Gram-positieve staven
Aërobe en facultatief aërobe grampositieve staven:
1. Corynebacterium
2. Listeria
3. Lactobacillus Niet-sporenvormend
4. Erysipelothrix
5. Rhodococcus
6. Nocardia → vertakte staven en behoort tot de straalschimmels
7. Bacillus → sporenvormend
8. Gardnerella → gram-intermediaire staven
Strikt anaërobe grampositieve staven:
1. Clostridium
2. Actinomyces (= straalschimmels)
3. Propionibacterium
,1. Corynebacterium
Er zijn verschillende soorten binnen het geslacht Corynebacterium:
Corynebacterium diphtheriae → difteriebacil
> 50 andere soorten → pseudodifteriebacillen
Voorkomen:
▪ C. diphtheriae is strikt menselijke pathogeen
▪ Pseudodifteriebacillen zijn commensalen op de huid en slijmvliezen
Pathogeen vermogen:
▪ C. diphtheriae: difterie of kroep
→ Necrose van de keelmucosa en fibrineneerslag
→ Pseudomembraanvorming met gevaar voor verstikking
→ Produceren exotoxine dat via de bloedbaan de hartspier + perifere zenuwen kan
bereiken
→ Gevolg: verlammingen van de oog-, slik- en ademhalingsspieren
▪ Pseudodifteriebacillen zijn zelden pathogeen
→ Enkele soorten komen (iets) meer frequent voor als pathogeen:
➢ C. urealyticum: cystitis vaak verwikkeld met steenvorming
➢ C. jeikeium: bacteriëmie (bij dragers van katheters) en endocarditis
Overdracht: Via droplets en direct contact
Labo-diagnose:
▪ Gramkleuring: pleoform uitzicht met vaak verbrede uiteinden (knuppelvormig)
▪ Niet sporenvormend
▪ Katalase +
▪ Onbeweeglijk
▪ H2S -
▪ Facultatief aëroob
▪ C. diphtheriae:
➢ Groei op Löfflerbodem en tellurietbodem
➢ Gramkleuring: polymorfe fijne middellange staven met vaak gezwollen uiteinden
→ Onregelmatige kleuring vooral na kweek op Löfflerbodem (metachromatische
korrels)
➢ PCR voor de detectie van toxine
▪ Pseudodifteriebacillen:
➢ Groei op bloedagar → punctiforme kolonies na 24u
➢ C. urealyticum en C. jeikeium zijn zeer resistent aan antibiotica
→ Ze zijn wel gevoelig aan vancomycine en teicoplanine
,2. Listeria
Voorkomen:
▪ Zeer verspreid voorkomen in de natuur (water, grond, …) → veel hiervan zijn niet-pathogeen
▪ In de darminhoud van veel diersoorten
▪ Als commensaal in de darm van de mens → bij 1 – 5% van de gezonde bevolking
Overdracht: Via voedsel
→ Listeria groeit ook bij 4°C en is resistent aan nitrieten en zout
---> Gevolg: “food-borne” epidemieën
→ O.a. niet gepasteuriseerde melkproducten (kazen, …), rauwe groenten, vlees, …
Pathogeen vermogen:
▪ Zeldzame verwekker van meningitis, sepsis en encefalitis (hersenontsteking) bij volwassenen
→ Meestal bij patiënten met voorbeschikkende factoren
▪ Infectie tijdens de zwangerschap (de moeder): aspecifiek griepaal syndroom
→ Kan via de placenta aan de vrucht doorgegeven worden (transplacentair)
---> Gevolg: neonatale infectie
→ Ofwel doodgeboorte
→ Ofwel vroeggeboorte
→ Ofwel een veralgemeende ziekte bij de neonaat met meningitis, sepsis
en huidvesikels (purpere vlekken)
Labo-diagnose:
▪ Gramkleuring: (kleine) grampositieve staven met afgeronde uiteinden
▪ Isolatie :
➢ Groei op bloedagar
→ Met een smalle zone van β-hemolyse (pas duidelijk na 48u incubatie of na
wegnemen van een kolonie)
→ Incubatie bij 5 – 10% CO2
➢ Selectieve bloedagar met nalidixinezuur → voor isolatie uit mengflora
➢ Koude verrijking op 4° in bouillon → vooral voor omgevingskweken
▪ Identificatie:
➢ Niet sporenvormend
➢ Katalase +
➢ Sterk beweeglijk → door flagellen (zichtbaar met elektronenmicroscoop)
➢ H2S -
➢ Facultatief aëroob
➢ Breken esculine af
, ➢ Vergisten glucose zonder gas → gele stomp bij Kligler test
➢ VP +
➢ Serotypering m.b.v. antisera gericht tegen cellulaire (O)- en flagellaire (H)-antigen
Preventie: Zwangere vrouwen en immuungedeprimeerden vermijden best voedingswaren met een
verhoogd risico op besmetting (bv. rauwe melk, verse witte kaas, paté, ...)
3. Lactobacillus
= Melkzuurbacillen
Voorkomen: Commensalen t.h.v. de vagina, gastro-intestinaal stelsel, mond, …
→ Vanaf de puberteit (onder invloed van oestrogene hormonen) wordt glycogeen
opgestapeld in het vaginaal epitheel
---> Dit glycogeen is een geschikt voedingssubstraat voor Lactobacillus die het door
vergisting omzet in melkzuur (de pH daalt (= chemisch defensiemechanisme))
Pathogeen vermogen: Uiterst zeldzaam
Labo-diagnose:
▪ Gramkleuring: lange slanke staven die makkelijk ontkleuren (gramlabiel)
▪ Groei op bloedagar → met α-hemolyse of geen hemolyse
▪ Niet sporenvormend
▪ Katalase -
▪ Oxidase -
▪ Onbeweeglijk
▪ H2S -
▪ Facultatief aëroob
,4. Bacillus
Er zijn verschillende soorten binnen het geslacht Bacillus:
Bacillus anthracis → anthraxbacil
> 70 andere soorten
Voorkomen: Saprofiet → zeer sterk verspreid in de omgeving
Pathogeen vermogen:
▪ Saprofytaire Bacillus-soorten hebben geen pathogeen vermogen
▪ Uitzonderingen:
➢ B. anthracis veroorzaakt miltzuur (anthrax)
→ Cutane anthrax en pulmonaire anthrax
➢ B. cereus produceert enterotoxinen in voedsel
→ Dit is de oorzaak van kortstondige voedselintoxicatie
→ Braken-type (1 – 5u na inname van het gecontamineerd voedsel)
→ Diarree-type (8 – 16u na inname van het gecontamineerd voedsel)
Labo-diagnose:
▪ Gramkleuring: grampositieve staven met sporen die niet uitpuilen
→ Ze ontkleuren snel (vooral oudere culturen)
→ Je ziet stukjes positief en stukjes negatief
▪ Sporenvormend (puilen niet uit)
→ Kan uitgelokt worden door groei in ongunstige omstandigheden
---> Incubatie bij 45°C of met een vancomycine-schijfje
▪ Beweeglijk → B. anthracis is onbeweeglijk!
▪ Strikt aëroob (sommige soorten zijn facultatief aëroob)
▪ Snelle groei op bloedagar en andere voedingsbodems
→ Met grote matte kolonies met een onregelmatige rand
→ Na 24u incubatie zijn slijmerige kolonies mogelijk
, 5. Gardnerella
1 soort: Gardnerella vaginalis
Voorkomen: Anorectale en vaginale flora bij de mens
→ Dus een commensaal (anorectaal) die een ontsteking kan veroorzaken als ze op de
foute plek (vagina) terecht komt
Pathogeen vermogen:
▪ Doet meestal niets maar kan wel pathogeen worden in samenspraak met een anaerobe kiem
▪ Vaginitis (niet specifieke vaginose of bacteriële vaginose)
▪ Bij zwangere vrouwen kan overgroei aanleiding geven tot vroeggeboorte, vroegtijdig
gebroken vliezen, …
▪ Urethritis bij mannen → meestal asymptomatisch (dus zonder symptomen) maar kan
doorgegeven worden
Labo-diagnose:
▪ Grijswit vaginaal verlies + druppel KOH 10% = visgeur t.g.v. hoge concentraties aan amines
▪ Vaginale pH > 4,5
▪ Na gramkleuring zijn “clue cells” zichtbaar onder de microscoop
→ Clue cells = vaginale epitheelcellen beladen met talrijke polymorfe bacteriën
→ Dit is de gouden standaard om het geslacht Gardnerella te identificeren!
▪ Gramkleuring: gram-intermediaire staven
→ Er zijn zowel gramnegatieve als grampositieve coccobacillen en bacillen aanwezig
▪ Isolatie:
➢ Groei op paarden- en/of schapenbloed → groei zonder β-hemolyse
➢ Groei op mensenbloed → groei met β-hemolyse
➢ Incubatievoorwaarden:
Veel groeifactoren nodig (rijke voedingsbodems)
5 – 10% CO2
24 – 48u
37°C
▪ SPS (polyanetholsulfonaat) gevoelig
→ Er wordt een SPS-schijfje aangebracht op bloedagar
na het enten van het staal
Aërobe en facultatief aërobe grampositieve staven:
1. Corynebacterium
2. Listeria
3. Lactobacillus Niet-sporenvormend
4. Erysipelothrix
5. Rhodococcus
6. Nocardia → vertakte staven en behoort tot de straalschimmels
7. Bacillus → sporenvormend
8. Gardnerella → gram-intermediaire staven
Strikt anaërobe grampositieve staven:
1. Clostridium
2. Actinomyces (= straalschimmels)
3. Propionibacterium
,1. Corynebacterium
Er zijn verschillende soorten binnen het geslacht Corynebacterium:
Corynebacterium diphtheriae → difteriebacil
> 50 andere soorten → pseudodifteriebacillen
Voorkomen:
▪ C. diphtheriae is strikt menselijke pathogeen
▪ Pseudodifteriebacillen zijn commensalen op de huid en slijmvliezen
Pathogeen vermogen:
▪ C. diphtheriae: difterie of kroep
→ Necrose van de keelmucosa en fibrineneerslag
→ Pseudomembraanvorming met gevaar voor verstikking
→ Produceren exotoxine dat via de bloedbaan de hartspier + perifere zenuwen kan
bereiken
→ Gevolg: verlammingen van de oog-, slik- en ademhalingsspieren
▪ Pseudodifteriebacillen zijn zelden pathogeen
→ Enkele soorten komen (iets) meer frequent voor als pathogeen:
➢ C. urealyticum: cystitis vaak verwikkeld met steenvorming
➢ C. jeikeium: bacteriëmie (bij dragers van katheters) en endocarditis
Overdracht: Via droplets en direct contact
Labo-diagnose:
▪ Gramkleuring: pleoform uitzicht met vaak verbrede uiteinden (knuppelvormig)
▪ Niet sporenvormend
▪ Katalase +
▪ Onbeweeglijk
▪ H2S -
▪ Facultatief aëroob
▪ C. diphtheriae:
➢ Groei op Löfflerbodem en tellurietbodem
➢ Gramkleuring: polymorfe fijne middellange staven met vaak gezwollen uiteinden
→ Onregelmatige kleuring vooral na kweek op Löfflerbodem (metachromatische
korrels)
➢ PCR voor de detectie van toxine
▪ Pseudodifteriebacillen:
➢ Groei op bloedagar → punctiforme kolonies na 24u
➢ C. urealyticum en C. jeikeium zijn zeer resistent aan antibiotica
→ Ze zijn wel gevoelig aan vancomycine en teicoplanine
,2. Listeria
Voorkomen:
▪ Zeer verspreid voorkomen in de natuur (water, grond, …) → veel hiervan zijn niet-pathogeen
▪ In de darminhoud van veel diersoorten
▪ Als commensaal in de darm van de mens → bij 1 – 5% van de gezonde bevolking
Overdracht: Via voedsel
→ Listeria groeit ook bij 4°C en is resistent aan nitrieten en zout
---> Gevolg: “food-borne” epidemieën
→ O.a. niet gepasteuriseerde melkproducten (kazen, …), rauwe groenten, vlees, …
Pathogeen vermogen:
▪ Zeldzame verwekker van meningitis, sepsis en encefalitis (hersenontsteking) bij volwassenen
→ Meestal bij patiënten met voorbeschikkende factoren
▪ Infectie tijdens de zwangerschap (de moeder): aspecifiek griepaal syndroom
→ Kan via de placenta aan de vrucht doorgegeven worden (transplacentair)
---> Gevolg: neonatale infectie
→ Ofwel doodgeboorte
→ Ofwel vroeggeboorte
→ Ofwel een veralgemeende ziekte bij de neonaat met meningitis, sepsis
en huidvesikels (purpere vlekken)
Labo-diagnose:
▪ Gramkleuring: (kleine) grampositieve staven met afgeronde uiteinden
▪ Isolatie :
➢ Groei op bloedagar
→ Met een smalle zone van β-hemolyse (pas duidelijk na 48u incubatie of na
wegnemen van een kolonie)
→ Incubatie bij 5 – 10% CO2
➢ Selectieve bloedagar met nalidixinezuur → voor isolatie uit mengflora
➢ Koude verrijking op 4° in bouillon → vooral voor omgevingskweken
▪ Identificatie:
➢ Niet sporenvormend
➢ Katalase +
➢ Sterk beweeglijk → door flagellen (zichtbaar met elektronenmicroscoop)
➢ H2S -
➢ Facultatief aëroob
➢ Breken esculine af
, ➢ Vergisten glucose zonder gas → gele stomp bij Kligler test
➢ VP +
➢ Serotypering m.b.v. antisera gericht tegen cellulaire (O)- en flagellaire (H)-antigen
Preventie: Zwangere vrouwen en immuungedeprimeerden vermijden best voedingswaren met een
verhoogd risico op besmetting (bv. rauwe melk, verse witte kaas, paté, ...)
3. Lactobacillus
= Melkzuurbacillen
Voorkomen: Commensalen t.h.v. de vagina, gastro-intestinaal stelsel, mond, …
→ Vanaf de puberteit (onder invloed van oestrogene hormonen) wordt glycogeen
opgestapeld in het vaginaal epitheel
---> Dit glycogeen is een geschikt voedingssubstraat voor Lactobacillus die het door
vergisting omzet in melkzuur (de pH daalt (= chemisch defensiemechanisme))
Pathogeen vermogen: Uiterst zeldzaam
Labo-diagnose:
▪ Gramkleuring: lange slanke staven die makkelijk ontkleuren (gramlabiel)
▪ Groei op bloedagar → met α-hemolyse of geen hemolyse
▪ Niet sporenvormend
▪ Katalase -
▪ Oxidase -
▪ Onbeweeglijk
▪ H2S -
▪ Facultatief aëroob
,4. Bacillus
Er zijn verschillende soorten binnen het geslacht Bacillus:
Bacillus anthracis → anthraxbacil
> 70 andere soorten
Voorkomen: Saprofiet → zeer sterk verspreid in de omgeving
Pathogeen vermogen:
▪ Saprofytaire Bacillus-soorten hebben geen pathogeen vermogen
▪ Uitzonderingen:
➢ B. anthracis veroorzaakt miltzuur (anthrax)
→ Cutane anthrax en pulmonaire anthrax
➢ B. cereus produceert enterotoxinen in voedsel
→ Dit is de oorzaak van kortstondige voedselintoxicatie
→ Braken-type (1 – 5u na inname van het gecontamineerd voedsel)
→ Diarree-type (8 – 16u na inname van het gecontamineerd voedsel)
Labo-diagnose:
▪ Gramkleuring: grampositieve staven met sporen die niet uitpuilen
→ Ze ontkleuren snel (vooral oudere culturen)
→ Je ziet stukjes positief en stukjes negatief
▪ Sporenvormend (puilen niet uit)
→ Kan uitgelokt worden door groei in ongunstige omstandigheden
---> Incubatie bij 45°C of met een vancomycine-schijfje
▪ Beweeglijk → B. anthracis is onbeweeglijk!
▪ Strikt aëroob (sommige soorten zijn facultatief aëroob)
▪ Snelle groei op bloedagar en andere voedingsbodems
→ Met grote matte kolonies met een onregelmatige rand
→ Na 24u incubatie zijn slijmerige kolonies mogelijk
, 5. Gardnerella
1 soort: Gardnerella vaginalis
Voorkomen: Anorectale en vaginale flora bij de mens
→ Dus een commensaal (anorectaal) die een ontsteking kan veroorzaken als ze op de
foute plek (vagina) terecht komt
Pathogeen vermogen:
▪ Doet meestal niets maar kan wel pathogeen worden in samenspraak met een anaerobe kiem
▪ Vaginitis (niet specifieke vaginose of bacteriële vaginose)
▪ Bij zwangere vrouwen kan overgroei aanleiding geven tot vroeggeboorte, vroegtijdig
gebroken vliezen, …
▪ Urethritis bij mannen → meestal asymptomatisch (dus zonder symptomen) maar kan
doorgegeven worden
Labo-diagnose:
▪ Grijswit vaginaal verlies + druppel KOH 10% = visgeur t.g.v. hoge concentraties aan amines
▪ Vaginale pH > 4,5
▪ Na gramkleuring zijn “clue cells” zichtbaar onder de microscoop
→ Clue cells = vaginale epitheelcellen beladen met talrijke polymorfe bacteriën
→ Dit is de gouden standaard om het geslacht Gardnerella te identificeren!
▪ Gramkleuring: gram-intermediaire staven
→ Er zijn zowel gramnegatieve als grampositieve coccobacillen en bacillen aanwezig
▪ Isolatie:
➢ Groei op paarden- en/of schapenbloed → groei zonder β-hemolyse
➢ Groei op mensenbloed → groei met β-hemolyse
➢ Incubatievoorwaarden:
Veel groeifactoren nodig (rijke voedingsbodems)
5 – 10% CO2
24 – 48u
37°C
▪ SPS (polyanetholsulfonaat) gevoelig
→ Er wordt een SPS-schijfje aangebracht op bloedagar
na het enten van het staal