Week 1
Opdracht 1
a. Wat is de strekking van het materieelrechtelijke legaliteitsbeginsel en in welke wetten en
verdragen is dit beginsel neergelegd?
Geen straf zonder voorafgaande wettelijke strafbepaling. Dit staat in art. 16 GW, art. 1 lid
1 Sr, art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR
b. Kunnen lagere wetgevers, zoals de gemeenteraad en Provinciale Staten, gedragingen
strafbaar stellen? Zo nee, waarom niet en zo ja, zijn aan dit recht nog beperkingen
gesteld?
Ja dat kan. Op grond van art. 154 Gemw kan de gemeenteraad gedragingen strafbaar
stellen.
Opdracht 2
Lees onderstaand fragment uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam
(ECLI:NL:GHAMS:2017:1927).
Oplegging van straffen
De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een
gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de periode die hij in voorarrest heeft doorgebracht,
waarvan 11 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij zijn, kort gezegd, als bijzondere
voorwaarden gesteld dat de verdachte (a) zich houdt aan een plicht zich te melden bij Reclassering Nederland, (b)
deelneemt aan een training cognitieve vaardigheden en (c) zich op ambulante basis laat behandelen bij “Forensisch
Psychiatrische Kliniek” (het hof begrijpt: centrum voor ambulante forensische psychiatrie) De Waag (hierna: De Waag).
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een
gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als
bijzondere voorwaarden het naleven van een meldplicht bij Reclassering Nederland, het ondergaan van een
behandeling bij Care Express en het verblijven bij ‘Vast en Verder’.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de
omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het
bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een overval op een cafetaria. Daarbij is een
nepvuurwapen gericht op de in de winkel aanwezige medewerker en is op dreigende wijze ‘Geld, geld!’ geroepen. De
medewerker heeft zich genoodzaakt gezien de kassalade te openen, waarna de verdachte en zijn mededader daaruit
een geldbedrag hebben buitgemaakt en er vandoor zijn gegaan.
Een dergelijke laffe daad is voor nietsvermoedende slachtoffers – zo leert de ervaring – een heftige en
traumatiserende ervaring. Kennelijk hebben de verdachte en zijn mededader hun ogen voor dergelijke gevolgen
gesloten en zich louter laten leiden door de zucht naar ‘snel geld’, waarmee zij bovendien blijk hebben gegeven van
een volstrekt gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van de gedupeerde cafetariahouder. Feiten als de
onderhavige plegen de rechtsorde ernstig te schokken en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving te
versterken.
Het hof heeft gelet op de straffen die in de regel worden opgelegd bij overvallen op (winkel)bedrijven die gepaard zijn
gegaan met bedreiging met geweld en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk
,Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een gevangenisstraf van 2 jaren genoemd. Het hof zal deze straf
als uitgangspunt nemen. Het hof is in het licht hiervan met de advocaat-generaal van oordeel dat de straf die bij het
vonnis waarvan beroep is opgelegd en waarvan het onvoorwaardelijk opgelegde strafdeel een vrijheidsbeneming van
7 maanden met zich brengt, onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezen feit.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 maart 2017 is hij niet eerder
strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.
Het hof is daarnaast van oordeel dat bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening dient te worden gehouden
met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het feit en zijn persoonlijke omstandigheden. Op de
terechtzitting in hoger beroep is omtrent dat laatste gebleken dat de verdachte met betrekking tot zijn opvoedings- en
thuissituatie een belaste voorgeschiedenis kent. Dat heeft er mede toe geleid dat hij op jeugdige leeftijd een
verslaving aan hasj en wiet heeft ontwikkeld. Daarnaast had de verdachte een negatief sociaal netwerk, was zijn
woonsituatie weinig stabiel te noemen en had hij slechts tot op zekere hoogte een zinvolle dagbesteding. Bij een
eerdere behandeling is het vermoeden ontstaan dat de verdachte antisociale trekken en een gebrekkig geweten
ontwikkelde. In periode vanaf de zomer van 2015 tot aan de dag van het onderhavige feit is het bergafwaarts gegaan
met de verdachte. Zijn schoolgang haperde, het contact met zijn moeder, bij wie hij inwoonde, verslechterde en het
gebruik van softdrugs nam sterk toe.
Bij het vonnis waarvan beroep zijn de daarbij gestelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Aangaande het verloop van het daarop volgende toezicht heeft [reclasseringswerker], als reclasseringswerker
verbonden aan Reclassering Nederland te Haarlem (hierna: [reclasseringswerker]), op 19 januari 2017 een rapport
uitgebracht. Daaruit en uit de verklaringen die [reclasseringswerker] en de verdachte ter terechtzitting in hoger
beroep van 12 april 2017 hebben afgelegd, komt het volgende naar voren.
De verdachte heeft zich over het algemeen goed aan de afspraken gehouden. Hij woont inmiddels begeleid bij het
woontrainingsprogramma voor dak- en thuisloze jongeren ‘Vast en Verder’ van het Leger des Heils in Alkmaar (hierna:
‘Vast en Verder’), dat in het geval van de verdachte een duur van (maximaal) 2 jaren zal kennen. Hij heeft werk bij
[bedrijf] en traint dagelijks bij een sportschool. Hij is onder hoede van (een psychiater van) Care Express, een instelling
voor geïntegreerde specialistische jeugdhulp aan jongeren van 12 tot 23 jaar met meervoudige problematiek op
verschillende leefgebieden, alwaar men tot een diagnose probeert te komen. Het gebruik van softdrugs door de
verdachte is sterk afgenomen, maar (nog) niet gestaakt. Het is overigens de vraag of dat laatste een realistisch doel is.
De verdachte zal vanaf september 2017 starten met een Havo-opleiding voor volwassenen. Het toezicht zal in verband
met de verhuizing van de verdachte worden overgedragen aan [naam 2], verbonden aan Reclassering Nederland te
Alkmaar. [reclasseringswerker] heeft het hof thans geadviseerd als bijzondere voorwaarden te stellen dat de
verdachte (a) zich houdt aan de plicht zich te melden bij Reclassering Nederland, (b) zich op ambulante basis laat
behandelen bij Care Express, (c) meewerkt aan het begeleid wonen programma van ‘Vast en Verder’. Volgens
[reclasseringswerker] kan ook de plicht mee te werken aan het tot stand komen en het behoud van een zinvolle
dagbesteding in de vorm van werk of scholing bijdragen aan de terugdringing van de recidivekans.
Gelet op hetgeen hiervoor is geschetst, is het hof van oordeel dat, met enige slag om de arm, geconcludeerd kan
worden dat een positieve kentering in het leven van de verdachte is opgetreden. Dit wordt onderstreept door de
omstandigheid dat uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 maart 2017 blijkt dat de verdachte na 30
januari 2016 geen strafbare feiten heeft begaan die ter kennis van justitie zijn gekomen. Het hof is tegen die
achtergrond van oordeel dat een straf die mee zal brengen dat de verdachte opnieuw gedetineerd zal raken niet in het
belang is van de verdachte én de samenleving. Anderzijds spreekt uit het vooroverwogene dat door de verdachte nog
onvoldoende boete is gedaan voor hetgeen hij het slachtoffer heeft aangedaan, zodat naast een gevangenisstraf -
waarvan het onvoorwaardelijk deel niet meer beloopt dan de periode die door de verdachte reeds in voorlopige
hechtenis is doorgebracht - ook een forse taakstraf moet worden opgelegd. Op die manier wordt naar het oordeel van
het hof een evenwichtige balans gevonden tussen de noodzakelijk geachte vergelding en normbevestiging enerzijds en
, de speciale preventie anderzijds. Gelet op het bepaalde in artikel 9, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, zal
daartoe het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf moeten worden beperkt tot 6 maanden.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden
voorwaardelijk, passend en geboden. Daarbij zullen, in het verlengde van het advies van de reclassering, na te noemen
bijzondere voorwaarden worden gesteld. Omdat het hof verwacht dat de verdachte nog geruime tijd behandeling en/
of begeleiding nodig zal hebben, zal de proeftijd worden vastgesteld op 3 jaren. Daarnaast zal een taakstraf voor de
duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, worden opgelegd. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft
doorgebracht zal op het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf en voor het overige op de taakstraf in
mindering worden gebracht.
Leg aan de hand van de uitspraak uit welke strafdoelen je herkent.
Vergelding: de verdachte krijgt een gevangenisstraf. Dit valt onder leedtoevoeging in het
heden. Ook speciale preventie: de verdachte krijgt een proeftijd. Dit is om ervoor te zorgen dat
verdachte in de toekomst wel 2x na denkt voor hij een strafbaar feit begaat. Ook is er sprake
van generale preventie: door deze straf op te leggen zullen andere mensen in de samenleving
minder snel dit strafbare feit begaan, omdat ze weten dat eenzelfde soort straf dan boven hun
hoofd hangt.
Opdracht 3
Welk beginsel uit het strafrecht speelt in onderstaand krantenartikel een belangrijke rol? Licht je
antwoord toe.
Legaliteitsbeginsel/ Nulla poena: de dader wordt berecht volgens het strafrecht van 1999. Hij kan
dus maximaal 20 jaar krijgen omdat toen der tijd de maximale straf 20 jaar was. Nu is dit
veranderd naar 30 jaar, maar strafrecht heeft geen terugwerkende kracht.
OM eist 20 jaar tegen Jasper S.
VAN ONZE VERSLAGGEEFSTER ANA VAN ES
De verkrachting en moord op de Friese scholiere Marianne Vaatstra moet volgens het Openbaar Ministerie worden
bestraft met een gevangenisstraf van twintig jaar. Toen zij in 1999 om het leven kwam, was dit de maximale tijdelijke
gevangenisstraf in Nederland.
De moord op Marianne is een gruwelijk misdrijf, gaf reacties tot in politiek Den Haag en schokt nog steeds de Friese
gemeenschap. Maar dat zijn geen redenen om levenslang te eisen, aldus officier van justitie Henk Mous vrijdag, tijdens
de tweede en laatste procesdag in Leeuwarden. 'Zeer gruwelijke delicten zoals deze komen helaas vaker voor in
Nederland.' Deskundigen achten bovendien de kans klein dat verdachte Jasper S. opnieuw een ernstig delict pleegt.
De 45-jarige S. bekent dat hij de 16-jarige Marianne heeft verkracht en gewurgd in een weiland bij het Friese
Veenklooster. Hij wordt berecht volgens het strafrecht zoals dat gold tijdens het misdrijf in 1999. Twintig jaar was toen
in Nederland de maximale tijdelijke gevangenisstraf. Deze bovengrens is in 2006 weliswaar opgetrokken naar dertig
jaar, maar die wetswijziging heeft geen terugwerkende kracht. 'Het is dubbel, maar dit is het langste wat ze konden
vragen', zegt Bauke Vaatstra, de vader van Marianne.