6. Mycology
Prokaryoot (geen celkern) en eukaryoot (wel celkern)
3 grote klassen
- Schimmels (molds)
o Vb. Aspergillis niger = zwarte puntjes in badkamer
- Gisten (yeasts)
o Vb. Candida albicans
- Dermatofyten (dermatofyts) = typisch fungi die op de huid voorkomen
Algemene structuur schimmels (molds)
- Fungaal lichaam met hyphae = netwerk van aan elkaar gekoppelde cellen
o Vegetatieve hyphae opname voedingsstoffen
Septische hyphae = tussen cellen wandje met kleine openingen waar
maar bepaalde voedingsstoffen door kunnen
Coenocytische hyphae = geen septa tussen cellen
o Aeriale hyphae (opp) reproductie (bevatten sporen die zich gaan verspreiden)
- Houden van warmte en vocht
Algemene structuur gisten (yeasts)
- Unicellulair ovaal tot eivormig
o Microscopisch gelijkend op coccen (enkel verschil in grootte 2-3x zo groot)
- Facultatief anaeroob
- Delen op verschillende manieren
o Symmetrisch (fission)
o Asymmetrisch (budding, knopvorming)
Knoppen komen los en vormen individuele gisten
Knoppen blijven hangen waardoor pseudohyphen ontstaan typisch
voor Candida albicans (meer pathogeen)
Er zijn fungi die zowel als schimmel en als gist kunnen voorkomen (dimorfisme)
afhankelijk van temp, CO2 en nutriënten
- Schimmelvorming bij 25°C vorming hyphae
- Gistvorming bij temp > 37°C
Subcellulaire structuur fungi
- Capsule polysachhariden
o Bescherming tegen fagocytose
- Celwand geen peptidoglycaanlaag
o Mannoproteïnen
o Glucanen belangrijk voor stevigheid
β-1,6-glucan en β-1,3-glucan
o Chitine (suiker polymeer)
- Celmembraan geen cholesterol maar ergosterol
o Afwezig bij mens, dier en bacterie typisch voor fungi
waardoor ideaal doelwit voor antifugale GM
Polyenen = moleculen die gaan binden met ergosterolen in membraan en
dus openingen maken
Inspelen op ergosterolsynthese pathway (starten vanuit squaleen, veel
enzymen betrokken)
- Cytoplasma kern en kernmembraan, ER, mitochondriën, vacuoles
, Levenscyclus
- Aseksuele cyclus verspreiding van sporen waaruit nieuwe schimmels ontstaan
- Seksuele cyclus haploïde cellen van verschillende schimmels die bijeen komen
o Plasmogamy = fusie cytoplasma (N+N)
o Karyogamy = fusie nuclei (N2)
o Aparte sporen = N en N
Aseksuele sporen gebruikt voor identificatie
1. Conidiosporen = sporen die niet verpakt zijn in een zakje
o Conidiofoor = hyphen met aseksuele sporen zonder zakje
o Arthrosporen = hyphen die gesepteerd zijn
(komen los en zijn ook niet verpakt)
o Vb. Aspergillus spp
2. Chlamydosporen = dikwandige sporen
aanwezig tussen hyphen
o Blastosporen = knopvorming
o Vb. Candida albicans
3. Sporangiosporen = sporen verpakt in
een zakje (sporangium)
o Vb. Rhizopus
o Sporangiofoor = hyphen
waar sporangium aan vast zit
o Zakje met daarin
sporangiosporen = sporangium
4. Dermatofyten = micro- en macroconidia
Prokaryoot (geen celkern) en eukaryoot (wel celkern)
3 grote klassen
- Schimmels (molds)
o Vb. Aspergillis niger = zwarte puntjes in badkamer
- Gisten (yeasts)
o Vb. Candida albicans
- Dermatofyten (dermatofyts) = typisch fungi die op de huid voorkomen
Algemene structuur schimmels (molds)
- Fungaal lichaam met hyphae = netwerk van aan elkaar gekoppelde cellen
o Vegetatieve hyphae opname voedingsstoffen
Septische hyphae = tussen cellen wandje met kleine openingen waar
maar bepaalde voedingsstoffen door kunnen
Coenocytische hyphae = geen septa tussen cellen
o Aeriale hyphae (opp) reproductie (bevatten sporen die zich gaan verspreiden)
- Houden van warmte en vocht
Algemene structuur gisten (yeasts)
- Unicellulair ovaal tot eivormig
o Microscopisch gelijkend op coccen (enkel verschil in grootte 2-3x zo groot)
- Facultatief anaeroob
- Delen op verschillende manieren
o Symmetrisch (fission)
o Asymmetrisch (budding, knopvorming)
Knoppen komen los en vormen individuele gisten
Knoppen blijven hangen waardoor pseudohyphen ontstaan typisch
voor Candida albicans (meer pathogeen)
Er zijn fungi die zowel als schimmel en als gist kunnen voorkomen (dimorfisme)
afhankelijk van temp, CO2 en nutriënten
- Schimmelvorming bij 25°C vorming hyphae
- Gistvorming bij temp > 37°C
Subcellulaire structuur fungi
- Capsule polysachhariden
o Bescherming tegen fagocytose
- Celwand geen peptidoglycaanlaag
o Mannoproteïnen
o Glucanen belangrijk voor stevigheid
β-1,6-glucan en β-1,3-glucan
o Chitine (suiker polymeer)
- Celmembraan geen cholesterol maar ergosterol
o Afwezig bij mens, dier en bacterie typisch voor fungi
waardoor ideaal doelwit voor antifugale GM
Polyenen = moleculen die gaan binden met ergosterolen in membraan en
dus openingen maken
Inspelen op ergosterolsynthese pathway (starten vanuit squaleen, veel
enzymen betrokken)
- Cytoplasma kern en kernmembraan, ER, mitochondriën, vacuoles
, Levenscyclus
- Aseksuele cyclus verspreiding van sporen waaruit nieuwe schimmels ontstaan
- Seksuele cyclus haploïde cellen van verschillende schimmels die bijeen komen
o Plasmogamy = fusie cytoplasma (N+N)
o Karyogamy = fusie nuclei (N2)
o Aparte sporen = N en N
Aseksuele sporen gebruikt voor identificatie
1. Conidiosporen = sporen die niet verpakt zijn in een zakje
o Conidiofoor = hyphen met aseksuele sporen zonder zakje
o Arthrosporen = hyphen die gesepteerd zijn
(komen los en zijn ook niet verpakt)
o Vb. Aspergillus spp
2. Chlamydosporen = dikwandige sporen
aanwezig tussen hyphen
o Blastosporen = knopvorming
o Vb. Candida albicans
3. Sporangiosporen = sporen verpakt in
een zakje (sporangium)
o Vb. Rhizopus
o Sporangiofoor = hyphen
waar sporangium aan vast zit
o Zakje met daarin
sporangiosporen = sporangium
4. Dermatofyten = micro- en macroconidia