Boek, op blackboard staat hfst 5 van ‘introductie tot genetische
principes’ van Hyde. Daarop is dit hoorcollege gebaseerd.
Wetten van Mendel, gaan als volgt:
− Van elk gen zijn twee versies aanwezig (2 chromosomen met
ieder een eigen variant (allel))
− Een plant krijgt 1 allel van de moeder en 1 van de vader
− Als de twee allelen verschillend zijn, komt het dominante
kenmerk tot uiting en het recessieve niet.
− De twee allelen segregeren tijdens de gameetvorming. Eicel en
zaadcel krijgen beide 1 kopie van de aanwezige allelen.
− Allelen segregeren onafhankelijk (1:1:1:1)
Rechts in de afbeelding is dit weergegeven. Wat betreft genotypen de
ratio 1:2:1 is.
Punnett square, net is gezegd dat de genotype ratio 1:2:1
en deze verschillent van de fenotype ratio, doordat D
dominant is over d. Fenotypisch is de ratio dus 3:1.
Onafhankelijk overerving, je kan de punnet square ook
voor meer dan 1 eigenschap gebruiken. Dit is te zien in de
afbeelding met de erwten waar de allelen voor kleur en
textuur zijn weergegeven. Bij deze dihybride/bi-allel
kruising wordt een homozygoot dominante erwt gekruist met een
homozygoot recessieve erwt. Dit levert een F1 generatie die volledig uit
WwGg bestaat aangezien de ene ouder altijd WG doorgeeft en de ander
wg. Als je vervolgens de F1 generatie gaat kruisen, krijg je de punnet square
die onder in de afbeelding is weergegeven. De ratio in fenotype is in dit
geval 9:3:3:1. In dit geval waren de allelen niet gekoppeld en is de verdeling
van allelen voor elke optie even groot. Het homozygoot recessieve
fenotype van de ouder uit P komt nog maar in 1 v/d 16 gevallen voor.
Uitsplitsingsratio’s, alle ratio’s die voorbijkomen moet je kennen. Als je
bijvoorbeeld 9:3:3:1 voorgeschoteld krijgt, moet jij weten dat het om de
onafhankelijke verdeling van allelen gaat met ouderfenotype homozygoot
dominant en homozygoot recessief.
Incomplete/intermediaire dominantie, het is niet
altijd zo dat de heterozygoot het fenotype van het
dominante allen heeft, maar dat die bijvoorbeeld zijn
eigen fenotype heeft. Dat is het geval bij de bloemen
links. Bij incomplete dominantie kan je eigenlijk niet
echt zeggen welke ouder dominant is, want de
heterozygoot zit ertussen in. In dit geval kan je echter
zeggen dat rood dominant is over wit, want we weten
dat witte bloemen geen kleurstof aanmaken, maar rode bloemen wel. In het
geval van de heterozygoot wordt dus de helft zoveel rode kleurstof aangemaakt
als in de rode, waardoor een roze i.p.v. rode bloem ontstaat. Als je de
heterozygote kinderen van F1 met elkaar kruist, krijg je net als bij het eerste
voorbeeld een genotype verdeling van 1:2:1, maar in dit geval geldt dat ook
voor het fenotype en is er dus geen sprake meer van 3:1.
Codominantie, een voorbeeld hiervan zijn de bloedgroepen. Als je 2 allelen hebt voor A, heb je
bloedgroep A en als je twee allelen hebt voor B, heb je bloedgroep B. Heb je 1 allel voor A en 1 voor
B, dan heb je bloedgroep AB. Dan maak je dus antigenen van beide soorten. A en B zijn hier dus als