VEELGESTELDE VRAGEN
- Differentiatie - LVZ
- Carbonatiet - Blastoporfirisch
- LIP - Porfiotopisch
- De vulkaan Kilauea - Kataklastisch
- Classificatie van Dunham - Glomeroporfirisch
- Rudieten - Classificatie van Dunham
- Gefractioneerde kristalisatie - Chemische verwering
ALGEMENE OPBOUW EXAMEN:
• Termen
• Classificatie/ grote onderwerpen uitleggen
• Praktisch gedeelte: CIPW, determinatie van gesteenten,…
DE TWIEOOS
HEREXAMEN 2022-2023
UITLEGGEN (NIET MEER DAN GEGEVEN LIJNTJES GEBRUIKEN)(15P)
1. IAT:Basaltische lava’s van subductiezones, die rijker zijn aan aluminium en minder
Ti bevatten.
2. CCD: Carbonaat compensatiediepte, de diepte waar de oplossingssnelheid van
carbonaat gelijk wordt aan de snelheid van carbonaataanvoer. Hieronder kan dus
geen pelagisch kalkslib accumuleren.
3. VEI: vulkanic explositivity index. VEI is een maatstaf om aan te duiden hoe
explosief een vulkanische uitbarsting is. De schaal van 0 tot 8 houdt o.a. rekening
met de hoeveelheid (m3) pyroklastisch materiaal dat is uitgestoten. Hoe groter het
nummer, hoe explosiever.
➔ Een exponentiële schaal, gebaseerd op de hoeveelheid m³ tefra dat er werd
uitgeworpen tijdens een uitbarsting
4. Anataxie: het partieel smelten van GS (dus enkele materialen) onder hoge P en T
, 5. Rudieten: sedimentaire siliclastische grintafzettingen, bevatten minstens 30% grint.
Grove fractie > 2mm
6. LIP: large igneous provinces (vulkanische provincies). Zeer uitgestrekte en hoger
gelegen plateaus, volledig opgebouwd uitbasaltische vulkanische gesteenten.
7. Skarn: gr Metasomatisch gesteente dat bij contactmetamorfose van een
kalkhoudend sediment interageert met hete, silicarijke hydrothermale fluïda.
8. Glomeroporfirisch: porfirische gesteenten waarbij de fenokristallen tot aggregaten
verenigd zijn
9. Blastoporfirisch: metamorf gesteente waarbij de protoliet profiritisch is
10. Carbonatiet: Carbonaatrijk magmatisch gesteente, door vloeistof ontmenging,
wordt ook wel witte lava’s genoemd. Heden is er maar een vulkaan die voor
carbonatiet zorgt: “Oldoinyo Lengai”
11. Fulgurieten: gesteenten die gevormd worden door een blikseminslag, specifiek
type metamorfose waarbij bliksem (gigagrote T) inslaat op los sediment (bv. zand)
en daardoor grillige glazen vormen ontstaan, deze zijn beter resistent tegen
verwering dan de gewone (niet geaffecteerde) zandkorrels en zullen in het
landschap overblijven
12. D"-laag: aan de basis vd mantel, een 200-300km dikke laag, onregelmatig verloop
qua dikte, heterogene seismische eigenschappen, segementen vd lithosfeer
zakken er weg en mantelpluimen stijgen er uit op
MAX 10 ZINNEN UITLEG + FIGUUR(20P)
Fractionele kristallisatie: Fractionele kristallisatie is een proces waarbij mineralen in een
magma achtereenvolgens kristalliseren naarmate de temperatuur daalt. FK is het
tegenovergestelde van evenwichtskristallisatie. De chemische bulk samenstelling van het
gehele gesteente is dus NIET hetzelfde als de bulksamenstelling van de oorspronkelijke
vloeistof, er is GEEN continu evenwicht. Wanneer primair basaltisch magma afkoelt
ontrekken kristallen zich aan smelt waardoor het evenwicht verstoord raakt. Deze
kristallen kunnen het systeem verlaten onder invloed van de zwaartekracht, een kinetische
drijfveer, convectief of in situ kristalisatie. De bezinkingssnelheid van de kristallen in een
vloeistof met kleinere dichtheid voor gravitatieve differentiatie w gegeven door de formule
van stokes:v = (2gr² (p1-p2)/9n). Onderaan de magmakamer onstaat er een cumultaat van
kristallen die afgesloten is van de restmagma. Het volume van het restmagma daalt, de