Les 2: Organen & cellen van het immuunsysteem
Organen van het immuunsysteem
Primair
Thymus: rijpen en opleiding T-cellen
Beenmerg: vorming, rijping en opleiding B-cellen + vorming alle hematopoëtische cellen uit
CD34+HSC
!Geen vreemd antigeen in primaire lymfoïde organen! -> onderscheid maken lichaamseigen –
lichaamsvreemd onafhankelijk van vreemd antigeen
Secundair
Neusamandelen
Keelamandelen
Milt
Lymfeknopen
MALT: GALT en BALT: rijping en opleiding T-cellen
Tot stand komen van verworven immuunantwoord door antigenen te verzamelen
= trefpunt Ag/IS
Aanvoer antigeen rechtstreeks via APC: naïeve CD4+ en CD8+ T-lymfocyten herkennen antigeen
2 functionele klassen van effector T-lymfocyten:
Cytotoxische T-lymfocyten CD8+
Helper-T-lymfocyten CD4+: Th1-lymfocyten en Th2-lymfocyten
Hebben volledige opleiding gehad -> onderscheid maken lichaamsvreemd (gevaarlijk –
ongevaarlijk) - lichaamseigen
Oorsprong & opleiding
CD34+ multipotentiële humane stamcel -> kan nog alle richtingen uit
2 subpopulaties:
CMP: differentiëerd naar myeloïde reeks via IL-3: granulocyten, monocyten,
erythrocyten, megakaryocyten
CLP: differentiëerd naar lymfoïde reeks via IL-7: T- en B-cellen, NK-cellen, innate
lymfocyten
Alleen T- en B-cellen die affiniteit hebben zullen betrokken zijn bij de immuunrespons -> overgrote
meerderheid 99,99% is niet betrokken
, Cellen aangeboren immuunsysteem
Mononucleaire fagocyten (monocyten en macrofagen)
Polymorfnucleaire granulocyten : neutrofielen, eosinofielen, basofielen
Natural killer cellen
Innate lymfoïde cellen (ILC’s)
Megakaryocyten
Mestcellen, basofielen
Dendritische cellen (DC)
Leukocyten : aanwezig in perifeer bloed -> neutrofielen, eosinofielen, basofielen, monocyten,
lymfocyten onderdeel van lymfocyten
Stamcellen:
Oorsprong: antenataal: dooierzak; postnataal: beenmerg
Omni- of pluripotent + zelf-regenererend belangrijk bij regeneratieve geneeskunde
Merker = CD34+!! human progenitor cell antigen 1 (HPCA-1)
Macrofagen/monocyten
Oorsprong: stamcel -> CMP -> promonocyte -> monocyt -> macrofaag (weefselspecifiek)
BW: histiocyten
Lever: küpffer cellen
Longen: alveolaire macrofagen
Lymfeklieren en milt: sinusoïdale cellen
Nier: mesengiale cellen
Beenderen: osteoclasten
Zenuwweefsel: microglia
Sereuse holten: peritoneale en pleurale macrofagen
24u-48u in bloed -> naar weefsels
CD14 = celmembraankenmerk monocyten -> anti-CD14 toevoegen aan bloedstraal -> alle
CD14 gaan oplichten -> gramnegatieve bacteriën herkennen
MHC1 en MHC2: antigeenpresentatie
Functies:
Fagocytose/cellyse (vertering)/herstel: pathogeen vernietigen op 2 manieren:
- PAMP door PRR -> CD14
- Opsonisatie via opsonine receptoren optimaliseren van fagocytose:
pathogeen wordt beter herkend
Opsonine receptoren aangeboren IS: complement en CRP (stof dat gemeten
wordt in bloed bij inflammatie, verhoogde CRP = inflammatie)
Opsonine receptoren verworven IS: antilichamen
Cellyse: potentialisatie fagocytose door interactie met andere cellen van het immuunsysteem
vb. interferon gamma (=cytokine die fagocytose activeert) geproduceerd door NK cellen
(aangeboren) en Th effectorcellen (verworven)
Antigeenpresenterende cellen: MHC2
Inductie ontsteking: degranuleren, stoffen vrijgeven -> remmende/dodende werking
- Fagocyten bevatten granulen -> humorale factoren worden vrijgezet na
fagocytose + synthese pro-inflammatoire cytokines -> lokale en systemische
inflammatie
Organen van het immuunsysteem
Primair
Thymus: rijpen en opleiding T-cellen
Beenmerg: vorming, rijping en opleiding B-cellen + vorming alle hematopoëtische cellen uit
CD34+HSC
!Geen vreemd antigeen in primaire lymfoïde organen! -> onderscheid maken lichaamseigen –
lichaamsvreemd onafhankelijk van vreemd antigeen
Secundair
Neusamandelen
Keelamandelen
Milt
Lymfeknopen
MALT: GALT en BALT: rijping en opleiding T-cellen
Tot stand komen van verworven immuunantwoord door antigenen te verzamelen
= trefpunt Ag/IS
Aanvoer antigeen rechtstreeks via APC: naïeve CD4+ en CD8+ T-lymfocyten herkennen antigeen
2 functionele klassen van effector T-lymfocyten:
Cytotoxische T-lymfocyten CD8+
Helper-T-lymfocyten CD4+: Th1-lymfocyten en Th2-lymfocyten
Hebben volledige opleiding gehad -> onderscheid maken lichaamsvreemd (gevaarlijk –
ongevaarlijk) - lichaamseigen
Oorsprong & opleiding
CD34+ multipotentiële humane stamcel -> kan nog alle richtingen uit
2 subpopulaties:
CMP: differentiëerd naar myeloïde reeks via IL-3: granulocyten, monocyten,
erythrocyten, megakaryocyten
CLP: differentiëerd naar lymfoïde reeks via IL-7: T- en B-cellen, NK-cellen, innate
lymfocyten
Alleen T- en B-cellen die affiniteit hebben zullen betrokken zijn bij de immuunrespons -> overgrote
meerderheid 99,99% is niet betrokken
, Cellen aangeboren immuunsysteem
Mononucleaire fagocyten (monocyten en macrofagen)
Polymorfnucleaire granulocyten : neutrofielen, eosinofielen, basofielen
Natural killer cellen
Innate lymfoïde cellen (ILC’s)
Megakaryocyten
Mestcellen, basofielen
Dendritische cellen (DC)
Leukocyten : aanwezig in perifeer bloed -> neutrofielen, eosinofielen, basofielen, monocyten,
lymfocyten onderdeel van lymfocyten
Stamcellen:
Oorsprong: antenataal: dooierzak; postnataal: beenmerg
Omni- of pluripotent + zelf-regenererend belangrijk bij regeneratieve geneeskunde
Merker = CD34+!! human progenitor cell antigen 1 (HPCA-1)
Macrofagen/monocyten
Oorsprong: stamcel -> CMP -> promonocyte -> monocyt -> macrofaag (weefselspecifiek)
BW: histiocyten
Lever: küpffer cellen
Longen: alveolaire macrofagen
Lymfeklieren en milt: sinusoïdale cellen
Nier: mesengiale cellen
Beenderen: osteoclasten
Zenuwweefsel: microglia
Sereuse holten: peritoneale en pleurale macrofagen
24u-48u in bloed -> naar weefsels
CD14 = celmembraankenmerk monocyten -> anti-CD14 toevoegen aan bloedstraal -> alle
CD14 gaan oplichten -> gramnegatieve bacteriën herkennen
MHC1 en MHC2: antigeenpresentatie
Functies:
Fagocytose/cellyse (vertering)/herstel: pathogeen vernietigen op 2 manieren:
- PAMP door PRR -> CD14
- Opsonisatie via opsonine receptoren optimaliseren van fagocytose:
pathogeen wordt beter herkend
Opsonine receptoren aangeboren IS: complement en CRP (stof dat gemeten
wordt in bloed bij inflammatie, verhoogde CRP = inflammatie)
Opsonine receptoren verworven IS: antilichamen
Cellyse: potentialisatie fagocytose door interactie met andere cellen van het immuunsysteem
vb. interferon gamma (=cytokine die fagocytose activeert) geproduceerd door NK cellen
(aangeboren) en Th effectorcellen (verworven)
Antigeenpresenterende cellen: MHC2
Inductie ontsteking: degranuleren, stoffen vrijgeven -> remmende/dodende werking
- Fagocyten bevatten granulen -> humorale factoren worden vrijgezet na
fagocytose + synthese pro-inflammatoire cytokines -> lokale en systemische
inflammatie