NTW: module 4
- Biochemie = de studie van de chemische processen in een levend organisme en de analyse van
het organisme
- Organische verbindingen = moleculen die het element C bevat naast 1/meer andere elementen
Koolstofchemie
Alle C-verbindingen die men in de natuur vindt zijn gevormd door organismen of
afgeleverd van producten die door organismen gemaakt werden
- Anorganische verbindingen komen voor in gesteenten, lucht, bodem en water
CO, CO2, carbonaten (CO3-2), HCO3 en cyaniden
1. Water
Hoofdbestanddeel van alle levende wezens
> 90% van levend deel van cel, protoplast = water
o Plant: cytoplasma, vacuole, hout- en zeefvaten
o Dier: ¾ in cellen, ¼ buiten cellen
- Functies:
o Deel van structurele opbouw van cellen + weefsels
o Oplos- + transportmiddel van stoffen die door organisme opgenomen + afgegeven
worden en vervoerd in organisme
o Deelnemen aan bepaalde biochemische reacties
o Bijna alle biochemische reacties enkel mogelijk in waterige oplossingen
2. Mineralen
- Droge stof zonder water bevat alle koolstof- + organische verbindingen
- Koolstofverbindingen scheiden door verassing van droge stof
In as enkel anorganische verbindingen
3. Koolstofverbindingen
- 4 belangrijke groepen: sachariden, vetten, eiwitten en nucleïnezuren
- Van belang omdat:
o Aanwezig in bijna alle cellen als bouwstof
o Betrokken in chemische reacties van cel
o Betrokken in structuur van genen
o Belang in metabolisme van organisme
o Als reserve opgeslagen kunnen worden in cellen
A) Sachariden = suikers = koolhydraten
Mono-, oligo- en polysachariden
1) Monosachariden
Door zuren niet in meer enkelvoudige suikers te splitsen
Smaken meestal zoet
Oplosbaar in water
, a) Glucose (= druivensuiker/dextrose)
- C6H12O6
-Kenmerken:
b) Fructose
o Wit, (vruchtensuiker/levulose)
zoet poeder
- Kenmerken:
o In allerlei vruchten
o o Alleen/gemengd met glucose in vruchten + nectar
Dextrogen = energiebron sporters
o Zoeter dan glucose
o Gemengd met water = stroopachtige oplossing
c) Galactose
- Kenmerken:
o Niet vrij voorkomen in levende organismen
o Ontstaat bij afbraak van lactose
2) Disachariden
Verbindingen van 2 monosachariden met afsplitsing van 1 molecule water
2 C6H12O6 C12H22O11 + H2O
- Splitsing van disacharide in 2 monosacharide-eenheden = hydrolyse
o Labo: verwarming met verdund zuur/base
o Verteringsproces: enzymen
a) Sacharose (riet- of bietsuiker)
Gewone huishoudsuiker (kristalsuiker, klontjes,…)
Fructose + glucose
- Kenmerken:
o In vruchten + andere plantendelen met fructose en glucose
o Witte substantie
o Oplosbaar in water
o Zoet door aanwezigheid van fructose
b) Lactose (= melksuiker)
Komt voor in melk
Hydrolyse: glucose + galactose
- Kenmerken:
o Niet zo zoet als bietsuiker
o Korrelig in de mond
o Witte stof
c) Maltose (= moutsuiker)
Gekiemde gerst die als mout gebruikt wordt in bierbereiding
Hydrolyse: 2 moleculen glucose
3) Polysachariden
Opgebouwd uit groot aantal monosachariden waarbij telkens 1 molecule H 2O
tussen 2 OH-groepen van aaneengesloten monosachariden afgesplitst is
n C6H12O6 (C6H10O5)n + n H2O
- Biochemie = de studie van de chemische processen in een levend organisme en de analyse van
het organisme
- Organische verbindingen = moleculen die het element C bevat naast 1/meer andere elementen
Koolstofchemie
Alle C-verbindingen die men in de natuur vindt zijn gevormd door organismen of
afgeleverd van producten die door organismen gemaakt werden
- Anorganische verbindingen komen voor in gesteenten, lucht, bodem en water
CO, CO2, carbonaten (CO3-2), HCO3 en cyaniden
1. Water
Hoofdbestanddeel van alle levende wezens
> 90% van levend deel van cel, protoplast = water
o Plant: cytoplasma, vacuole, hout- en zeefvaten
o Dier: ¾ in cellen, ¼ buiten cellen
- Functies:
o Deel van structurele opbouw van cellen + weefsels
o Oplos- + transportmiddel van stoffen die door organisme opgenomen + afgegeven
worden en vervoerd in organisme
o Deelnemen aan bepaalde biochemische reacties
o Bijna alle biochemische reacties enkel mogelijk in waterige oplossingen
2. Mineralen
- Droge stof zonder water bevat alle koolstof- + organische verbindingen
- Koolstofverbindingen scheiden door verassing van droge stof
In as enkel anorganische verbindingen
3. Koolstofverbindingen
- 4 belangrijke groepen: sachariden, vetten, eiwitten en nucleïnezuren
- Van belang omdat:
o Aanwezig in bijna alle cellen als bouwstof
o Betrokken in chemische reacties van cel
o Betrokken in structuur van genen
o Belang in metabolisme van organisme
o Als reserve opgeslagen kunnen worden in cellen
A) Sachariden = suikers = koolhydraten
Mono-, oligo- en polysachariden
1) Monosachariden
Door zuren niet in meer enkelvoudige suikers te splitsen
Smaken meestal zoet
Oplosbaar in water
, a) Glucose (= druivensuiker/dextrose)
- C6H12O6
-Kenmerken:
b) Fructose
o Wit, (vruchtensuiker/levulose)
zoet poeder
- Kenmerken:
o In allerlei vruchten
o o Alleen/gemengd met glucose in vruchten + nectar
Dextrogen = energiebron sporters
o Zoeter dan glucose
o Gemengd met water = stroopachtige oplossing
c) Galactose
- Kenmerken:
o Niet vrij voorkomen in levende organismen
o Ontstaat bij afbraak van lactose
2) Disachariden
Verbindingen van 2 monosachariden met afsplitsing van 1 molecule water
2 C6H12O6 C12H22O11 + H2O
- Splitsing van disacharide in 2 monosacharide-eenheden = hydrolyse
o Labo: verwarming met verdund zuur/base
o Verteringsproces: enzymen
a) Sacharose (riet- of bietsuiker)
Gewone huishoudsuiker (kristalsuiker, klontjes,…)
Fructose + glucose
- Kenmerken:
o In vruchten + andere plantendelen met fructose en glucose
o Witte substantie
o Oplosbaar in water
o Zoet door aanwezigheid van fructose
b) Lactose (= melksuiker)
Komt voor in melk
Hydrolyse: glucose + galactose
- Kenmerken:
o Niet zo zoet als bietsuiker
o Korrelig in de mond
o Witte stof
c) Maltose (= moutsuiker)
Gekiemde gerst die als mout gebruikt wordt in bierbereiding
Hydrolyse: 2 moleculen glucose
3) Polysachariden
Opgebouwd uit groot aantal monosachariden waarbij telkens 1 molecule H 2O
tussen 2 OH-groepen van aaneengesloten monosachariden afgesplitst is
n C6H12O6 (C6H10O5)n + n H2O