Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 10 out of 80 pages
Summary

Samenvatting Leerdoelen 2.3 (RF203 Inkomstenbelasting) (2018/2019)

Document preview thumbnail
Preview 10 out of 80 pages

Een uitgebreide samenvatting van de uitgewerkte leerdoelen voor het vak "RF203 Inkomstenbelasting " voor blok 2.3. (problemen 1 t/m 8) voor studenten aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Compleet met alle jurisprudentie.

Content preview

Leerdoelen blok 2.3
Inkomstenbelasting




INHOUDSOPGAVE

blz.

Probleem 1: Partner zijn is fijn! 2
Probleem 2: Werknemer zijn is ook fijn 10
Probleem 3: Werkgever zijn is fijn? 21
Probleem 4: Genieten van het resultaat 30
Probleem 5: Scheiden doet lijden 42
Probleem 6: Wel de lasten maar niet de lusten voor de 50
Nederlandse schatkist?
Probleem 7: Aftrekposten 61
Probleem 8: Formele kwesties 72

,Probleem 1 – Partner zijn is fijn!
Harry en Eline zijn een stel en wonen ongehuwd samen. Bij hen in huis woont ook Jan-Willem,
de minderjarige zoon van Harry uit zijn eerdere huwelijk.
Harry is behoorlijk vermogend. Hij bezit een aantal panden, waaronder de door hem en Eline
bewoonde woning. Op deze woning zit nog een behoorlijke hypotheekschuld. Harry is een heel
stuk ouder dan Eline en is al gepensioneerd. Zijn pensioen en AOW zijn in totaal € 40.000 per
jaar.
Eline is juriste in loondienst bij een groot advocatenkantoor. Zij verdient goed: € 100.000 per jaar.
Harry verzorgt de aangiftes inkomstenbelasting van hen beiden. Binnenkort staat die klus weer
voor de deur. Harry heeft de belastingspecial van de Consumentengids er al op nageplozen of er
nog “handigheidjes” zijn; hij betaalt uiteraard het liefst zo min mogelijk belasting. Hij blijft het
echter een lastige materie vinden. Zou hij zijn hypotheekschuld nog kunnen ‘inzetten? Op
verjaardagen hoort hij regelmatig dat hij in fiscale zin best iets kan met deze ‘aftrekpost’. En
kunnen hij en Eline de fiscale lasten delen?

(Extra:) Introducerende vraag
Beschrijf op hoofdlijnen de structuur van de Wet IB 2001 en de werking ervan. Neem mee de
subjectieve belastingplicht, het object van de inkomstenbelasting en het tarief. De wijze van
heffing komt later nog aan bod.

Literatuur:
van Kempen, A. Rijkers, Cursus belastingrecht Inkomstenbelasting: H1, 2.4.

Wanneer ben je fiscaal partner?
In art. 5a AWR is een partnerbegrip opgenomen dat doorwerkt naar de Wet IB, successiewet en
de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awr). Art 1.2 IB verwijst naar dit begrip.

Art. 5a AWR = Als partner wordt aangemerkt:
- De echtgenoot
- De ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige
belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan, op hetzelfde
woonadresadres in de basisregistratie ingeschreven staat óf een daarmee naar aard en
strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.

Art. 1.2 IB geeft hierop een uitbreiding. Mede ongehuwden die op het hetzelfde woonadres als
de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen en:
a) Uit wiens relatie met de belastingplichtige een kind is geboren.
b) Die een kind van de belastingplichtige heeft erkend, dan wel van wie een kind door
de belastingplichtige is erkend.
c) Die voor toepassing van een pensioensregeling als partner van de belastingplichtige
is aangemeld. Hiermee wordt niet bedoeld aanmelding bij de werkgever. Kan een broer
dit ook zijn? Nee, dit volgt uit art. 1:2 lid 4 IB en de pensioensregeling zal hier ook
nadere regels over stellen.
d) Die samen met de belastingplichtige een woning heeft, die anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom.
e) Die evenals de belastingplichtige meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens
een minderjarig kind van ten minste een van beide staat ingeschreven.
f) Die in het aan het belastingjaar voorafgaande belastingjaar reeds partner van de
belastingplichtige was. Dit gaat alleen over als je voldoet aan sub a t/m e (dus niet op
grond van sub f). Je kan dus niet oneindig door blijven gaan.

Op grond van art. 5a lid 1 onderdeel a AWR worden gehuwden en daarmee op grond
van art. 2 lid 6 AWR gelijkgestelde geregistreerde partners vanaf het moment dat zij volgens het
Burgerlijk Wetboek als gehuwd of geregistreerd worden aangemerkt in beginsel als elkaars



2

,partner aangemerkt. Niet van belang is of ze ook op hetzelfde woonadres in de basisregistratie
personen (BRP) of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten
Nederland staan ingeschreven. Ook de echtgenoten die duurzaam gescheiden leven of kiezen
voor een zogenoemd ‘lat-huwelijk’ zijn derhalve fiscale partners van elkaar.
- Van tafel en bed gescheiden = Dit is een bijzondere vorm van scheiden via de
rechtbank. Het huwelijk blijft in stand, maar de gehuwden gaan gescheiden wonen. Bij
een formele scheiding van tafel en bed blijft u dus volgens de wet getrouwd. De rechten
en plichten van het huwelijk blijven gewoon bestaan.

Voor ongehuwd samenwonenden geldt een aantal aanvullende voorwaarden om als partner te
kunnen worden aangemerkt. Uit art. 5a lid 1 onderdeel b AWR volgt dat de partners
meerderjarig moeten zijn en dat zij in tegenstelling tot gehuwden als geregistreerde partners
ingeschreven moeten staan op hetzelfde woonadres om als fiscale partners te kunnen worden
aangemerkt. Bovendien bepaalt art. 5a lid 1 onderdeel b AWR dat ongehuwd samenwonenden
een notarieel samenlevingscontract moeten hebben afgesloten om als elkaars partner te kunnen
worden aangemerkt. Er kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld op basis waarvan
iemand die niet in Nederland woont, geacht wordt op zijn woonadres te zijn ingeschreven in een
naar aard en strekking met de BRP overeenkomende registratie buiten Nederland (art. 5a lid 6
AWR).

Notarieel samenlevingscontract
Ongehuwd samenwonenden komen op grond van art. 5a AWR alleen voor het fiscale
partnerschap in aanmerking als ze door een notaris een samenlevingscontract hebben laten
opmaken. Aan de inhoud van het notariële samenlevingscontract zijn geen aanvullende eisen
gesteld. Dit is in tegenstelling tot bij het partnerbegrip in de SW 1956. Op grond van art. 1a lid 1
onderdeel c SW 1956 is van een partnerschap voor de schenk- en erfbelasting pas sprake
indien in het notariële samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting is opgenomen.
Hoewel notariële samenlevingscontracten veelal een wederzijdse zorgverplichting zullen kennen,
is deze eis voor de IB derhalve niet gesteld.

Partnerschap gedurende een deel van het kalenderjaar
Degenen die op grond van art.5a lid 1 AWR voor een deel van het kalenderjaar als elkaars
partner worden aangemerkt, worden ook als partner aangemerkt in anderen perioden van dat
kalenderjaar voor zover ze in die perioden op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven (lid2).
Wanneer belastingplichtigen in de loop van het kalenderjaar trouwen of een notarieel
samenlevingscontract aangaan, worden ze dus ook in de periode voor dat moment als partners
aangemerkt, als ze toe op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven.

Scheiding van tafel en bed en echtscheiding
Op grond van art. 5a lid 3 AWR wordt een persoon die formeel van tafel en bed is gescheiden,
als ongehuwd aangemerkt. Hiermee worden de gevolgen van scheiding van tafel en bed en van
echtscheiding gelijkgesteld. Scheiding van tafel en bed leidt niet tot ontbinding van het huwelijk.
Van belang is of men na de scheiding van tafel en bed op hetzelfde woonadres blijft
ingeschreven. In art. 5a lid 4 AWR is een bepaling opgenomen op grond waarvan gehuwden niet
langer als elkaars partner worden aangemerkt.

Slechts één partner mogelijk
In lid 5 wordt bepaald dat iemand slechts één partner tegelijk kan hebben. In geval van
gehuwden geldt de oudste verbintenis als beslissend. Bij ongehuwd samenwonenden wordt
alleen het oudste notariële samenlevingscontract in aanmerking genomen.

Heeft een belastingplichtige door de uitbreiding van art.1.2 IB meerdere partners, dan wordt
alleen degene die volgens het algemene art. 5a AWR partner is, als partner in de IB erkend. Als
op grond van art. 5a AWR geen partner is aan te wijzen, geldt als partner voor de IB degene die
op grond van de in art. 1.2 lid 1 IB, eerstgenoemde categorie als partner wordt aangemerkt. Dus
wie als eerste in het ‘rijtje’ partner is, is partner.




3

,In het voorgaande jaar reeds partner
Ongehuwden die in een bepaald kalenderjaar reeds als elkaars partner zijn aangemerkt omdat
ze voldoen aan de daarvoor in art. 5a AWR dan wel art. 1.2 lid IB gestelde voorwaarden,
worden ook in het daaropvolgende kalenderjaar als elkaars partner aangemerkt voor de IB. Dit
gebeurt ook als ze dat jaar niet meer voldoen aan de voorwaarden. Wel is van belang dat ze
beide ingeschreven blijven staan op hetzelfde woonadres. Het partnerschap eindigt in ieder geval
als men niet meer op hetzelfde woonadres staat ingeschreven. Zie ook art. 1.2 lid 1 IB!

Bestendigheid van het partnerschap geeft rust en zekerheid, ook voor de belastingdienst. Wat
echter het geval dan is, is dat wanneer degenen die één jaar aan de voorwaarden van fiscaal
partnerschap hebben voldaan, blijvend gebruik kunnen maken van de partnerfaciliteiten, terwijl
degenen die daaraan in geen enkel jaar hebben voldaan, dit niet kunnen.

Opname verpleeghuis:
Art. 5a lid 7 AWR bevat een bepaling op grond waarvan ongehuwd samenwonenden als elkaars
fiscale partner aangemerkt blijven bij opname in een verpleeg- of verzorgingstehuis om medische
redenen of vanwege ouderdom, zolang één van de partners niet aan de inspecteur schriftelijk te
kennen geeft dat hij of zij niet langer als partner wil worden aangemerkt.

De achtergrond van deze bepaling is dat als bij ongehuwden een van de partners vanwege
medische redenen of ouderdom duurzaam wordt opgenomen in een verpleeg- of
verzorgingstehuis inschrijving op hetzelfde woonadres in de BRP niet meer mogelijk is.
Een opname van één van de partners hoeft niet het einde van het partnerschap te betekenen.
Daarvoor is een in art. 5a lid 4 AWR neergelegde (formele) daad vereist = cumulatief
voorwaarden.

Wet IB:
Wordt een ongehuwd samenwonende partner om medische redenen of vanwege ouderdom
opgenomen in een verpleeg- of verzorgingstehuis en wordt daarbij niet langer voldaan aan de eis
dat beiden staan ingeschreven op hetzelfde woonadres dan blijft men in beginsel elkaars fiscale
partner, indien men voorafgaand aan de opname aan de voorwaarden voor partnerschap van
art. 5a AWR of van art. 1.2 voldoet.
- Indien een partner of beide partners niet langer als fiscaal partner willen worden
aangemerkt kan die partner/ beiden dit door ee schriftelijke kennisgeving aan de
belastinginspecteur laten weten (art. 5a lid 7 AWR en 1.2 lid 5 IB).
- Opname in de zin van art. 1.2 lid 5 (naast art. 5a lid 7 AWR) is noodzakelijk voor situaties
waarin geen sprake is van partnerschap in de zin van art. 5a AWR, omdat geen notarieel
samenlevingscontract is afgesloten, maar wel sprake is van partnerschap in de zin van
art. 1.2 lid 1, omdat een va de daarin genoemde omstandigheden zich voordoet.

Beperkingen
Niet als partner kan worden aangemerkt een bloed-of aanverwant in de eerste graad van een
belastingplichtige, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar
hebben bereikt. (Art. 1.2 lid 4 onderdeel a). Zo kunnen ouder en kind pas elkaars partner zijn
als het kind 27 jaar of ouder is. Dit is een uitzondering op art. 5a AWR + 1.2 IB. Art. 5a AWR lid 4.

Art. 1.2 lid 4 onderdeel b gaat over de volgende beperking: een persoon die geen inwoner is van
Nederland en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in art. 7.8 is. Dit is
dus uitgesloten.

Art. 1.2 lid 6:
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden twee ongehuwde
personen die met toepassing van de vorige leden en artikel 5a van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen als elkaars partners worden aangemerkt, voor de bepaling van aanverwantschap
gelijkgesteld met gehuwden.

Hoe moet je toetsen?
1. Kijk eerst of er sprake is van art. 5a AWR (loop alle leden helemaal af)


4

, 2. Kijk daarna of er sprake is van art. 2 lid 6 AWR (geregistreerd partnerschap)
3. Kijk naar art. 1.2 lid 1 Wet IB
4. Kijk hierna pas naar de overige leden van art. 1.2 Wet IB
Voldoe je bijv. aan art. 2 lid 6 AWR? Neem dit dan in combinatie op met art. 5a AWR (juncto).


Wat zijn verdere gevolgen van het fiscaal partnerschap?
Kiezen voor de partnerregeling (door dus samen op een hoofdverblijf in te schrijven in
basisregistratie) heeft bijvoorbeeld de volgende gevolgen:
a. toepassen meewerkaftrek (art. 3.78 Wet IB 2001);
b. doorschuifregeling FOR ex art. 3.63, lid 7, Wet IB 2001;
c. lijfrentepremieaftrek voor nabestaandenlijfrente (art. 3.125, lid 1, onderdeel b, Wet IB 2001);
d. eigenwoningregeling;
e. aanmerkelijk belang (art. 4.6 Wet IB 2001);
f. overdracht heffingsvrije vermogen box 3 (art. 5.5 +5.2 Wet IB);
g. verbonden personen terbeschikkingstellingsregelingen (art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001);
h. kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen ex art. 7.8, lid 5, Wet IB 2001;
i. aftrek specifieke zorgkosten van een partner (art. 6.16 jo. 6.20 Wet IB 2001);
j. meetellen inkomen partner bij bepaling drempel voor specifieke zorgkosten (art. 6.19 Wet IB
2001) en voor giften (art. 6.39 Wet IB 2001);
k. uitbetaling van de (verhoogde) heffingskorting ex art. 8.9 en 8.9a Wet IB 2001;
l. toerekening van inkomensbestanddelen ex art. 2.17 Wet IB 2001 (zie nader par. 2.5.2).

Nadeel:
De partners moeten een keuze maken voor een hoofdverblijf. Wanneer allebei de ongehuwde
partners nog een eigen woning hebben en dit eigenlijk graag zouden willen houden, moeten zij
een keuze maken en zal uiteindelijk één van de twee hoofdverblijven naar box 3 overgaan. Dit
heeft dan gevolg voor de (hypothecaire) lening en de kapitaalverzekering eigen woning.
Wanneer voor ongehuwd samenwonenden de partnerregeling geldt, betekent dit voor de
aanmerkelijkbelangregeling dat de voorwaarde van 5% van het geplaatste kapitaal moet worden
bezien vanuit beide personen samen. Ongehuwd samenwonenden met elk 4% van het
geplaatste kapitaal in een vennootschap hebben beiden geen aanmerkelijk belang, maar op
grond van de partnerregeling ineens wel.

In bepaalde wettelijke regelingen wordt het partnerbegrip een andere inhoud gegeven of
vervangen door een ander begrip. We zien dat onder andere in de terbeschikkingstellingsregeling
waar gewerkt wordt met het begrip verbonden personen (art. 3.91, lid 2, onderdeel b, Wet IB
2001). Het lijkt erop dat zeker ongehuwd samenwonenden enige fiscale rechtshulp best zullen
kunnen gebruiken als zij wensen te voldoen aan de objectieve criteria van het fiscale
partnerbegrip.

Hoe kan je het inkomen verdelen?
Art. 2.15: Minderjarig kind
1. Voor de toepassing van deze wet, behoudens voorzover het de toepassing van artikel
2.16 betreft, wordt geen rekening gehouden met het wettelijk vruchtgenot van het vermogen van
een minderjarig kind.

2. Het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste
lid, onderdelen a en b, en derde lid, en 3.92, de belastbare inkomsten uit eigen woning, het
belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, de rendementsgrondslag voor het belastbare
inkomen uit sparen en beleggen en de op grond van artikel 9.2 ter zake als voorheffing in
aanmerking te nemen geheven dividendbelasting, van een minderjarig kind worden toegerekend
aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent.




5

,3. Met de ouder die het gezag over het kind uitoefent, wordt, indien niet tevens een andere ouder
het gezag uitoefent, gelijkgesteld de ouder van wie het gezag is beëindigd op grond van artikel
266 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

4.Indien het gezag over het kind aan meer dan één ouder toekomt, worden de in het tweede lid
bedoelde inkomensbestanddelen, rendementsgrondslag en geheven dividendbelasting in gelijke
delen aan ieder van hen toegerekend.

Art. 2.17 lid 1: Dit artikel geeft het uitgangspunt van de verdeling van inkomsten en aftrekposten
tussen partners weer: de belastingheffing wordt zoveel mogelijk geïndividualiseerd.

Art. 2.17 lid 2: De door de partners in hun aangiften gemaakte verdeling van de
gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de rendementsgrondslag voor box 3 wordt door
de fiscus zonder meer gevolgd, mits in totaal 100% wordt aangegeven. Dit uitgangspunt geldt
voor alle ‘gemeenschappelijke inkomensbestanddelen’ en voor de bestanddelen van de
rendementsgrondslag ter bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen.
- Ook ingeval het geen twijfel lijdt dat een van beide partners de genieter is van bepaalde
inkomsten, kunnen zij deze inkomsten desgewenst volstrekt willekeurig over beiden
verdeeld aangeven. De inkomsten worden dan geacht te zijn genoten conform de
verdeling zoals die uit de aangifte blijkt.

Art. 2.17 lid 3: Wanneer partners niet tot overeenstemming komen.
Het is een regeling getroffen voor het geval partners niet tot overeenstemming komen over de
verhouding waarin bepaalde inkomsten worden genoten, waarin bepaalde aftrekposten drukken,
of als zij een dergelijke verhouding om een andere reden niet hebben gekozen. In dergelijke
situaties wordt ter wille van een goede uitvoerbaarheid een wettelijk vermoeden van een
verdeling in de verhouding 50-50 gehanteerd.

Art. 2.17 lid 4: Herziening keuze
- Op grond van art. 2.17, lid 4, eerste volzin, kunnen de partners gezamenlijk de gekozen
onderlinge verhoudingen herzien tot het moment waarop de aanslag,
navorderingsaanslag, conserverende aanslag of conserverende navorderingsaanslag van
de belastingplichtige en zijn partner onherroepelijk vaststaan.
- Indien een van de genoemde aanslagen eerst onherroepelijk wordt ten gevolge van een
uitspraak van de Hoge Raad, kunnen de belastingplichtige en zijn partner in afwijking van
deze regel de onderlinge verhouding nog wijzigen tot zes weken na deze uitspraak, zo
volgt uit art. 2.17, lid 4, tweede volzin

Art. 2.17 lid 5: de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen
1: Toerekening is niet mogelijk indien er in een jaar verschillende partners zijn geweest (art. 2.17,
lid 5, aanhef).
2: De gemeenschappelijke inkomensbestanddelen zijn in art. 2.17, lid 5, opgesomd. Het zijn:
- de belastbare inkomsten uit eigen woning (art. 3.110);
- het inkomen uit a.b. vóór vermindering met persoonsgebonden aftrek (art. 4.13 e.v.);
- de persoonsgebonden aftrek (Hoofdstuk 6 Wet IB 2001). De rendementsgrondslag voor
box 3 ontbreekt in de opsomming omdat die rechtstreeks in art. 2.17, lid 2, is genoemd.

Art. 2.17 lid 6: Negatieve persoonsgebonden aftrek Art. 3.139 IB:
Een negatieve persoonsgebonden aftrek is een teruggaaf of andere aan de belastingplichtige
toekomende betaling ter zake van een in een eerder jaar in aanmerking genomen
persoonsgebonden aftrek. De negatieve persoonsgebonden aftrek behoort in tegenstelling tot de
(positieve) persoonsgebonden aftrek niet tot de onder partners vrijelijk te verdelen
gemeenschappelijke inkomensbestanddelen.
- De verschillende behandeling heeft aanleiding tot fricties. Met het oog op één van die
fricties is in art. 2.17, lid 6, geregeld dat een negatieve persoonsgebonden aftrek opkomt
bij de partner die in de eerdere fase de desbetreffende aftrek heeft genoten, ook als die
de jure niet meer de partner is. Naar zijn letterlijke tekst regelt lid 6 dit niet goed,



6

, aangezien dit lid spreekt van het in aanmerking nemen bij de partner, terwijl die partner er
nu juist niet meer is.

Art. 2.17 lid 7: Deeljaar
- Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft
wordt hij voor de toepassing van dit artikel geacht het gehele kalenderjaar die partner te
hebben gehad indien hij daarvoor samen met die partner kiest.
- Meer dan één partner: Uit Art. 2.17 lid 5 volgt dat de keuze voor het gedurende het
gehele jaar aanmerken als partner beperkt is tot de belastingplichtige en één van de
partners. Welke dat is, moeten zij zelf uitmaken, bij het verzoek inzake voorlopige
teruggaaf of de aangifte van een van hen.
- Het verzoek moet gezamenlijk worden gedaan. Dat verzoek kan worden gedaan tot het
moment waarop de aanslag van de belastingplichtige of diens partner onherroepelijk is
(geen bezwaar of beroep meer mogelijk).


Los de casus op.
Kijk eerst of ze fiscaal partner zijn:
Volg stappenplan (leerdoel 1):
- Art. 5a AWR
- Maar ook: art. 2 lid 6 AWR
- Dus: art. 2 lid 6 jo art. 5a AWR

Kijk daarna naar de voordelen:
Volg art. 2.17 Wet IB:
- Eigen woning: het inkomen van de vrouw is hoger (in box 1), dus hierbij is de
hypotheekrente aftrek een goed idee (voordeel). Zie art. 2.17 lid 5 sub a Wet IB.
- Rendementsgrondslag voor box 3. Zie art. 2.17 lid 2 Wet IB: het handigst en voordeligst
is 50-50% qua verdeling.


Extra introducerende vraag.
Subject (wie moet betalen?):
Art. 1.1 IB - Natuurlijke personen
Art. 2.1 IB - In Nederland wonen = binnenlandse belastingplicht. Zij zijn over het wereldinkomen
belastingplichtig, dus ook inkomen dat elders verdiend wordt.
Nederlands inkomen genieten.
Waar iemand woont aan de hand van de omstandigheden beoordeeld- art.4 AWR.
Zie ook woonplaatsfictie art. 2.2. Wet IB.

Object: (waarover wordt belasting geheven?)
Art.2.3 IB
- Belastbaar inkomen uit werk en woning – H3
- Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang – H4
- Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen – H5

Tarief (hoeveel?):
Box1 = art. 2.10 en 2.10a IB. Werkt met schijven.
Box2 = art. 2.12 IB. 25%
Box3 = art. 2.13 IB. 30%




7

, Extra vragen Canvas.
Vraag 1: De boxen
Marian heeft een bedrag van € 200.000 op haar spaarrekening bij de bank staan maar dat levert
haar bijna geen rente op. Haar eenmanszaak heeft een liquiditeitstekort waardoor zij besluit €
150.000 als extra kapitaal in haar eenmanszaak te storten.
De storting op de bankrekening van de eenmanszaak vindt plaats op 28 oktober 2016. Op 20
januari 2017 is haar liquiditeitspositie in de eenmanszaak weer in orde en boekt ze de € 150.000
weer terug naar haar privérekening.
Vraag: Hoe wordt de € 150.000 bij Marian in de inkomstenbelasting betrokken?
De 150.000 van Marian wordt belast met de vermogensbelasting uit box 3. Dit omdat zij valt
onder Art. 2.14 lid 3 sub b en c IB. De storting is dus geen lening, maar slechts een interne
verschuiving. De omzet uit haar onderneming die de kaspositie versterkt wordt gezien als winst
uit onderneming mits zij met haar eenmanszaak aan het urencriterium voldoet (Art. 3.6 IB).
- Sub b of c? Sub b gaat over niet meer dan 3 maanden, sub c gaat over 3-6 maanden. In
de casus gaat het over niet meer dan 3 maanden = dus sub b.

Vraag 2: Toerekeningsregels
a. Stel dat een bepaald voordeel zowel winst uit onderneming als resultaat uit overige
werkzaamheden kan vormen, hoe lost de Wet IB 2001 dit op?
Zie art. 2.14 lid 1 Wet IB: de volgorde van de wet is bepalend! Dus winst uit onderneming.

b. De opa van Monique was zeer vermogend. Een slimme fiscale constructie zorgde ervoor
dat hij een groot deel van zijn vermogen (5 miljoen euro) voor zijn overlijden in 2010 naar
de bankrekening van Monique tegen een laag tarief voor de schenk- en erfbelasting heeft
kunnen overmaken. Monique wordt in 2015 15 jaar. Zij heeft pas toegang tot haar rekening
als zij 18 wordt. Wordt Monique zelf in de inkomstenbelasting aangeslagen? Voor uw
antwoord kunt u ervan uitgaan dat over de 5 miljoen euro inkomstenbelasting
verschuldigd is, omdat dit inkomen uit sparen en beleggen vormt.
Op grond van art. 2.15 lid 2 Wet IB 2001 worden het belastbare resultaat uit overige
werkzaamheden, bedoeld in art. 3.91 lid 1 onderdeel a en b en lid 3 Wet IB 2001 en art. 3.92 Wet
IB 2001, de belastbare inkomsten uit eigen woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk
belang en de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, van
een minderjarig kind toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent.

c. Waarom wordt in art. 2.18 Wet IB 2001 (“verzamelinkomen”) in de onderdelen a en b
gesproken van ‘het inkomen’, terwijl in onderdeel c ‘het belastbaar inkomen’ staat?
Wat is het verschil tussen box 1 en 2 (het inkomen) en box 3 (belastbaar inkomen) = box 3 kan
niet negatief zijn (boven een belastingvrije voet) en we kennen geen verliesverrekening zoals wel
in box 1 en 2.

Vraag 3: Fiscaal partnerschap, casus
Geef gemotiveerd aan of onderstaande duo’s als fiscaal als partner in de zin van art. 1.2 van de
Wet IB 2001 kunnen worden aangemerkt.
a. Na het overlijden van zijn vader twee jaar geleden, is Jaap (31 jaar) met zijn moeder,
Marijke (59 jaar) op de boerderij blijven wonen.
Volg stappenplan: art. 5a AWR > art. 2 lid 6 AWR > art. 1.2 lid 1 Wet IB > overige leden art. 1.2
Wet IB. Je komt dan uit bij art. 1.2 lid 4 onderdeel a Wet IB.

b. Eva (44 jaar) en Mirjam (46 jaar) wonen ongehuwd samen in een huurwoning. Zij zijn
geen geregistreerde partners en evenmin hebben zij een notarieel samenlevingscontract.
Tot hun huishouden behoort tevens Tim (19 jaar), zoon uit het vorige op de klippen
gelopen huwelijk van Eva. Kunnen Eva en Mirjam als partner worden aangemerkt voor de
Wet IB 2001?
Volg stappenplan: art. 5a AWR > art. 2 lid 6 AWR > art. 1.2 lid 1 Wet IB > overige leden art. 1.2
Wet IB. Geen fiscaal partnerschap.



8

,c. Chris (75 jaar) en Tiny (82 jaar) zijn gehuwd, maar civielrechtelijk van tafel en bed
gescheiden. Chris is dement en opgenomen in een verpleegtehuis.
Volg stappenplan: art. 5a AWR > art. 2 lid 6 AWR > art. 1.2 lid 1 Wet IB > overige leden art. 1.2
Wet IB. Je komt dan uit bij art. 5a lid 3 AWR.
- Waarom niet art. 5a AWR lid 7? Omdat je hiervoor moet voldoen aan lid 1 onderdeel b:
voldoe je niet aan = dus kom je niet aan toe!




9

, Probleem 2 – Werknemer zijn is ook fijn
Hans en Maarten zijn oude studiematen. Hoewel ze hun studie al meer dan 30 jaar geleden
hebben voltooid zijn ze altijd vrienden gebleven. Ze werken beiden in loondienst en verdienen
daar een goed salaris mee. Eens per jaar spreken ze met elkaar af om samen een hapje te eten
en bij te praten. Dit jaar is wat dat betreft wel bijzonder want in het voorbije jaar is de echtgenote
van Hans overleden. In het begin gaat het gesprek daar vooral
over.
Hans vertelt dat hij tot zijn eigen verbazing na het overlijden van zijn echtgenote een
maandsalaris extra van zijn werkgever ontving.
Vervolgens echter gaat het gesprek over op één van hun favoriete onderwerpen: de auto. Ze
hebben beiden een auto “van de baas” en daar wisselen ze graag ervaringen over uit. Prestaties,
verbruik, hoe lang nog met deze auto; dat soort zaken. Er blijken ook behoorlijke verschillen
tussen hun beide regelingen te bestaan. Hans moet een bijdrage van € 300 per maand aan zijn
werkgever betalen voor privégebruik. Daar heeft Maarten geen last van, maar hij moet wel een
(behoorlijk) bedrag aan zijn werkgever betalen als hij binnen de leasetermijn ontslag zou nemen.
Verder vertelt Hans dat zijn werkgever hem twee jaar geleden een optie heeft toegekend om
aandelen in het bedrijf van de werkgever (dat is een NV) te kopen. Hij heeft de optie recent
uitgeoefend en de aandelen vervolgens verkocht. Daar heeft hij een mooi winstje bij gemaakt.
“Gefeliciteerd” zegt Maarten. En hoef je daar geen belasting over te betalen? Trouwens, je mag
mij ook nog feliciteren, want ik was dit jaar 25 jaar in dienst bij mijn werkgever. Dat leverde me
een gratificatie op van twee maandsalarissen.
Daar heffen de vrienden het glas op.

Literatuur:
- van Kempen, A. Rijkers, Cursus belastingrecht Inkomstenbelasting: H3
- van Kempen, A. Rijkers, Cursus belastingrecht Loonbelasting/Premieheffing: H2
- Smeerkuil-arrest

Wat valt er onder loon?
Herhaling: vier pijlers LB:

Dit is een heffing naar het loon die bij de bron daarvan wordt geheven. Er zijn er vier:
1. Loonbelasting
2. Premie volksverzekeringen (AOW/Anw/Wlz)
3. Premies werknemersverzekeringen (WW/WIA)
4. Bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw)
De sociale verzekeringen worden onderverdeeld in:
- Werknemersverzekeringen = hebben tot doel om alleen werknemers voor bepaalde
risico’s te verzekeren
- Volksverzekeringen = voor alle ingezeten en dragen bij aan sociale verzekeringen (bijv.
AOW)

Pay as you earn:
Loonbelasting wordt verschuldigd naarmate het inkomen verdiend wordt. Dit wordt mede
verwezenlijkt door het opleggen van voorlopige aanslagen.

Wijze van heffing:
Loonbelasting is een directe belasting die van werknemers wordt geheven, art. 1 LB. De
werkgever houdt de heffing in en betaalt deze aan de fiscus. Dit wordt belastingheffing bij wege
van afdracht op aangifte genoemd. Als dit verkeerd wordt gedaan, kan een naheffingsaanslag of
correctieverplichting worden opgelegd, meestal aan de werkgever.

Subject:
Bronheffing:



10

Document information

Study
Uploaded on
December 19, 2018
File latest updated on
December 31, 2018
Number of pages
80
Written in
2018/2019
Type
Summary
$10.70

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
cheyennesherilyn
3.9
(30)
Sold
232
Followers
143
Items
42
Last sold
5 months ago

Reviews from verified buyers



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions