Samenvatting histologie deel 2: Algemene histologie – spierweefsels
3 hoofdtypen:
Skeletspierweefsel
Functie = contraheren -> kan je trainen + doping = dramatische toename
Willekeurige dwarsgestreepte spieren
Onder controle van de wil
Spier opgebouwd uit bundels -> opgebouwd uit spiercellen/spierweefsel
Hartspierweefsel
Functie = contraheren
Onwillekeurig dwarsgestreepte spieren
Niet onder controle van de wil
Glad spierweefsel
Specifieke functies
Wand van holle organen
Niet onder controle van de wil
Specifieke terminologie:
Sarcoplasma = cytoplasma spiercel
Sarcoplasmatisch reticulum = glad endoplasmatisch reticulum
Sarcosoom = mitochondriën
Sarcolemma = celmembraan spiercel
Myoblast = voorlopercel spiercel
Algemene kenmerken:
Lengte spiercel: 1mm – 30/50cm
Diameter spiercel: 10 – 100µm
Meerkernig, wandstandige kernen
Niet vertakt
Spiercel bestaat uit filamenten -> myo-fibrillen opgebouwd uit micro-filamenten
Contractie door interactie tussen dunne: actine en dikke: myosine
Lengtegroei door toevoeging van sarcomeren
Diktegroei door toevoeging nieuwe filamenten en overlangse splitsing
Letsels worden herstelt door bindweefsel -> beperkte regeneratie door satellietcellen
mogelijk: Kunnen bij beschadiging groter worden, delen en versmelten met de beschadigde
spiercellen
SKELETSPIERWEEFSEL
Dwarsgestreept skeletspierweefsel:
Actine, tropomyosine-eiwit en troponine vormen dunne filamenten die vastzitten thv Z-schijf
Myosine: vormt dikke filamenten die op hun plaats gehouden worden door titine en middendelen
door M-lijn
Actine en myosine = myofilamenten -> sarcomeer = functionele eenheid dwarsgestreepte
spiervezels = zone tussen 2 Z-lijnen
, Bij activatie spiercel worden myosinekoppen over actinefilamenten verplaatst richting Z-
schijven -> Z-schijven komen dichter bij elkaar door bipolariteit myosine waardoor sarcomeer
verkort
Myofibril = lineaire aaneenschakeling sarcomeren die doorloopt over hele lengte spiercel
Opbouw skeletspiercel
A-band = donkere gebieden -> laterale gebieden: actine- en myosinefilamenten overlappen
worden afgewisseld met I-banden = licht gebied
H-band = lichtere gebieden in A-band-> middengedeelte: enkel myosinefilamenten
M-lijn = middenin H-band
Z-lijn = scheiding A-band en H-band
1 sarcomeer = 2 halve I-banden & 1 A-band
Actinefilamenten (F-actine) ontstaan door polymerisatie van monomeren en vormen dubbele
helix + worden gestabiliseerd door tropomyosine
+ uiteinde: zijde waar meer monomeren worden aangehecht
- uiteinde: zijde waar monomeren afvallen, is ‘vrij’
Myosine: staart- en kopdeel -> 3 afzonderlijke regio’s:
Regio die op actine bindt
Regio die ATP-ase activiteit bevat en waaraan ATP kan binden
Regio die regulerende lichte ketens kan binden
Troponine: 3 subunits
TnT: bindt aan tropomyosine
TnC: bindt aan Ca++
TnI: verhindert als inhibitor de interactie tussen actine & myosine
Een myosinekop moet kunnen binden op actine, maar wordt verhindert door TnI -> Calcium gaat
binden aan TnC waardoor de keten dieper in de actine-groeve gaat -> bindingsplaats myosine komt
vrij en kan wel binden -> koppeling zorgt voor verkorting spiercellen -> spiercontractie
ATP voor nodig!
T-tubuli: lange buisvormige invaginaties loodrecht op celoppervlak
dringen tot diep in de spiercel -> omgeven afzonderlijke myofibrillen
maken contact met 2 laterale componenten van sarcoplasmatisch reticulum = triade -> terug
te vinden op elke overgang van A-band naar I-band -> rol bij excitatie-contractie koppeling
Koppeling excitatie en contractie skeletspiercel:
Skeletspiercellen contraheren oiv impuls afkomstig van motorische zenuwcel -> uitloper bereikt via
BW de spiercel
Motorische eindplaat = verzameling myoneuronale synapsen -> contact tussen uiteinde zenuwcel en
spiercel
Myoneuonale synapsen vs neuro-neuronale synapsen :
bredere synaptische spleet
3 hoofdtypen:
Skeletspierweefsel
Functie = contraheren -> kan je trainen + doping = dramatische toename
Willekeurige dwarsgestreepte spieren
Onder controle van de wil
Spier opgebouwd uit bundels -> opgebouwd uit spiercellen/spierweefsel
Hartspierweefsel
Functie = contraheren
Onwillekeurig dwarsgestreepte spieren
Niet onder controle van de wil
Glad spierweefsel
Specifieke functies
Wand van holle organen
Niet onder controle van de wil
Specifieke terminologie:
Sarcoplasma = cytoplasma spiercel
Sarcoplasmatisch reticulum = glad endoplasmatisch reticulum
Sarcosoom = mitochondriën
Sarcolemma = celmembraan spiercel
Myoblast = voorlopercel spiercel
Algemene kenmerken:
Lengte spiercel: 1mm – 30/50cm
Diameter spiercel: 10 – 100µm
Meerkernig, wandstandige kernen
Niet vertakt
Spiercel bestaat uit filamenten -> myo-fibrillen opgebouwd uit micro-filamenten
Contractie door interactie tussen dunne: actine en dikke: myosine
Lengtegroei door toevoeging van sarcomeren
Diktegroei door toevoeging nieuwe filamenten en overlangse splitsing
Letsels worden herstelt door bindweefsel -> beperkte regeneratie door satellietcellen
mogelijk: Kunnen bij beschadiging groter worden, delen en versmelten met de beschadigde
spiercellen
SKELETSPIERWEEFSEL
Dwarsgestreept skeletspierweefsel:
Actine, tropomyosine-eiwit en troponine vormen dunne filamenten die vastzitten thv Z-schijf
Myosine: vormt dikke filamenten die op hun plaats gehouden worden door titine en middendelen
door M-lijn
Actine en myosine = myofilamenten -> sarcomeer = functionele eenheid dwarsgestreepte
spiervezels = zone tussen 2 Z-lijnen
, Bij activatie spiercel worden myosinekoppen over actinefilamenten verplaatst richting Z-
schijven -> Z-schijven komen dichter bij elkaar door bipolariteit myosine waardoor sarcomeer
verkort
Myofibril = lineaire aaneenschakeling sarcomeren die doorloopt over hele lengte spiercel
Opbouw skeletspiercel
A-band = donkere gebieden -> laterale gebieden: actine- en myosinefilamenten overlappen
worden afgewisseld met I-banden = licht gebied
H-band = lichtere gebieden in A-band-> middengedeelte: enkel myosinefilamenten
M-lijn = middenin H-band
Z-lijn = scheiding A-band en H-band
1 sarcomeer = 2 halve I-banden & 1 A-band
Actinefilamenten (F-actine) ontstaan door polymerisatie van monomeren en vormen dubbele
helix + worden gestabiliseerd door tropomyosine
+ uiteinde: zijde waar meer monomeren worden aangehecht
- uiteinde: zijde waar monomeren afvallen, is ‘vrij’
Myosine: staart- en kopdeel -> 3 afzonderlijke regio’s:
Regio die op actine bindt
Regio die ATP-ase activiteit bevat en waaraan ATP kan binden
Regio die regulerende lichte ketens kan binden
Troponine: 3 subunits
TnT: bindt aan tropomyosine
TnC: bindt aan Ca++
TnI: verhindert als inhibitor de interactie tussen actine & myosine
Een myosinekop moet kunnen binden op actine, maar wordt verhindert door TnI -> Calcium gaat
binden aan TnC waardoor de keten dieper in de actine-groeve gaat -> bindingsplaats myosine komt
vrij en kan wel binden -> koppeling zorgt voor verkorting spiercellen -> spiercontractie
ATP voor nodig!
T-tubuli: lange buisvormige invaginaties loodrecht op celoppervlak
dringen tot diep in de spiercel -> omgeven afzonderlijke myofibrillen
maken contact met 2 laterale componenten van sarcoplasmatisch reticulum = triade -> terug
te vinden op elke overgang van A-band naar I-band -> rol bij excitatie-contractie koppeling
Koppeling excitatie en contractie skeletspiercel:
Skeletspiercellen contraheren oiv impuls afkomstig van motorische zenuwcel -> uitloper bereikt via
BW de spiercel
Motorische eindplaat = verzameling myoneuronale synapsen -> contact tussen uiteinde zenuwcel en
spiercel
Myoneuonale synapsen vs neuro-neuronale synapsen :
bredere synaptische spleet