Vak: vloeiendheid.
Temperamentfactoren:
Kinderen die stotteren hebben verhoogde reactiviteit & lage zelfregulatie. Dus de
rol van temperament op stotteren:
1: als je nog niet stottert, maar als je aanleg hebt voor stotteren en je hebt dus
die temperamentskenmerken (verhoogde reactiviteit en lage zelfregulatie) dan
ga je gevoeliger reageren op die uitlokkende factoren en wordt stotteren sneller
getriggerd.
2: als je al stottert ga je door uw temperament gevoeliger reageren op jouw
stottermomenten en dan ben je vatbaarder voor leerprocessen en vatbaarder dat
het zich ontwikkelt tot een probleem.
En das ook belangrijk dat je dan sensibilisatietraining geeft aan kinderen om te
leren minder gevoelig te reageren op stressvolle stimuli & op stottermomenten +
dat je ouders begeleid hoe ze best omgaan met het temperament van hun kind +
da je eventueel je opvoedingsstijl aanpast.
Diagnosogene theorie (JOHNSON):
Het stotteren begint bij de luisteraar. Vanaf ouders het stotteren gaan benoemen
kan er negativiteit ontstaan. Bewust zijn van het onvloeiend spreken =>
secundair gedrag.
Je moet stotteren negeren, MAAR is eigenlijk niet goed.
Daarna drie factoren die van belang zijn in de ontwikkeling van stotteren:
- Hoeveelheid onvloeiendheden bij kind.
- Gevoeligheid luisteraar (ouders) voor de onvloeiendheden.
- Gevoeligheid kind zelf voor de onvloeiendheden EN gevoeligheid voor
reacties van de omgeving.
Anticiperende vechthypothese (BLOODSTEIN):
Aanleiding zit in het hoofd van het kind.
Elke nieuwe spreekpoging = een moeilijkheid dat leidt tot stotterangst en
faalangst.
Het gevoel dat je gaat stotteren zorgt voor stotteren.
Approach (benaderen) avoidance (vermijden) conflict (SHEEHAN):