wordt opgegeten
o Macrofage methode
▪ Actief bepaald voedsel/prooi opzoeken
▪ Meestal nauwe adaptie aan levenswijze
▪ Vb. brede lobvormige pseudopodia omvloeien prooitjes & sluiten ze in in
voedselvacuolen
- 2 soorten voedselvacuolen
o Fagocytotische: omsluiten grote voedselpartikels
o Pinocytotische: bevatten voedselelementen die in oplossing zijn / geabsorbeerd op
plasmamembraan
o Scherp onderscheid niet mogelijk
Voortbeweging
- Veel: voortbewegen door slijm af te scheiden → geen bewegingsorganellen nodig
- Soms: aanmaak speciale organellen zoals cilia, flagella en pseudopodia
Tijdelijke aard : Pseudopodia
- Tijdelijke uitstulpingen cytoplasma
- Breed, stomp: lobopodium
- Fijn, naaldvormig, soms vertakte, vormt geen reticulum: filopodium
- Fijn, naaldvormig, meestal onvertakte, gesteund door inwendige structuur: axopodium
- Zeer fijn vertakt type dat netwerk vormt met andere pseudopodia: reticulopodium
Blijvende aard : cilia en flagella
- Fundamenteel zelfde structuur: draadvormige organellen die ontspringen op celopp, liggen met
vrije einde in omliggende medium, zorgen voor voortbeweging v vloeistoffen rond cel / v cel in
vloeibaar midden
- Ciliën: meestal kort (+/- 10µm), komen talrijk op celopp voor
- Flagellen: lang (tot 150 µm), weinig talrijk
- Ciliënslag: gecoördineerd & snel, coördinatie veronderstelt bestaan v regulerend mechanisme,
cytoplasmatische continuïteit vereist om regelmaat te behouden, richting v slaan ciliën afh v
onderliggende cytoplasma
- Flagelbeweging: golfbeweging die vertrekt aan basis & voortplant naar top
- Ciliënbeweging: zweepslag in 1 vlak, slijve cilium buigt om aan basis tijdens actieve fase
(krachtslag) & keert slap en zijwaarts afhangend terug naar oorspronkelijke stand (terugkeerslag)
, Voortplanting en ontwikkeling
Celdeling
- Tweedeling : splitsen vd cel, kan gebeuren volgens lengte as / dwarse as.
- Veeldeling : kern deelt meerdere delen, dan direct deling v cel in meerdere dochtercellen
- Knopvorming : als de moedercel sessiel blijft zal dochtercel als knop langzaam groeien &
loskomen. Nu is dat een zwerf cel dat zal groeien en later kan delen.
Bevruchting en seksualiteit
1. Cellen vorming zich om tot gamont
2. Gamont vormt 1 of meer gameten (=gametogonie)
3. Bevruchting
o Gametogamie: vrijzwemmende gameten versmelten
o Autogamie: gameten van dezelfde gamont versmelten
o Gamontogamie: gamonten versmelten daarna versmelten gameet kernen
▪ Isogamontie: gamonten even groot
▪ Anisogamontie: micro- en macro-gamonten
Superclassis Flagellata (Mastigophora) VOOR
- Flagellen tijdens sommige levensstadia
- Soms verlies v flagellen → vervangen door gelei achtige
omhulling
- Voortplanting door lengtedeling → symmetrie
- Levenswijze
o Sommige autotroof → bevatten plastiden
▪ Geel, groen of bruin gekleurd
▪ Soms chloroplast
o Sommige heterotroof, sommige parasitair
Trypanosoma
Endoparasitair
Extracellulaire bloedparasiet
1 flagel – ontspringt uit kinestosoom
Polymorfe levenscyclus
Overgedragen door vectoren via
uitwerpselen of via een bloedmaaltijd
ACHTER
Superclassis Rhizopoda (Scarcodina)
Nooit cilia of flagellen, wel pseudopodia (verplaatsing & voeding)
Geen harde pellicula → vorm erg variabel
Soms extra cellulaire schaaltjes (buiten plasmamembraan)
Heterotroof – Vrijlevend / parasitair
Diagnose
Eencellige eukaryoten
Morfologie - Kolonievormend, weinig of geen differentiatie
- Één of meer kernig
- Zonder endo-/exoskelet, soms een beschermend schaaltje
- Bilaterale / radiale / sferische / geen symmetrie
- Meestal constante celvorm (ovaal, langwerpig, sferisch) maar wisselend
bij sommige soorten, kan veranderen naargelang omgeving & leeftijd
- Alle functies uitgevoerd door organellen
Fysiologie - Verschillende voedingsbronnen
Osmotroof: opname zonder fagocytosis v in milieu opgeloste
organische substanties
Fagotroof: opname door fagocytosis v solide voedselpartikeltjes v
dierlijke/plantaardige oorsprong
Fotosynthese: bij verlies chloroplasten → osmotroof
- Osmoregulatie door kloppende vacuolen
- Produceren vaak resistente cysten / sporen → kunnen overleven in
ongunstige omstandigheden & vergemakkelijking verspreiding
- Flagellen, cilia, pseudopodia (cytoplasmatische stroming)
Voortbeweging
- Aseksueel → binaire fissie / veelvuldige deling / knopvorming
- Seksueel → kernsmelting binnen of tussen individu, of tussen gameten
Voortplanting
- Geen embryonale ontwikkeling
Ontwikkeling
- Vrijgevend (marien, zoetwater, vochtige grond)
Habitat - Endoparasitair
- Microscopisch klein (5-250 µm)
Grootte
- 31.000 recente soorten
- Er zijn vrij levende, commensale, symbiotische & parasitaire Protozoa
Diversiteit
,Bouwplan
Kloppende vacuole
- Zeer dicht onder plasmamembraan
- Nemen progressief & meestal traag in volume toe (=diastole) voor ze plots inhoud naar
buitenwereld storten (=systole)
- Bij Protozoa met sterk gespecialiseerde oppervlakte → vaste plaats
- Gevuld via fijn kanalensysteem & monden uit naar buiten via permanente porus
- Osmoregulatie: concentratie aan opgeloste stof verschilt vaak binnen & buiten organisme,
regelt door osmose concentratie
- De activiteit van deze vacuole zijn aanzienlijk hoger aanwezig in zoetwatervormen dan in
mariene.
Kernen
- Minstens 1, vaak meer
- Meestal blaasvormig / sferisch / ovaal
- Meestal diploïd (soms polyploïd)
- Bevatten 1/> nucleoli: geassocieerd aan 1/> chromosomen
- Grote nucleolaire lichaampjes in centrum bepaalde blaasvormige kernen → karyosomen,
chromatine dan gegroepeerd aan periferie kern
Celomhulling en steunstructuren
- Pellicula & pseudopodia kunnen verstevigd zijn door proteïnevezels/skeletstaafjes v
kiezelachtig materiaal
- Intern tov plasmamembraan gesitueerd
- Veel vormen echte celwand die buiten plasmamembraan gelegen is
o Als celwand organisme nauw omsluit → schaaltje
o Als organisme los kan bewegen binnen omhulling → lorica
- Celomhullingen meestal opgebouwd uit proteïneachtige/mucopolysacharide-achtige
secretie: kunnen instaan voor hele bouw schaal/lorica of kan verstevigd worden met
vreemde materialen uit omgeving
,Voedselopname
- Fagotroof: 2 methodes
o Microfage voedselopname: 2 methodes
▪ Actieve filtering: waterstroom opgewekt door flagellen-/ciliënwerking,
partikels uit water opgenomen in voedselvacuole
▪ Celopp sterk vergroot door aanwezigheid fijne pseudopodia: vangen
prooitjes die toevallig tijdens zwemmen/drijven door water in aanraking
komen, prooi blijft kleven & wordt opgegeten
o Macrofage methode
▪ Actief bepaald voedsel/prooi opzoeken
▪ Meestal nauwe adaptie aan levenswijze
▪ Vb. brede lobvormige pseudopodia omvloeien prooitjes & sluiten ze in in
voedselvacuolen
- 2 soorten voedselvacuolen
o Fagocytotische: omsluiten grote voedselpartikels
o Pinocytotische: bevatten voedselelementen die in oplossing zijn / geabsorbeerd op
plasmamembraan
o Scherp onderscheid niet mogelijk
Voortbeweging
- Veel: voortbewegen door slijm af te scheiden → geen bewegingsorganellen nodig
- Soms: aanmaak speciale organellen zoals cilia, flagella en pseudopodia
Tijdelijke aard : Pseudopodia
- Tijdelijke uitstulpingen cytoplasma
- Breed, stomp: lobopodium
- Fijn, naaldvormig, soms vertakte, vormt geen reticulum: filopodium
- Fijn, naaldvormig, meestal onvertakte, gesteund door inwendige structuur: axopodium
- Zeer fijn vertakt type dat netwerk vormt met andere pseudopodia: reticulopodium
Blijvende aard : cilia en flagella
- Fundamenteel zelfde structuur: draadvormige organellen die ontspringen op celopp, liggen met
vrije einde in omliggende medium, zorgen voor voortbeweging v vloeistoffen rond cel / v cel in
vloeibaar midden
- Ciliën: meestal kort (+/- 10µm), komen talrijk op celopp voor
- Flagellen: lang (tot 150 µm), weinig talrijk
- Ciliënslag: gecoördineerd & snel, coördinatie veronderstelt bestaan v regulerend mechanisme,
cytoplasmatische continuïteit vereist om regelmaat te behouden, richting v slaan ciliën afh v
onderliggende cytoplasma
- Flagelbeweging: golfbeweging die vertrekt aan basis & voortplant naar top
- Ciliënbeweging: zweepslag in 1 vlak, slijve cilium buigt om aan basis tijdens actieve fase
(krachtslag) & keert slap en zijwaarts afhangend terug naar oorspronkelijke stand (terugkeerslag)
, Voortplanting en ontwikkeling
Celdeling
- Tweedeling : splitsen vd cel, kan gebeuren volgens lengte as / dwarse as.
- Veeldeling : kern deelt meerdere delen, dan direct deling v cel in meerdere dochtercellen
- Knopvorming : als de moedercel sessiel blijft zal dochtercel als knop langzaam groeien &
loskomen. Nu is dat een zwerf cel dat zal groeien en later kan delen.
Bevruchting en seksualiteit
1. Cellen vorming zich om tot gamont
2. Gamont vormt 1 of meer gameten (=gametogonie)
3. Bevruchting
o Gametogamie: vrijzwemmende gameten versmelten
o Autogamie: gameten van dezelfde gamont versmelten
o Gamontogamie: gamonten versmelten daarna versmelten gameet kernen
▪ Isogamontie: gamonten even groot
▪ Anisogamontie: micro- en macro-gamonten
Superclassis Flagellata (Mastigophora) VOOR
- Flagellen tijdens sommige levensstadia
- Soms verlies v flagellen → vervangen door gelei achtige
omhulling
- Voortplanting door lengtedeling → symmetrie
- Levenswijze
o Sommige autotroof → bevatten plastiden
▪ Geel, groen of bruin gekleurd
▪ Soms chloroplast
o Sommige heterotroof, sommige parasitair
Trypanosoma
Endoparasitair
Extracellulaire bloedparasiet
1 flagel – ontspringt uit kinestosoom
Polymorfe levenscyclus
Overgedragen door vectoren via
uitwerpselen of via een bloedmaaltijd
ACHTER
Superclassis Rhizopoda (Scarcodina)
Nooit cilia of flagellen, wel pseudopodia (verplaatsing & voeding)
Geen harde pellicula → vorm erg variabel
Soms extra cellulaire schaaltjes (buiten plasmamembraan)
Heterotroof – Vrijlevend / parasitair