100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Ontwikkelingspsychologie voor Pedagogen

Rating
3.0
(1)
Sold
6
Pages
163
Uploaded on
18-04-2024
Written in
2023/2024

Dit is een uitgebreide samenvatting van Ontwikkelingspsychologie voor Pedagogen. Hierin staan aantekeningen van: - Alle hoorcolleges - Alle werkgroepen - Boek: Child and Adolescent Psychology - Ontwikkelingspsychologie voor Pedagogen - De te lezen artikelen - Kennisclips

Show more Read less
Institution
Course

Content preview

Week 1
Werkgroep 1.A
Hoofdstuk 5 (p.73 - 88) - Genes, evolution, heredity and environment
Genen vormen de basis voor gedeelde menselijke eigenschappen (dus ene helft van je
vader en de andere helft van je moeder).
Wel is ieder individu uniek. Met uitzondering op identieke tweelingen die hun genetische
samenstelling delen.

Genen zijn betrokken bij de ontwikkeling van vele eigenschappen, waaronder bijvoorbeeld
intelligentie, temperament maar ook obesitas of een stoornis.

Sommige genen beïnvloeden de ontwikkeling al vanaf het foetale leven, terwijl er ook genen
zijn die pas in het volwassen leven effect krijgen. Dus veel stoornissen en aandoeningen zijn
te wijten aan genetische aanleg.

Chromosomen = draadachtige structuren die genen bevatten en zich in celkernen bevatten.
Een zaadcel en eicel bevatten elk 23 chromosomen. Een cel van een lichaam bevat 46
chromosomen.
Chromosomen vormen paren. Er zijn 23 paren. En dus 46 chromosomen (figuur 5.1).

Het laatste chromosoom bepaalt of je man of vrouw bent (50% kans man en 50% kans op
vrouw).
Vrouwen → twee X-chromosomen
Mannen → een X-chromosoom en een Y-chromosoom

Gameten = geslachtscellen (eicel/zaadcel) met 23 chromosomen.

Genoom = alle genen die je hebt (dus alle chromosomen).

,RNA = kan de celkern uit (DNA kan dat niet), zodat ze daarna eiwitten kunnen produceren.
Genen zijn opgebouwd uit DNA (helix structuur). Belangrijkste functie van DNA is om RNA
te produceren. Dit regelt de vorming van eiwitten en katalyseert chemische reacties in het
lichaam (versnellen van chemische reacties zonder zelf op te reageren, dus de katalysator
bestaat aan het einde van de reactie nog steeds).

Elk chromosoom bestaat uit ongeveer 1000 genen.

Allelen:




Hoe genen interacteren heeft invloed op jouw eigenschappen. Bij dieren onderling
interacteren de genen weer anders dan bij mensen.

Inheritance = erven, dus genen die door moeder en vader op het kind worden
overgedragen.

Genotype = alles wat is vastgelegd in je DNA. Elk genotype is anders (behalve van eeneiige
tweelingen).
Fenotype = uiterlijke kenmerken zoals oog- en haarkleur. Dit zijn de fysieke en
psychologische karakteristieken.

Behavioral phenotype = psychologische karakterkenmerken zijn gelinkt aan een bepaald
syndroom.

Dominant en recessief (in dit geval moeten beide ouders het recessieve gen hebben,
anders krijgt het kind dit niet denk aan vader en moeder hebben beide blauwe ogen).

Monohybride (normale kruising):

,Autosomal = dit zijn alle chromosomen behalve de X en Y chromosoom (dus de laatste
chromosoompaar hoort er niet bij). Het zijn er dus 22.

Sex-linked inheritance = op de Y liggen minder genen. Op de X liggen er wel meer.
Jongens hebben meer kans om ziektes op te lopen die op een X-chromosoom liggen.
Bijvoorbeeld kleurenblindheid (dit komt vaker voor bij jongens).




Mutatie = een verandering in je genen. Straling of chemische stoffen verhogen de kans op
mutaties. Een voorbeeld is een tand minder hebben. Mutaties zorgen voor chromosomale
abnormaliteiten en genetisch bepaalde condities.

Trisomy = een soort mutatie waarbij er geen paar meer is, maar het zijn 3 chromosomen.
De kans neemt hierbij toe hoe ouder je wordt.
Trisomy 21 = down syndroom
In tabel 5.1 staat chromosomal ziektes en genetisch bepaalde condities.

, Mutaties kunnen ook een positieve impact hebben. Ze kunnen ervoor zorgen dat dieren
evolueren.

Het maakt niet uit of een gen van de vader of moeder komt. Ze kunnen wel anders
functioneren wanneer het moederlijk of vaderlijk is. Genomic imprinting
Het is een proces waardoor een bepaald allel van een gen alleen tot uitdrukking komt (actief
is), wanneer het van één ouder afkomstig is: de vader óf de moeder.
Genomic imprinting = de expressie van een bepaald gen hangt af van welke ouder het
vandaan kwam.

Evolutie = process waar verschillende diersoorten zich ontwikkelen. Bepaalde genen
dragen bij aan eigenschappen die individuen in staat stellen om in die omgeving met meer
succes op te groeienen zich voort te planten dan individuen die deze genen niet hebben.
Soorten ondergaan een constante transformatie. Het is een proces van interactie tussen
genen en de omgeving.
➔ Voorwaarde voor evolutie: individuele verschillen in genetische samenstelling. Elke
omgeving zou de verspreiding van bepaalde genen remmen en de ander juist
bevorderen.
Natuurlijke selectie = individuen met nadelige eigenschappen sterven eerder, terwijl de
beter aangepaste individuen blijven leven en meer nakomelingen krijgen.

Gene regulation, epigenesis and development

Fysieke omgeving = alle chemische en fysieke invloeden waaraan een kind wordt
blootgesteld (denk aan huisvesting, verkeer, milieu, landschap etc.).
Sociale en culturele omgeving = alle mensen in het leven van een individu. Dit omvat de
hechte sociale relaties van het kind, maar ook de maatschappelijke contexten en culturele
praktijken.

Manieren om de invloed van erfelijkheid (nature) en omgeving (nurture) op de ontwikkeling
te bestuderen zijn:
❖ Familiestudies:
Veronderstelling: individuen die meer genen delen zouden ook meer op elkaar lijken
wanneer een bepaald kenmerk wordt beïnvloed door genen.
Zo vergelijken ze bijvoorbeeld monozygote (identieke/ eeneiige tweelingen), twee eiige
tweelingen, broers en zussen die samen of afzonderlijk opgroeien of het gebruik van
biologische- of pleegouders.

Je hebt eeneiige tweelingen → hier zijn de genen precies hetzelfde (1 sperma bevrucht 1
eitje). Ook wel monozygote tweelingen. → genetisch identiek. Ze hebben ook altijd
hetzelfde gender, want ze komen uit hetzelfde bevruchte eitje en delen hetzelfde genetische
materiaal.

Je hebt ook twee eiige-tweelingen → zij delen niet precies dezelfde genen (twee
verschillende sperma’s bevruchten twee verschillende eitjes). Ongeveer 50% van de genen
zijn hetzelfde (net als normale broers en zussen). Ook wel dizygote tweelingen.

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
Hoofdstuk 5,6,7,8,10,11,15,16,17,18,21,22,23,24
Uploaded on
April 18, 2024
Number of pages
163
Written in
2023/2024
Type
Summary

Subjects

Reviews from verified buyers

Showing all reviews
10 months ago

3.0

1 reviews

5
0
4
0
3
1
2
0
1
0
Trustworthy reviews on Stuvia

All reviews are made by real Stuvia users after verified purchases.

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
judith06dijkstra04 Vrije Universiteit Amsterdam
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
48
Member since
1 year
Number of followers
13
Documents
11
Last sold
1 month ago

3.7

3 reviews

5
0
4
2
3
1
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions