Samenvatting histologie deel 1: Microscopische technieken
Microscoop 3 functies:
1. Vergroot beeld van het specimen produceren (=vergroting)
2. De details in een beeld scheiden (=resolutie)
3. De details zichtbaar maken voor het menselijk oog, voor een camera of voor een ander
waarnemingsapparaat/beeldopname-apparaat (=contrast)
Verschillen LM en EM
LM EM
Vergroting 1000x Vergroting 450.000x
Details tot 0.2µm Details tot 0.1nm
λ = 550nm λ = 0.005nm
Coupedikte: 5µm Coupedikte: 50nm
Kleuring door kleurstoffen Contrastering door zware metalen
Glazen lenzen Elektromagnetische lenzen
Grootte van weefsels en cellen:
RBC mens: 6µm
Zenuwcel: 20-150µm
Eicel: 100-200µm
Mitochondriën: 0,2µm
Eerste microscopen ontworpen door Antoni Van Leeuwenhoek -> enkelvoudige microscopen,
vandaag samengestelde microscopen: het beeld dat door de eerste lens wordt gevormd, wordt
vergroot door de tweede lens, waardoor de vergroting die verkregen wordt, heel wat hoger is dan bij
een enkele lens
Resolutie = oplossend vermogen, kleinste afstand waarmee 2 punten nog net gescheiden kunnen
worden weergegeven; R = λ / NA (golflengte gedeeld door numerieke apertuur) -> NA = n x sin µ (n =
brekingsindex medium tussen apparaat en microscoop; µ = halve tophoek apertuurkegel)
Lensfouten:
Chromatische aberatie: licht met korte golflengte wordt sterker gebogen dan met een lange
golflengte -> oplossing: achromatische lenzen: 2 golflengtes bij elkaar brengen
Sferische aberatie: hoe meer centraal, hoe minder sterk ze gebogen worden -> oplossing:
plan-gecorrigeerde lenzen
Astichmatisme: bolvormige structuur wordt eivorm
Alle lichtstralen door de lens komen terecht in brandpunt
Weefselvoorbereiding:
1. Fixatie: door perfusie (via bloedbaan) of door immersie (onderdompelen) -> ultrastructuur
van het weefsel blijft bewaard
2. Inbedding in paraffine
3. Snijden: apparaat snijdt zeer dunne schijfjes van het weefselblokje
4. Kleuren: noodzakelijk voor contrast, weefsel wordt gedeparaffineerd en opnieuw in waterig
milieu gebracht
Microscoop 3 functies:
1. Vergroot beeld van het specimen produceren (=vergroting)
2. De details in een beeld scheiden (=resolutie)
3. De details zichtbaar maken voor het menselijk oog, voor een camera of voor een ander
waarnemingsapparaat/beeldopname-apparaat (=contrast)
Verschillen LM en EM
LM EM
Vergroting 1000x Vergroting 450.000x
Details tot 0.2µm Details tot 0.1nm
λ = 550nm λ = 0.005nm
Coupedikte: 5µm Coupedikte: 50nm
Kleuring door kleurstoffen Contrastering door zware metalen
Glazen lenzen Elektromagnetische lenzen
Grootte van weefsels en cellen:
RBC mens: 6µm
Zenuwcel: 20-150µm
Eicel: 100-200µm
Mitochondriën: 0,2µm
Eerste microscopen ontworpen door Antoni Van Leeuwenhoek -> enkelvoudige microscopen,
vandaag samengestelde microscopen: het beeld dat door de eerste lens wordt gevormd, wordt
vergroot door de tweede lens, waardoor de vergroting die verkregen wordt, heel wat hoger is dan bij
een enkele lens
Resolutie = oplossend vermogen, kleinste afstand waarmee 2 punten nog net gescheiden kunnen
worden weergegeven; R = λ / NA (golflengte gedeeld door numerieke apertuur) -> NA = n x sin µ (n =
brekingsindex medium tussen apparaat en microscoop; µ = halve tophoek apertuurkegel)
Lensfouten:
Chromatische aberatie: licht met korte golflengte wordt sterker gebogen dan met een lange
golflengte -> oplossing: achromatische lenzen: 2 golflengtes bij elkaar brengen
Sferische aberatie: hoe meer centraal, hoe minder sterk ze gebogen worden -> oplossing:
plan-gecorrigeerde lenzen
Astichmatisme: bolvormige structuur wordt eivorm
Alle lichtstralen door de lens komen terecht in brandpunt
Weefselvoorbereiding:
1. Fixatie: door perfusie (via bloedbaan) of door immersie (onderdompelen) -> ultrastructuur
van het weefsel blijft bewaard
2. Inbedding in paraffine
3. Snijden: apparaat snijdt zeer dunne schijfjes van het weefselblokje
4. Kleuren: noodzakelijk voor contrast, weefsel wordt gedeparaffineerd en opnieuw in waterig
milieu gebracht