Inleiding melk
1. Wat is melk?
2. Leg de bereidingsproces uit.
o Van gras tot melk
o Van boerderij tot fabriek
3. Leg uit hoe de controle van kwaliteit bij aankomst fabriek volgens de Europese wetgeving
wordt gedaan.
4. Geef de samenstelling van melk.
o Waarvan is het afhankelijk?
Melksamenstelling (100ml)
water
eiwit
waarvan caseïne
waarvan wei of
serumeiwitten
vet
lactose (melksuiker)
mineralen (Ca, P, …)
vitaminen (A, D, B2, …..)
5. Wat is kenmerkelijk aan moedermelk, schapenmelk, paardenmelk?
Lactose
6. Wat is lactose?
7. Wat is het verschil tussen L- of D-glucose?
8. Wat is de maillardreactie?
9. Wat is de licht zoete smaak? Geef het in getallen aan
10. Wat betekent relatieve zoetkracht?
11. Leg de fermantatie tot melkzuur (lactaat) uit. Teken het schematisch.
12. Leg lactose intolerantie uit.
13. Wat is lactose-vrije melk? Leg het proces uit.
1
, Relatieve zoetkracht
14. Geef de zoetkracht.
suiker zoetkracht
fructose
sacharose
invertsuiker
glucose
maltose
lactose
Caseïne
15. Baspreek caseïne.
o Teken een caseinemicel.
o Bespreek caseïne-allergie
Serumeiwitten
16. Waaruit bestaat serumeiwitten?
Enzymen
17. Bespreek de positieve als negatieve functie van enzymen.
Vet
18. Bespreek vet.
Deeltjes in melk
19. Welke deeltjes in melk zijn het grootst?
Structuur melk
20. Bespreek de structuur van melk.
21. Maak een schema.
Melkproducten
22. Wat is Zuivel?
23. Welke soorten melk ken je?
o Hoe wordt melk ingedeeld?
o Vetgehalte van elk geven
o Nauwelijks verschil in voedingswaarden? Hoe kan dat?
24. Hoe krijg je melk met verschillende vetgehaltes?
25. Wat is standaardiseren?
o En wat is de eerste stap hierbij?
▪ Wat is ontromen?
2
1. Wat is melk?
2. Leg de bereidingsproces uit.
o Van gras tot melk
o Van boerderij tot fabriek
3. Leg uit hoe de controle van kwaliteit bij aankomst fabriek volgens de Europese wetgeving
wordt gedaan.
4. Geef de samenstelling van melk.
o Waarvan is het afhankelijk?
Melksamenstelling (100ml)
water
eiwit
waarvan caseïne
waarvan wei of
serumeiwitten
vet
lactose (melksuiker)
mineralen (Ca, P, …)
vitaminen (A, D, B2, …..)
5. Wat is kenmerkelijk aan moedermelk, schapenmelk, paardenmelk?
Lactose
6. Wat is lactose?
7. Wat is het verschil tussen L- of D-glucose?
8. Wat is de maillardreactie?
9. Wat is de licht zoete smaak? Geef het in getallen aan
10. Wat betekent relatieve zoetkracht?
11. Leg de fermantatie tot melkzuur (lactaat) uit. Teken het schematisch.
12. Leg lactose intolerantie uit.
13. Wat is lactose-vrije melk? Leg het proces uit.
1
, Relatieve zoetkracht
14. Geef de zoetkracht.
suiker zoetkracht
fructose
sacharose
invertsuiker
glucose
maltose
lactose
Caseïne
15. Baspreek caseïne.
o Teken een caseinemicel.
o Bespreek caseïne-allergie
Serumeiwitten
16. Waaruit bestaat serumeiwitten?
Enzymen
17. Bespreek de positieve als negatieve functie van enzymen.
Vet
18. Bespreek vet.
Deeltjes in melk
19. Welke deeltjes in melk zijn het grootst?
Structuur melk
20. Bespreek de structuur van melk.
21. Maak een schema.
Melkproducten
22. Wat is Zuivel?
23. Welke soorten melk ken je?
o Hoe wordt melk ingedeeld?
o Vetgehalte van elk geven
o Nauwelijks verschil in voedingswaarden? Hoe kan dat?
24. Hoe krijg je melk met verschillende vetgehaltes?
25. Wat is standaardiseren?
o En wat is de eerste stap hierbij?
▪ Wat is ontromen?
2