Overzicht van de gewervelde dieren
1. Zoogdieren
- Wijfje van zoogdier brengt levende jongen ter wereld
Door moederdier gezoogd = jongen zuigen melk uit melkklieren aan buikzijde
- Kenmerken:
o Lichaam = met haren bedekt bezitten pels/vacht
o Lopen op 2 paar poten
o Ademen d.m.v. longen
o Standvastige lichaamstemperatuur van ± 37°C
Verandert niet bij wijzigingen in temperatuur van omgeving
- Uitzonderingen:
o Dolfijnen + walvissen
Brengen in zee jongen ter wereld, die gezoogd worden
Hebben longen + moeten aan wateroppervlak komen om lucht te happen
Geen haren + alleen 1 paar vinvormige voorpoten
o Zeehond
2 paar vinvormige poten die hij gebruikt om te zwemmen
Jongen worden op land geboren
o Vleermuizen kunnen vliegen + voorste ledematen zijn vleugels
2. Vogels
- Wijfjes van vogels leggen eieren met een harde kalkschaal
Bebroed + door lichaamswarmte ontwikkelen de jongen zich in het ei
- Kenmerken:
o Lichaam = bedekt met veren
o Vliegen m.b.v. vleugels
o Met poten op land lopen
o Veel soorten: zwemmen + duiken
o Ademen d.m.v. longen
o Standvastige lichaamstemperatuur van 42 tot 45°C
- ‘Rare’ vogels:
o Pinguïns
Kleine veren + eerder schubvormig
Vleugels = vinvormig: ze kunnen ermee zwemmen, maar niet vliegen
o Struisvogels kunnen niet vliegen, zelfs al hebben ze vleugels
3. Reptielen (vroeger kruipende dieren)
- Leggen eieren die harde kalk-/leerachtige schaal hebben
Altijd op land gelegd + niet bebroed
, - Kenmerken:
o Huid = bedekt met schubben
o Ademen d.m.v. longen
o Wisselende lichaamstemperatuur
Hun temperatuur verandert met die van omgeving + ongeveer eraan gelijk is
- Land- en waterdieren
o Hagedissen = landdieren, die zich kruipend voortbewegen
4 poten, die zijdelings van het lichaam staan
Poten geven alleen steun bij beweging
o Hazelworm = hagedis, maar die heeft geen poten
o Slangen geen poten
Uit onze streken leven vooral op bodem
Veel tropische slangen leven in bomen en struikgewas
Meeste slangen kunnen ook zwemmen
o Krokodillen verblijven meestal in het water
o Sommige soorten schildpadden leven op het land, andere in het water
4. Amfibieën
- ‘Amfi’ = ‘aan beide zijden’ + ‘bios’ = ‘leven’
Dieren komen uit eitjes in water + vele kunnen als volwassen dieren ook op het land leven
- Alle amfibieën leggen eieren in water
Niet omringd door schaal, maar door geleiachtig omhulsel
Komen larven uit = jonge dieren, die niet op hun volwassen soortgenoten lijken
- Kenmerken:
o Huid = naakt geen haren/veren/schubben
o Larven: hebben kieuwen + kunnen alleen in water leven
o Larven volwassen: kieuwen verdwijnen + longen ontstaan
o Veel volwassen ademen door hun huid
o Wisselende lichaamstemperatuur
5. Vissen
- Voortplanting = door eieren, die in water worden afgezet
Kleine visjes groeien, die geleidelijk volwassen worden
- Kenmerken:
o In slijmerige huid schubben
o Vinnen die ze gebruiken om te zwemmen + in water te sturen (ledematen)
o Ademen door kieuwen achteraan de kop
o Lichaamstemperatuur varieert
1. Zoogdieren
- Wijfje van zoogdier brengt levende jongen ter wereld
Door moederdier gezoogd = jongen zuigen melk uit melkklieren aan buikzijde
- Kenmerken:
o Lichaam = met haren bedekt bezitten pels/vacht
o Lopen op 2 paar poten
o Ademen d.m.v. longen
o Standvastige lichaamstemperatuur van ± 37°C
Verandert niet bij wijzigingen in temperatuur van omgeving
- Uitzonderingen:
o Dolfijnen + walvissen
Brengen in zee jongen ter wereld, die gezoogd worden
Hebben longen + moeten aan wateroppervlak komen om lucht te happen
Geen haren + alleen 1 paar vinvormige voorpoten
o Zeehond
2 paar vinvormige poten die hij gebruikt om te zwemmen
Jongen worden op land geboren
o Vleermuizen kunnen vliegen + voorste ledematen zijn vleugels
2. Vogels
- Wijfjes van vogels leggen eieren met een harde kalkschaal
Bebroed + door lichaamswarmte ontwikkelen de jongen zich in het ei
- Kenmerken:
o Lichaam = bedekt met veren
o Vliegen m.b.v. vleugels
o Met poten op land lopen
o Veel soorten: zwemmen + duiken
o Ademen d.m.v. longen
o Standvastige lichaamstemperatuur van 42 tot 45°C
- ‘Rare’ vogels:
o Pinguïns
Kleine veren + eerder schubvormig
Vleugels = vinvormig: ze kunnen ermee zwemmen, maar niet vliegen
o Struisvogels kunnen niet vliegen, zelfs al hebben ze vleugels
3. Reptielen (vroeger kruipende dieren)
- Leggen eieren die harde kalk-/leerachtige schaal hebben
Altijd op land gelegd + niet bebroed
, - Kenmerken:
o Huid = bedekt met schubben
o Ademen d.m.v. longen
o Wisselende lichaamstemperatuur
Hun temperatuur verandert met die van omgeving + ongeveer eraan gelijk is
- Land- en waterdieren
o Hagedissen = landdieren, die zich kruipend voortbewegen
4 poten, die zijdelings van het lichaam staan
Poten geven alleen steun bij beweging
o Hazelworm = hagedis, maar die heeft geen poten
o Slangen geen poten
Uit onze streken leven vooral op bodem
Veel tropische slangen leven in bomen en struikgewas
Meeste slangen kunnen ook zwemmen
o Krokodillen verblijven meestal in het water
o Sommige soorten schildpadden leven op het land, andere in het water
4. Amfibieën
- ‘Amfi’ = ‘aan beide zijden’ + ‘bios’ = ‘leven’
Dieren komen uit eitjes in water + vele kunnen als volwassen dieren ook op het land leven
- Alle amfibieën leggen eieren in water
Niet omringd door schaal, maar door geleiachtig omhulsel
Komen larven uit = jonge dieren, die niet op hun volwassen soortgenoten lijken
- Kenmerken:
o Huid = naakt geen haren/veren/schubben
o Larven: hebben kieuwen + kunnen alleen in water leven
o Larven volwassen: kieuwen verdwijnen + longen ontstaan
o Veel volwassen ademen door hun huid
o Wisselende lichaamstemperatuur
5. Vissen
- Voortplanting = door eieren, die in water worden afgezet
Kleine visjes groeien, die geleidelijk volwassen worden
- Kenmerken:
o In slijmerige huid schubben
o Vinnen die ze gebruiken om te zwemmen + in water te sturen (ledematen)
o Ademen door kieuwen achteraan de kop
o Lichaamstemperatuur varieert