DEEL 9: ZEKERHEDEN
BEGRIP EN BELANG
• Waarborg voor betaling van een schuld (Een schuldeiser gebruikt een
zekerheid om zeker te zijn dat de schuld wordt afbetaald)
• Principe bij meerdere schuldeisers en vermogen schuldenaar te beperkt om elke
schuldeiser volledig te betalen: pondspondsgewijze verdeling (elke schuldeiser
zal minder terugkrijgen dan dat hij moest krijgen) ⇥ om dit te vermijden ⇥ als SE
een zekerheid vestigen
- Uitzondering: zakelijke zekerheidsrechten (of zakelijke zekerheden)
Geen zekerheid? Schuldeiser heeft risico dat hij niet (volledig) terugbetaald zal worden.
INDELING
PERSOONLIJKE ZEKERHEDEN : Een bijkomende (3de) persoon betrokken bij het
hoofdcontract.
Vb. Borg, een derde betaalt als de schuldenaar dat niet kan.( vb. een ouder)
ZAKELIJKE ZEKERHEDEN: De zekerheid wordt gekoppeld aan een bepaald goed. Een
specifiek goed van de schuldenaar dient als onderpand voor de schuld.
Vb. Hypotheek (onroerend goed) en pand (roerend goed).
Bij een hypotheek kan de bank het huis verkopen als de lening niet wordt afgelost.
KENMERKEN
Rechtstreekse band tussen houder en goed
De schuldeiser heeft direct recht op het goed dat als zekerheid dient.
‘Erga omnes’ werking
Het recht geldt tegenover iedereen, niet alleen tegenover de schuldenaar.
Volgrecht
Zelfs als het goed wordt verkocht, blijft de zekerheid bestaan op het goed.
Zakelijke subrogatie
Als het goed beschadigd raakt (bv. door brand of storm) en een verzekering
uitbetaalt, verschuift de zekerheid naar de uitgekeerde geldsom. De schuldeiser
behoudt dus zijn recht, maar nu op het verzekeringsgeld in plaats van op het
goed.
1
, HYPOTHEEK
• Zakelijk recht op onroerend goed (recht waarbij een onroerend goed bv. Huis als
onderpand dient voor een schuld.
• Hypothecaire lening = Een lening waarbij het onroerend goed als garantie dient
voor de terugbetaling.
• Hypotheekgever en -nemer = gever: de schuldenaar die zijn goed in
onderpand geeft en nemer: de schuldeiser (meestal de bank) die het recht
ontvangt.
• Hypotheek volgt goed! : Bij verkoop van onroerend goed blijft de hypotheek
bestaan. De nieuwe eigenaar moet hier rekening mee houden.
• Inschrijving kantoor Rechtszekerheid: officieel geregistreerd
- Termijn 30 jaar (hypotheekingschrijving is max 30 jaar geldig (ookal
afgesproken op 20j)
• Schuldenaar behoudt beschikkingsrecht= De schuldenaar blijft eigenaar van
het goed en mag het blijven gebruiken of zelfs verkopen.
• Schuldenaar moet goed behoeden voor waardevermindering = De
schuldenaar moet zorgen dat het goed zijn
waarde behoudt, bijvoorbeeld door
onderhoud.
- Brandpolis= Verzekering tegen
brand is verplicht om de waarde van
het goed te beschermen.
• Authentieke akte (officiële akte bij de notaris)
PAND
• Zakelijk recht op roerend goed (bv. Boot, wagen…)
• Pandgever en pandhouder= pandgever: de schuldenaar die het goed als
onderpand biedt. Pandhouder: de schuldeiser bv de bank die het recht op het
goed krijgt.
• Consensuele of vormelijke overeenkomst? (voor een pand is er niet per se een
geschrift nodig, kan mondeling)
• ‘Uitwinning’ van de pandgever of ‘pandverzilvering’: Uitwinning= als de
schuldenaar niet betaalt, kan de pandhouder het goed verkopen om de schuld te
dekken. Pandverzilvering: het proces van het omzetten van het goed in geld
(door verkoop) om de schuld in te lossen.
2
BEGRIP EN BELANG
• Waarborg voor betaling van een schuld (Een schuldeiser gebruikt een
zekerheid om zeker te zijn dat de schuld wordt afbetaald)
• Principe bij meerdere schuldeisers en vermogen schuldenaar te beperkt om elke
schuldeiser volledig te betalen: pondspondsgewijze verdeling (elke schuldeiser
zal minder terugkrijgen dan dat hij moest krijgen) ⇥ om dit te vermijden ⇥ als SE
een zekerheid vestigen
- Uitzondering: zakelijke zekerheidsrechten (of zakelijke zekerheden)
Geen zekerheid? Schuldeiser heeft risico dat hij niet (volledig) terugbetaald zal worden.
INDELING
PERSOONLIJKE ZEKERHEDEN : Een bijkomende (3de) persoon betrokken bij het
hoofdcontract.
Vb. Borg, een derde betaalt als de schuldenaar dat niet kan.( vb. een ouder)
ZAKELIJKE ZEKERHEDEN: De zekerheid wordt gekoppeld aan een bepaald goed. Een
specifiek goed van de schuldenaar dient als onderpand voor de schuld.
Vb. Hypotheek (onroerend goed) en pand (roerend goed).
Bij een hypotheek kan de bank het huis verkopen als de lening niet wordt afgelost.
KENMERKEN
Rechtstreekse band tussen houder en goed
De schuldeiser heeft direct recht op het goed dat als zekerheid dient.
‘Erga omnes’ werking
Het recht geldt tegenover iedereen, niet alleen tegenover de schuldenaar.
Volgrecht
Zelfs als het goed wordt verkocht, blijft de zekerheid bestaan op het goed.
Zakelijke subrogatie
Als het goed beschadigd raakt (bv. door brand of storm) en een verzekering
uitbetaalt, verschuift de zekerheid naar de uitgekeerde geldsom. De schuldeiser
behoudt dus zijn recht, maar nu op het verzekeringsgeld in plaats van op het
goed.
1
, HYPOTHEEK
• Zakelijk recht op onroerend goed (recht waarbij een onroerend goed bv. Huis als
onderpand dient voor een schuld.
• Hypothecaire lening = Een lening waarbij het onroerend goed als garantie dient
voor de terugbetaling.
• Hypotheekgever en -nemer = gever: de schuldenaar die zijn goed in
onderpand geeft en nemer: de schuldeiser (meestal de bank) die het recht
ontvangt.
• Hypotheek volgt goed! : Bij verkoop van onroerend goed blijft de hypotheek
bestaan. De nieuwe eigenaar moet hier rekening mee houden.
• Inschrijving kantoor Rechtszekerheid: officieel geregistreerd
- Termijn 30 jaar (hypotheekingschrijving is max 30 jaar geldig (ookal
afgesproken op 20j)
• Schuldenaar behoudt beschikkingsrecht= De schuldenaar blijft eigenaar van
het goed en mag het blijven gebruiken of zelfs verkopen.
• Schuldenaar moet goed behoeden voor waardevermindering = De
schuldenaar moet zorgen dat het goed zijn
waarde behoudt, bijvoorbeeld door
onderhoud.
- Brandpolis= Verzekering tegen
brand is verplicht om de waarde van
het goed te beschermen.
• Authentieke akte (officiële akte bij de notaris)
PAND
• Zakelijk recht op roerend goed (bv. Boot, wagen…)
• Pandgever en pandhouder= pandgever: de schuldenaar die het goed als
onderpand biedt. Pandhouder: de schuldeiser bv de bank die het recht op het
goed krijgt.
• Consensuele of vormelijke overeenkomst? (voor een pand is er niet per se een
geschrift nodig, kan mondeling)
• ‘Uitwinning’ van de pandgever of ‘pandverzilvering’: Uitwinning= als de
schuldenaar niet betaalt, kan de pandhouder het goed verkopen om de schuld te
dekken. Pandverzilvering: het proces van het omzetten van het goed in geld
(door verkoop) om de schuld in te lossen.
2