NEDERLANDS
Examen Juni 2024
4de middelbaar
1) Theater: WB p 141-150
, Tragedie: Ook wel treurspel genoemd, is een toneelstuk met een droevige gebeurtenis die ervoor
zorgt dat het slecht afloopt met het personage. Meestal wordt de hoofdpersoon gestraft vanwege
trots, hebzucht of koppigheid. Ook zit er vaak een les in die tragedie.
Komedie: Ook wel blijspel genoemd, is een toneelstuk dat de toeschouwer vooral wil doen lachen.
Het geeft een lachwekkende kijk op de mens en de realiteit in een gemakkelijk verhaal dat eindigt
met een happy end.
Jeugdtheater: De doelgroep is ongeveer 14+. En het is gemaakt voor die doelgroep omdat het vaak
over onderwerpen gaat waar zij veel interactie mee voelen.
Muziektheater: Tekst en beeld worden afgewisseld met muziek.
Danstheater: Ze vertellen een verhaal met bewegingen en choreografie.
Cour, jardin, coulisse en scène: Voor de regisseur is links en rechts anders dan voor de acteurs.
Daarom hebben ze cour en jardin uitgevonden.
Acteur: Brengt de tekst tot leven op de scène, speelt het verhaal en volgt de instructies op van de
regisseur.
Regisseur: is verantwoordelijk voor het tot stand komen van een theaterstuk. Hij begeleidt de
acteurs bij het spelen en zorgt ervoor dat muziek, decor en belichting een geheel vormen.
Dramaturg: is de artistieke adviseur van een theatergezelschap. Hij moet goed geschoold zijn in
literatuur- en theaterwetenschap en heeft verschillende taken: het samenstellen van het repertoire,
het (laten) maken van vertalingen, het volgen van recente publicaties en producties en het bijstaan
van een regisseur.
Auteur: is de schrijver van de theatertekst.
Scenograaf: is de decorontwerper.
Choreograaf: ontwerp de dansbewegingen.
Grimeteam: is verantwoordelijk voor de make-up en da kapsels van de spelers.
Theatertechnieker: houdt zich bezig met licht en geluid.
Personagevorming: De personage vorming gaat over de achtergrond van het personage, hoe
gereageerd het personage, is het een vol of een vlak karakter?
Doorlopen: Doornemen, snel bekijken
Zetproces: Het proces van het op de vloer te zetten. En het in de ruimte neer te zetten.
Voorstellingen: Het optreden van het stuk met een publiek.
Verhaalanalyse: Daardoor krijgen de spelers een inzicht in hun personage en kunnen ze zich beter
inleven in hun personage.
Examen Juni 2024
4de middelbaar
1) Theater: WB p 141-150
, Tragedie: Ook wel treurspel genoemd, is een toneelstuk met een droevige gebeurtenis die ervoor
zorgt dat het slecht afloopt met het personage. Meestal wordt de hoofdpersoon gestraft vanwege
trots, hebzucht of koppigheid. Ook zit er vaak een les in die tragedie.
Komedie: Ook wel blijspel genoemd, is een toneelstuk dat de toeschouwer vooral wil doen lachen.
Het geeft een lachwekkende kijk op de mens en de realiteit in een gemakkelijk verhaal dat eindigt
met een happy end.
Jeugdtheater: De doelgroep is ongeveer 14+. En het is gemaakt voor die doelgroep omdat het vaak
over onderwerpen gaat waar zij veel interactie mee voelen.
Muziektheater: Tekst en beeld worden afgewisseld met muziek.
Danstheater: Ze vertellen een verhaal met bewegingen en choreografie.
Cour, jardin, coulisse en scène: Voor de regisseur is links en rechts anders dan voor de acteurs.
Daarom hebben ze cour en jardin uitgevonden.
Acteur: Brengt de tekst tot leven op de scène, speelt het verhaal en volgt de instructies op van de
regisseur.
Regisseur: is verantwoordelijk voor het tot stand komen van een theaterstuk. Hij begeleidt de
acteurs bij het spelen en zorgt ervoor dat muziek, decor en belichting een geheel vormen.
Dramaturg: is de artistieke adviseur van een theatergezelschap. Hij moet goed geschoold zijn in
literatuur- en theaterwetenschap en heeft verschillende taken: het samenstellen van het repertoire,
het (laten) maken van vertalingen, het volgen van recente publicaties en producties en het bijstaan
van een regisseur.
Auteur: is de schrijver van de theatertekst.
Scenograaf: is de decorontwerper.
Choreograaf: ontwerp de dansbewegingen.
Grimeteam: is verantwoordelijk voor de make-up en da kapsels van de spelers.
Theatertechnieker: houdt zich bezig met licht en geluid.
Personagevorming: De personage vorming gaat over de achtergrond van het personage, hoe
gereageerd het personage, is het een vol of een vlak karakter?
Doorlopen: Doornemen, snel bekijken
Zetproces: Het proces van het op de vloer te zetten. En het in de ruimte neer te zetten.
Voorstellingen: Het optreden van het stuk met een publiek.
Verhaalanalyse: Daardoor krijgen de spelers een inzicht in hun personage en kunnen ze zich beter
inleven in hun personage.